Kapitein McGovern kwam dien dag een uur eerder dan anders thuis.
Zijn vrouw was een broodmager persoon, met geverfd, blond haar, dat van
den kapper afkomstig was, want haar eigen haardos bestond slechts uit
een onooglijk rattestaartje, dat zij handig wist te verbergen onder de
blonde pruik.
Zij twistte juist met haar eenige dienstbode, zoodat het, ondanks de
gesloten vensters, op straat hoorbaar was.
Toen McGovern zijn woning naderde, vertraagde hij onwillekeurig z’n
schreden. Het maakte den indruk, alsof een afgeranselde hond met den
staart tusschen de beenen naar huis terugkeerde.
Inplaats van de ooren liet hij zijn onderlip hangen, terwijl hij met de
linkerhand een natten zakdoek tegen de wang hield, die pijnlijk was
opgezwollen door den slag van Raffles.
Zacht sloot hij de huisdeur open, ging de gang binnen en luisterde.
Uit de aangrenzende kamer weerklonk de scheldende stem van zijn vrouw,
die tegen een jong, armoedig dienstmeisje, bijna nog een kind, raasde.
Het meisje was haar uit een weeshuis bezorgd.
De kleine maakte den indruk, totaal verhongerd en verwaarloosd te zijn.
Zij lag op de knieën en wreef den parketvloer, een werk, dat zelfs
vermoeiend was voor een gespierden man.
Iedereen kon zien, dat dergelijk werk te zwaar was voor het meisje. En
toch was zij al uren lang ijverig bezig, den parketvloer glimmend te
maken.
De vrouw van den kapitein zat in een schommelstoel midden in de kamer,
had een Japansche ochtendjapon aan, las een roman en keek af en toe
door haar lorgnet naar het werkende meisje.
Als een automatische kijfmachine opende zij elke vijf minuten haar mond
om het kind een stortvloed van de gemeenste scheldwoorden naar het
hoofd te slingeren, opdat het werk wat vlugger zou gaan.
Kapitein McGovern opende de deur der kamer en sprak met zachte,
bedrukte stem, die geheel en al in tegenstelling was met zijn
commandotoon op het exercitieveld:
„Eulalia, hier ben ik!”
Met een ruk richtte de broodmagere vrouw zich in den schommelstoel op,
zette haar lorgnon op den haviksneus en staarde naar haar echtgenoot
als een nijdige krokodil, die in zijn rust wordt gestoord.
„Wie is daar?” riep zij met schelle stem. „Jij zelf?”
„Ja, ik ben het, geliefde Eulalia!”
Nu stond zij op, liep vol waardigheid naar de deur en riep:
„Wat heb je nu al thuis te doen! Je houdt mij maar van het werk af. Je
dienst is immers pas over een uur afgeloopen!”
„Ik heb mij bezeerd, lieve Eulalia!”
Een langgerekt: „Zoo!” weerklonk en zij sprak:
„Kom hier, Harry, maar denk erom, dat je niet op het gewrevene loopt!”
In het volgende oogenblik wendde zij zich tot het dienstmeisje en
schreeuwde:
„Wil jij het wel eens laten om je vuile ooren open te zetten en af te
luisteren, wat ik hier met dezen heer te spreken heb!
„Vooruit, klein beest, werk! Maak voort, canaille, of je krijgt geen
avondboterham! Het middageten krijg je in geen geval, want je hebt veel
te slecht gewerkt!”
Nu wendde zij zich weer tot den binnengekomene.
„Wat zie je er uit, Harry!” gilde zij. „Wat is er met je gebeurd?
Vertel!”
„Een verschrikkelijke geschiedenis!” zuchtte de kapitein, „een
afschuwelijk geval! Een bende van twaalf misdadigers overviel mij op
weg naar huis.
„Vier van hen sloeg ik neer.
„De andere nam ik zelf gevangen en bracht ze naar het politiebureau.
„Maar helaas! Ik kreeg, ondanks mijn dappere verdediging een slag,
lieve Eulalia, en daarom moest ik naar huis komen.
„Ik geloof, dat het goed zou zijn, als je dokter Griffin liet roepen.
Ik voel mij ziek! Ik kan nauwelijks op de been blijven; je moet wat
thee voor mij zetten!”
Kermend viel hij in den schommelstoel, terwijl zij met wantrouwende
blikken naar hem keek. Daarop ging zij in haar volle lengte voor hem
staan, tikte hem met haar lorgnet op den schouder en sprak op zalvenden
toon:
„Lieg je niet een beetje, Harry? Wil je misschien mijn medelijden weer
opwekken, zooals je dat al zoo vaak hebt gedaan?”
Hij hief bezwerend zijn rechterhand op en riep, terwijl hij de linker
weer krampachtig tegen de pijnlijke wang drukte:
„Neen, neen Eulalia, ik bezweer je bij den Heiligen Sint Patrick, dat
ik de zuivere waarheid spreek!
„Ik had een vreeselijken strijd te doorstaan. Jij moet mij nu met je
lieve handen als een barmhartige Samaritaan verplegen”.
„Nu”, antwoordde zij, „dan zullen morgen de kranten je heldendaad
vermelden, opdat de wereld eindelijk te weten komt, welk een dapper
officier van het roemrijke Engelsche leger je bent!
„O, geliefde Harry, gedurende de twintig jaren van ons huwelijk hoop ik
steeds, dat je eindelijk de wereld zult bewijzen, dat je inderdaad een
geboren veldheer bent, dat je heldenmoed bezit en evenveel waard bent
als Kitchener en dat jouw genie Engeland de zege zal doen behalen over
het gehate Duitschland.
„O Harry, hoe trotsch ben ik op jou, als je werkelijk dezen strijd hebt
doorstaan!
„Ik zal dadelijk onzen goeden Dr. Griffin laten roepen. Hij moet de
wond, die je hebt opgedaan, verbinden.
„O Harry, welk een held ben je!”
Zij ruischte de kamer uit en begaf zich naar de telefoon in de gang, om
de hulp in te roepen van den huisdokter.
Nadat dit was geschied, ging zij weer naar den kapitein terug en toen
zij zag, dat hij nog steeds in dezelfde houding, met de hand aan zijn
wang, in den schommelstoel zat, zette zij de handen op de heupen en
riep:
„Zeg eens, jij hondsvod, ellendige kerel, zie je dan niet, wat er
gebeurt? Waarom zit je daar in dien schommelstoel?
„Je staart voor je op den vloer en kunt je mond niet opendoen om die
luie vuilpoets, die meid, aan het werk te houden? Dat kind stinkt van
luiheid!
„Heb ik je soms daarom tot man genomen, om de dienstboden tot luiheid
aan te zetten?”
Zij maakte een handbeweging alsof zij hem een oorvijg wilde geven. Hij
scheen die beweging te kennen, want hij verborg het hoofd tusschen de
schouders en bukte zich, in afwachting van de muilpeer.
„Vergeef mij,” fluisterde hij, „houd rekening met mijn toestand!”
„Wat?” riep zij uit en haar houding werd dreigender, „jij durft je voor
een held uit te geven en over je wonden te klagen? Als de verslaggevers
je in dezen toestand zagen, zou geen hunner schrijven: De Engelsche
Moltke is ontdekt. Het is kapitein McGovern, van de Iersche koninklijke
garde—
„Marsch! Ga nu de kamer uit, opdat ik niet langer naar je behoef te
kijken! Er uit en loop niet op het gewrevene, ik wil het werk niet nog
eens doen.”
Voorzichtig, alsof hij op rauwe eieren liep, sloop de dappere kapitein
de kamer uit en begaf zich naar de studeerkamer aan de andere zijde der
gang.
Daar ging hij kermend, als een zwaar gewonde, op de divan liggen, nadat
hij een kom met water naast zich had gezet, waarin hij van tijd tot
tijd den zakdoek doopte om er zijn gelaat mee te betten.
Hij noch zijn vrouw bemerkten, dat voor het huis Raffles en Charly
Brand heen en weer liepen en de deur, zoowel als de ramen, met scherpe
blikken bekeken.
Raffles hoorde het kijven op straat en sprak tot Charly Brand:
„De kapitein en zijn vrouw schijnen nette menschen te zijn!”
Op dit oogenblik hield een rijtuig voor het huis stil, waaruit een heer
stapte, die de woning binnenging.
„Prachtig!” lachte Raffles, „nu heeft hij een dokter laten halen!”
„Hoe weet je dat?” vroeg Charly Brand.
„Heel eenvoudig,” sprak Raffles nog steeds lachend, „in de eerste
plaats had hij een verbandkistje bij zich en in de tweede plaats droeg
hij een cylinder, die, behalve de Engelsche doktoren, niemand draagt.
„Verder kun je, ook zonder verbandkistje en hoogen hoed, een Engelschen
dokter dadelijk herkennen aan de gewichtige gelaatsuitdrukking,
waarachter hij zijn onkunde voor de wereld tracht te verbergen.
„Laten wij eens afwachten, hoe lang het onderzoek zal duren!”
Zij gingen voor dat doel een klein café aan den overkant binnen,
vanwaar zij het huis nauwkeurig konden gadeslaan.
Zij moesten bijna een half uur wachten, toen werd de huisdeur geopend
en het kleine, armoedige dienstmeisje verscheen met een recept in de
hand.
„Nu wordt er naar de apotheek gestuurd,” sprak Raffles. „Ik ben
nieuwsgierig, of de dokter hem een purgeermiddel of iets anders heeft
voorgeschreven. Blijf hier eens zitten.
„Voor de grap, die ik met hem wil uithalen, stel ik belang in dat
recept.”
Hij verliet het café en liep het dienstmeisje vlug na.
Reeds een paar huizen verder had hij haar ingehaald.
Nauwelijks had hij, de menschenkenner, een blik geworpen op het
vermagerde, bleeke, hongerige gezicht van het dienstmeisje, of hij
kende de geheele lijdensgeschiedenis van het arme schepseltje.
„Groote hemel!” sprak hij tot zichzelf, „dat meisje ziet er veel
ongelukkiger uit dan een van de talrijke vervallen, verwaarloosde
schepsels, die ik ooit in de straten van Eastend of Whitechapel heb
gezien.”
Vol medelijden wilde hij haar aanspreken.
Op hetzelfde oogenblik zakte het meisje plotseling in elkaar en viel
voor zijn voeten neer.
Zonder aarzelen tilde de Groote Onbekende de bewustelooze op en droeg
haar de naastbijzijnde woning binnen.
Hij riep den portier, gaf hem eenige shillingstukken en verzocht hem,
voor water te zorgen.
Nadat de man dit had gebracht, bevochtigde Raffles het gelaat van het
uitgeputte schepseltje.
Met een diepen zucht opende de stumperd de oogen en keek verbaasd naar
Raffles.
„Waar ben ik?” vroeg zij met zachte stem.
„Blijf hier een oogenblik liggen”, antwoordde Raffles, „ik zal naar de
apotheek gaan om het recept te bezorgen. Meteen zal ik voor jou iets
versterkends meebrengen. Je voelt je erg naar, nietwaar?”
„Ja”, hijgde het meisje.
„Hoe heet je?” vroeg de Groote Onbekende verder.
„Anna Marie”, antwoordde zij en trachtte op te staan.
„Blijf liggen totdat ik terugkom”, beval Lord Lister haar en hij
verzocht den portier, ervoor te zorgen, dat het meisje door niemand
lastig werd gevallen.
Daarop snelde hij met het recept naar de apotheek.
Reeds na een paar minuten kwam hij met een potje zalf terug, dat hij
aan het meisje gaf. Tegelijkertijd overhandigde hij haar een pakje en
beval haar, van het poeder, dat zich daarin bevond, elken dag een
lepeltje vol in een glas water te roeren en een eetlepel vol te nemen
van den flesch Tokayer.
In geen geval moest zij het pakje aan haar meesteres laten zien.
En verder zou hij voor haar blijven zorgen en haar bevrijden uit de
handen, waarin zij zich bevond.
Het jonge meisje wilde hem dankbaar de handen kussen, maar Raffles
weerde haar met een snelle beweging af.
Hij deed het pakje in den zak van haar schort en bracht haar zalf, daar
zij zich zeer zwak gevoelde, tot aan de deur.
Het rijtuig stond er niet meer, toen Raffles voor het huis aankwam.
De dokter was reeds heengegaan.
Nu begaf Raffles zich weer naar het café; toen hij tegenover Charly
Brand zat, merkte deze op, dat het gelaat van zijn vriend een
eigenaardige uitdrukking had.
„Wat heb je?” vroeg hij.
„Ik heb zooeven rare dingen beleefd”, antwoordde Lord Lister op
ernstigen toon. „Ik heb een arm, verhongerd schepseltje leeren kennen,
een van die ongelukkige blanke slavinnen en verder heb ik den kapitein
een recept voorgeschreven, dat hem nog betere diensten zal bewijzen dan
de slag met den stok.”
„Wat voor een recept?” vroeg Charly Brand.
„Heel eenvoudig”, lachte Raffles. „Door een toeval, zooals de hemel mij
die zoo dikwijls op mijn levensweg stuurt, om schurken hun welverdiende
straf te doen toekomen, kreeg ik het recept van den dokter in handen.
„Het was een verkoelende zalf, die op de wang gesmeerd moest worden.
„Ik heb het recept nog in mijn zak.
„In plaats daarvan heb ik mij een zalf klaar laten maken, die een
eenigszins andere uitwerking heeft—een Spaansche trekpleister.
„Jammer, dat ik geen getuige kan zijn van de uitwerking.
„Ik verzeker je, mijn beste Charly, dat door den slag met den stok het
gelaat van den kapitein flink is opgezwollen. Mijn zalf zal hem
daarenboven blaren bezorgen, waarmee hij vier weken lang mooi zal zijn.
Ik geloof niet, dat hij zoo heel gauw de arme Iersche soldaten weer zal
tuchtigen.
„Hij heeft zijn portie gekregen, Charly.”
„Een echte Rafflesstreek!” lachte zijn vriend.
„Het spijt mij alleen, dat het kijvende vrouwspersoon, wier schelle
stem wij op straat hoorden, geen blaren op de tong krijgt.”
Plotseling sprong Raffles op.
„Een idee, een prachtig idee, lieve Charly! Wij zullen de comedie
kunnen bijwonen!”
Haastig betaalde hij den kellner en liep met Charly naar het huis van
den kapitein.
Hij moest eenige seconden wachten, voordat het kleine dienstmeisje
verscheen, dat de deur opende en vroeg wat hij verlangde.
„Ik ben Dr. Halfart en ontmoette zooeven mijn collega, Dr. Griffin. Hij
verzocht mij, den patiënt zelf in te wrijven met de zalf, welke hij had
voorgeschreven.”
„Ik zal het mevrouw gaan zeggen”, antwoordde het dienstmeisje.
„Dat is niet noodig!” klonk de stem van de vrouw des huizes op den
donkeren achtergrond. Zij stond vol nieuwsgierigheid te luisteren, wie
er was.
„Hoe bedoelt u dat, mevrouw?” vroeg Raffles, een buiging makende.
„Ik heb er zelf al voor gezorgd. Hoor eens, hoe mijn man kermt, hij
doet precies alsof hem een nieuw ongeluk was overkomen.
„Ach, wij vrouwen kunnen veel beter pijn verdragen dan de mannen!”
Op dit oogenblik weerklonk uit de studeerkamer een vervaarlijk gebrul.
„Ik verbrand, ik verbrand! De zalf—de zalf—ik word krankzinnig, ik word
krankzinnig—men wil mij vermoorden!”
Het was de vrouw van den kapitein hoogst onaangenaam, dat vreemden dit
geschreeuw hoorden.
Toornig opende zij de kamerdeur en vroeg haar man:
„Heb je je ingesmeerd?”
„Ja, ik ben ingesmeerd, helaas ja!” antwoordde hij op huilerigen toon.
„Hij is flink gezalfd!” fluisterde Raffles, tot Charly, „hij zal
reuzenblaren krijgen!”
„Schreeuw niet zoo!” krijschte de vrouw van den kapitein, „buiten staan
vreemde heeren. Een collega van Dr. Griffin! Wat moeten zij van je
heldenmoed denken!”
„Help! Help!” riep de kapitein, „hij heeft mij een verkeerde zalf
gegeven, ik word vermoord! Roep den dokter!”
„Ellendeling!” riep de liefhebbende echtgenoote uit. „Daar, kijk! hier
is de zalf! En opdat je zelf kunt zien, wat voor een krankzinnigentaal
je uitkraamt, zal ik voor jouw oogen mijn heele gezicht ermee
insmeeren!”
Op dit oogenblik trapte Raffles zijn vriend op zijn pijnlijkste
eksteroog.
„Prachtig!” fluisterde hij. „Het noodlot is werkelijk rechtvaardig. Nu
krijgt zij ook blaren!”
In de studeerkamer bleef alles een paar seconden stil, toen schreeuwde
de kapitein weer als een waanzinnige en riep om den dokter.
Maar een paar minuten had hij het genoegen, alleen te razen, toen kreeg
hij gezelschap, want ook zijn vrouw begon.
De zalf werkte uitstekend!
Raffles hoorde haar schreeuwen:
„Help! Harry! Help!”
Daarop greep hij Charly’s arm.
„Nu wordt het tijd, dat wij verdwijnen. Jammer, dat ik inspecteur
Baxter dit recept niet eens voor kan schrijven!”
Toen de vrouw van den kapitein naar de gang snelde om den vermeenden
dokter ter hulp te roepen, was deze verdwenen en alleen de openstaande
huisdeur bewees haar, dat er werkelijk een paar vreemde heeren in haar
huis waren geweest.
Als een furie snelde zij naar de telephoon om aansluiting te vragen met
Dr. Griffin.
Deze was juist thuis gekomen en toen hij zijn kamer binnenging, belde
de telephoon.
Hij nam de hoorn op en riep:
„Hier Dr. Griffin, wie is daar?”
„Goeden dag, dokter!” klonk het lachend terug. „Hier John Raffles!”
De telephoon viel den armen dokter bijna uit de hand.
„Wie daar?” vroeg hij met trillende stem.
„Mijn Hemel, dokter, kent gij mij niet?... hebt gij mijn naam nooit
gehoord?... John Raffles heet ik—verstaat gij mij nu?”
„Jawel”, antwoordde de dokter, „wat wenscht gij?”
„Ik heb u vervangen”, klonk het lachend terug.
„Het recept, dat gij kapitein McGovern hebt voorgeschreven, is in
gewone gevallen heel goed, maar hier deugde het niet! Ik ben zoo vrij
geweest, een zalf te laten klaarmaken, die krachtig werkt! Groet het
tweetal van mij”.
De dokter was bij het hooren van deze woorden zoo verbaasd, dat hij met
open mond naar de telefoon staarde en verschrikt opkeek, toen hij
opnieuw werd opgebeld.
Hij onderscheidde dadelijk, nog voordat hij antwoord kon geven, de stem
der kapiteinsvrouw, die in de grootste wanhoop riep:
„Er is een ontzettend ongeluk gebeurd! Kom dadelijk bij ons, als het u
belieft!”
Eenige seconden later reed Dr. Griffin opnieuw in zijn rijtuig naar de
woning van den kapitein en reeds op straat hoorde hij het geschreeuw
van het wanhopige echtpaar, zoodat het was, alsof alle katten en katers
uit de buurt een welluidend concert gaven.