EEN ONTMOETING IN DEN TOWER.

„Ik heb lust om een wandeling te maken”, sprak Raffles, de zoozeer

bewonderde, gevierde, maar tevens overal gezochte gentleman-meesterdief

van Londen, tot zijn vriend Charly Brand, „het is zulk heerlijk

zomerweer, dat het bijna onmogelijk is om thuis te blijven”.

Charly Brand, die bij het venster zat in een schommelstoel en een

sigaret rookte, stond op en antwoordde:

„Ik hoop, dat je gisteren de nieuwste publicatie van politie-inspecteur

Baxter zult hebben gelezen, waarbij deze de belooning op jouw

gevangenname met 500 pond heeft verhoogd”.

Raffles lachte luidkeels, zoodat zijn vriend hem vol verbazing aankeek.

„Waarom lach je?” vroeg de secretaris.

„Ik amuseer mij erover”, sprak Raffles, „dat men op mijn persoon een

hoogere premie heeft gesteld dan ooit te verdienen was aan de vangst

van een gevaarlijk moordenaar; op mijn persoon, die nog nimmer eenig

mensch kwaad heb gedaan, die zelfs geen vlieg zou kunnen dooden en die

er zich alleen mee bezig houd, ellendelingen en gemeene schurken, die

onder bescherming der wet hun medemenschen eer, have en goed ontrooven,

een welverdiende straf te bezorgen.

„Ik geloof, dat nog nimmer door de Engelsche Regeering een hoogere

prijs is uitgeloofd voor een harer onderdanen.

„Zelfs op koning Karel was de premie, welke de Lord Protector Cromwell

wilde betalen, niet meer dan een ellendige 1000 pond en bij mij...”

Hij knipte de asch van zijn sigaret door het geopende venster en keek

peinzend naar buiten.

„Bij jou zijn het 4000 pond”, riep Charly uit.

„Vierduizend pond”, herhaalde zijn vriend, „ik hoop, dat ik in de

gelegenheid zal zijn, wanneer ik eenmaal mijn einde voel naderen, om

tot den een of anderen armen drommel te zeggen, die het geld best kan

gebruiken:

„Mijn lieve vriend, neem mij mee en breng mij voorzichtig als een

kostbaar voorwerp, dat 4000 pond waard is, naar het hoofdbureau van

politie en zeg daar: hier is John Raffles!”

„Ik houd je er toe in staat”, sprak zijn secretaris, een nieuwe sigaret

aanstekend.

„Ja zeker”, antwoordde Raffles, „ik geef je mijn eerewoord, dat ik mij

niet eerder zal overgeven aan den hooggeachten inspecteur van politie

Baxter, dan wanneer hij den armen drommel de 4000 pond heeft

uitbetaald.”

Charly Brand lachte en sprak:

„Ik geloof, dat jij, als de arme kerel de 4000 pond sterling heeft

gekregen, met een van je beroemde Rafflesstreken den heer Baxter en het

geheele hoofdbureau van politie een poets zult bakken, die meer dan

4000 pond waard is, want je zult in rook verdwijnen”.

Lord Lister sloeg hem schertsend op den schouder en zei:

„Ik kan je geen ongelijk geven.

„Misschien zal ik nog eens, wanneer wij het geld noodig hebben, jou

voor dien armen man laten doorgaan. Je kunt mij dan naar inspecteur

Baxter brengen, je het geld laten uitbetalen en wij maken er samen een

reis van naar het vasteland.

„Maar laat ons nu gaan!”

John Raffles nam zijn cylinder, die op de schrijftafel stond en zijn

stok met zwaren gouden knop, die door middel van een geheime veer

geopend kon worden en die van binnen een waar arsenaal van kunstig

bewerkte inbrekerswerktuigen bevatte.

Ook Charly Brand greep naar zijn hoed en sprak tot zijn vriend, die al

in de deur stond:

„Wil je zonder vermomming de straat op gaan?”

„Natuurlijk!” lachte Lord Lister.

„Baxter en zijn detectives herkennen mij het allerminst, wanneer ik zoo

ga. Ik had korten tijd geleden het genoegen om te zien, hoe onze

wederzijdsche vriend een oude fruitvrouw, een Iersche met zeere oogen,

een wijf van minstens zeventig jaar, die in de buurt van Piccadilly

rotte sinaasappelen verkocht, met behulp van zijn detectives gevangen

nam, onder de beschuldiging”—hij lachte hartelijk—„dat zij John C.

Raffles was en haar naar Scotland Yard liet brengen. Schitterend,

nietwaar?”

„Als jij het mij niet vertelde, zou ik het niet gelooven. Het klinkt

wel een beetje onwaarschijnlijk!”

„En zij had een bochel, zooals de hofnar van wijlen koningin Elisabeth

van Engeland niet eens had. Je weet immers, Charly, dat die koningin

van gebochelde mannen hield!”

„Merkwaardig,” antwoordde Charly Brand, „bestudeer jij de

geschiedenis?”

„Dat was immers vroeger mijn geliefkoosde studie,” merkte zijn vriend

op, „ik lees graag over de bijzonderheden van historische personen.”

„Het is vreemd,” sprak de secretaris, „dat Elisabeth, die bekend stond

als iemand met veel schoonheidsgevoel, er een dergelijke gril op

nahield. Hoe kun je dat verklaren?”

„Mijn beste jongen, ik heb te veel achting voor je onschuld, dan dat ik

jou zou willen verklaren, welke bijzondere aantrekkelijkheden koningin

Elisabeth vond in haar half dozijn gebochelde hofnarren.

„Maar kom nu mee!

„En omdat wij juist over koningin Elisabeth spreken, willen wij onze

wandeling maken naar de plek, waar die dame met de ijzersterke zenuwen

haar breede voeten heeft gezet. Laat ons naar den Tower gaan!”

„Het is jammer, dat jij niet professor in de geschiedenis bent

geworden! Je hebt een eigenaardige gave om droge onderwerpen op

interessante wijze te behandelen.

„Verklaar mij die geschiedenis van koningin Elisabeth toch eens nader!

„Je vertelt mij daar allerlei moois omtrent mannen met bochels,

ijzersterke zenuwen en een half dozijn hofnarren—dat is inderdaad

genoeg om niet alleen een vrouw, maar zelfs een man nieuwsgierig te

maken.”

„Als wij in het rijtuig zitten, zal ik het je vertellen.”

„Prachtig!” riep Charly Brand, „zoo gauw mogelijk een huurrijtuig!”

Hij snelde de trap af, opende de huisdeur en riep een cab aan, die,

volgens Londensch gebruik, midden op de straat stond.

„Naar den Tower!” riep Raffles den koetsier toe en sprong in het

rijtuig, terwijl Charly Brand hem volgde.

Nadat zij eenigen afstand hadden afgelegd, sprak de secretaris:

„Je beloofdet mij, mij het een en ander over die ijzersterke zenuwen te

vertellen.”

„Ja,” antwoordde John Raffles, „kijk eens naar het paard voor deze cab!

Een mooi beest, nietwaar?”

„Jawel,” knikte de jonge man, „maar wat heeft dat paard te maken met

koningin Elisabeth van Engeland?”

Raffles boog zich naar hem toe en fluisterde:

„Heb je nooit gehoord, dat in den Tower—”

Het rumoer op straat maakte het verdere onverstaanbaar.

„Een sigaret?” vroeg John Raffles na een korte pauze, terwijl hij zijn

met diamanten versierd sigarettenétui te voorschijn haalde uit zijn

borstzak.

Dit étui had hij twee jaar geleden den grootvorst Wladimir in Monte

Carlo afhandig gemaakt.

Charly Brand nam een sigaret, Lord Lister eveneens.

Daarop liet hij de stralen der zon op het étui vallen, zoodat de

diamanten in bonte kleurenpracht schitterden.

„De dame, die dit waardevolle voorwerp eenmaal weggaf, heeft veel

overeenkomst met die Engelsche koningin. Het was de bekende Catharina,

die haar gunsteling Iwanoff voor zijn staatkundige bekwaamheden dit

étui vereerde.”

„Ik weet niet, wat je vandaag bezielt!” sprak Charly Brand.

„Misschien wil je mij nu een beetje gaan vertellen van de intimiteiten

van Catharina en haar kamerdienaar, den lateren vorst Iwanoff.”

„Als het je genoegen doet,” antwoordde zijn vriend lachend, „ik ben

tamelijk goed op de hoogte.”

„Dank je, ik heb nu genoeg,” antwoordde Charly Brand, „ik geloof, dat

de warmte invloed op je heeft. De wandeling in den Tower aan de koele

Theems zal je goed doen!”

„Wij zullen er het beste van hopen!” sprak John Raffles met de grootste

kalmte.

Het verdere gedeelte van den tocht legden zij zwijgend af en, nadat zij

de Towerbrug over gereden hadden, stapten zij uit en namen bij den

conciërge kaarten om toegang te krijgen.

Met langzame schreden gingen zij de brug over, welke over de breede,

vroegere slotgracht voert; deze gracht is nu gedempt en herschapen in

een grasveld, dat als exercitieveld dienst doet voor de Iersche garde,

welke in den Tower verblijf houdt.

Juist toen zij midden op de brug waren gekomen, marcheerde een

afdeeling van dit regiment in de bekende nauwe broeken, de roode jasjes

en de grijze kepi’s, naar buiten om te gaan exerceeren.

John Raffles monsterde met de belangstelling van een gewezen officier

de rijzige, krachtige, gespierde gestalten.

Op eenigen afstand liepen de officieren met lichte, sierlijke

wandelstokjes in de handen, waarmee zij speelden als dames met haar

waaiers. Deze dunne, zoo onschuldig lijkende voorwerpen waren echter

zeer gevreesde tuchtigingsinstrumenten.

In de hand van een wreedaardig officier was een dergelijk stokje van

het beste Indische peperriet, voorzien van een dunne stalen stang en

een verguld looden knop als handvat, een gruwelijk martelwerktuig.

John Raffles kende ze maar al te goed. Ook in zijn regiment in Afrika

werden zij veelvuldig gebruikt bij het drillen der recruten.

Een kleine, dikke kapitein van de Iersche garde liep op dit oogenblik,

kuchend en snuivend als een Nijlpaard, langs de wandelaars en keek met

zijn kleine, door dikke vetplooien omgeven oogen, als een boosaardig

insect naar zijn manschappen.

Raffles merkte op, dat de lieden, die hij commandeerde, schuw als

mishandelde honden naar den kleinen kapitein keken.

Onophoudelijk zwaaide hij zijn stok door de lucht en het leek er naar,

alsof hij elk oogenblik een der soldaten wegens een verkeerden pas een

slag wilde geven.

„Dat is de menschenbeul van het regiment,” sprak Raffles tot Charly

Brand, „ik zou wel durven zweren, dat die kerel in geval van oorlog

meerdere kogels van zijn eigen manschappen zou krijgen!

„Laat ons eens kijken, hoe dat sujet zijn luidjes bij het exerceeren

zal behandelen!”

Zij bleven op de brug staan en keken over de leuning kalm naar het

exercitieterrein beneden hen.

Dicht bij Raffles exerceerde de compagnie van den kleinen kapitein.

Met harde stem, die een hatelijken klank had als het schelden van een

vischwijf, gaf hij zijn bevelen en liet hij zijn manschappen oefenen.

Af en toe liet hij een van hen naar voren treden, die zich volgens zijn

meening niet flink genoeg bewoog en overlaadde hem met een vloed van de

gemeenste scheldwoorden, zoodat Raffles beweerde, dat deze bepaald

afkomstig moesten zijn van de vrouw van dezen bullebak.

„Ik verzeker je”, sprak hij tot Charly, „dat zelfs een Pruisisch

dragonder dergelijke scheldwoorden niet kent. Nu—kijk eens!”

Charly Brand zag, hoe de officier, met zijn stok een der Iersche

soldaten zoo onbarmhartig tegen de scheenbeenen sloeg, dat de groote,

sterke kerel in elkaar zakte.

„Een walgelijk sujet!” sprak de Groote Onbekende, „het spijt mij, dat

ik niet het een of andere voorwerp bij de hand heb om hem de hersens in

te gooien.”

„Nette voornemens”, lachte Charly Brand.

„Kijk eens, nu heeft hij een tweede slachtoffer!”

Charly Brand zag een gevaarlijke uitdrukking in de oogen van zijn

vriend, toen de Engelsche kapitein een tweede der manschappen op

dezelfde wijze met zijn stok sloeg.

Dicht bij hem stond een soldaat, die ook naar het exerceeren van zijn

kameraden keek, waaraan hij niet behoefde mee te doen.

John Raffles haalde een shillingstuk uit den zak en wendde zich tot

hem.

Hij sprak hem op den toon der officieren aan met de woorden:

„Kom eens hier, mijn vriend.”

„Met genoegen, Sir”, antwoordde de soldaat en, vermoedend, met een

superieur in burgerkleeding te doen te hebben, maakte hij onwillekeurig

het militair saluut.

Lord Lister drukte hem het shillingstuk in de hand en sprak:

„Jij kunt mij wel inlichtingen geven. Hoe heet de kapitein daar

beneden, die het bevel voert over de eerste compagnie?”

De gevraagde wierp een blik over de leuning en toen hij had gezien, wie

bedeeld werd, antwoordde hij zoo zacht, alsof hij bang was, den naam

van den gevreesden officier op luiden toon uit te spreken:

„Kapitein McGovern.”

„Zoo, zoo”, knikte de Groote Onbekende, „weet je misschien ook

toevallig, waar de woning van dien heer is?”

„Ja, Sir”, antwoordde de soldaat, „ik stond vroeger in zijn compagnie

en moest dikwijls den oppasser helpen kleeden kloppen. De kapitein

woont Hamilton Road 16.”

„Zoo, zoo”, sprak Raffles, „ik herinner mij dat adres. Een van mijn

vrienden woont in het huis er vlak naast en vertelde mij dat zijn vrouw

een draak is.”

„Ja, Sir, dat is waar. Thuis mag de kapitein geen mond opendoen. Alle

woede, die hij dan moet opkroppen, lucht hij tegenover zijn

manschappen. Wij noemen hem in het regiment den menschenbeul.”

„Dank je wel”, sprak de Groote Onbekende groetend en begaf zich met

Charly Brand naar den Tower.

Het stond hem tegen, nog langer toeschouwer te zijn van dit brutale

optreden.

Zwijgend liepen zij de hofpleinen over en Charly Brand hoorde, hoe zijn

vrind meerdere malen mompelde:

„Hamilton Road 16.”

Hij scheen een plan te maken.

Toen zij na eenigen tijd den Tower verlieten, keerden de soldaten naar

de kazernes terug.

In breede rijen vulden zij de straat en ook nu liepen de officieren op

het trottoir.

Dit trottoir was op de brug zoo smal, dat slechts twee personen elkaar

konden passeeren.

Juist toen John Raffles de brug betrad, kwam van de andere zijde de

bovenbedoelde kapitein met zijn compagnie aan.

„Om ’s hemels wil, bega geen domheden”, verzocht Charly Brand, die

vermoedde, dat Raffles een plan smeedde tegen den kapitein.

En hij had zich niet vergist.

Lord Lister greep plotseling den arm van zijn vriend en hield dien zoo

stevig vast, dat hij niet kon uitwijken.

Charly Brand liep aan de zijde, waar de kapitein naast zijn manschappen

liep.

Deze verwachtte, dat de ander voor hem zou uitwijken, maar dit was niet

zoo!

Charly Brand, die vergeefsche moeite deed om de door Raffles bedoelde

botsing met den kapitein te vermijden, werd als een bal zoo ruw tegen

den officier gestooten, dat deze met een vloek op zij tuimelde en zijn

stok ophief om ermee te slaan.

Op hetzelfde oogenblik had Lord Lister zijn vriend losgelaten en een

korte Engelsche vloek kwam van zijn lippen.

Hij weerde den stok met een handige beweging van den linkerarm af,

zoodat de slag doelloos neerkwam, rukte den kapitein bliksemsnel het

folterwerktuig uit de hand, voordat deze het kon verhinderen en gaf hem

er een flinken klap mee in het gezicht.

Geen enkele der soldaten maakte een beweging om den chef te verdedigen.

John Raffles had dit voorzien. Dit voorval was voor de brave kerels een

prettige gebeurtenis! Er was niemand onder hen, die den kapitein niet

van ganscher harte een flink pak slaag gunde.

Voordat de kapitein iets had kunnen zeggen, waren beide vrienden met

gezwinden pas over de brug verdwenen en buiten het bereik van de

Iersche gard.

Zonder aarzelen namen zij in een daar wachtende cab plaats.

„Rijd zoo gauw mogelijk naar Hyde Park!” riep John Raffles den koetsier

toe.

Deze gaf het paard een slag met de zweep en juist op het oogenblik,

toen de kapitein met een der soldaten aan kwam hollen, verdween het

rijtuig om den hoek van den Tower.

„Een mooi souvenir!” sprak de Groote Onbekende, terwijl hij den stok

door de lucht zwaaide.

„Mijn museum wordt weer een interessant stuk rijker. Ik hoop, dien

menschenbeul vandaag nog een betere les te geven”.

„Wat ben je van plan?” vroeg Charly Brand.

„Ik zal hem een nachtelijk bezoek brengen”, antwoordde Raffles lachend,

„inspecteur van politie Baxter zal werk krijgen!”

Lord Lister No. 0045: Het gestolen dienstmeisje · 第 4 / 21 题