XXXII.

Lewin ging met groote passen zijn weg, beheerscht door een geheel

nieuwe gewaarwording; de woorden van den boer waren in zijn ziel

gevallen als een electrieke vonk en de onzekere, duistere denkbeelden,

die hem eigen waren geweest, schenen te wijken en plaats te maken

voor gevoelens, die zijn hart vervulden met blijdschap.

"Niet leven voor zich zelf, maar voor God! ... Welke God? Is het

niet onzinnig te beweren, dat wij niet voor ons zelf, d.i. voor

't geen ons behaagt en aantrekt, moeten leven, maar voor God, dien

niemand kan begrijpen of verklaren? ... Evenwel heb ik deze onzinnige

woorden begrepen, ik heb niet getwijfeld aan hun waarheid ... ik heb

er dezelfde beteekenis aan gehecht als die boer en ik heb misschien

nooit iets zoo goed begrepen.

"Fedor beweert, dat Mitionik leeft voor zijn buik, ik weet dat het waar

is; wij redelijke wezens leven bijna allen zoo. Maar Fedor zegt ook,

dat men moet leven voor God volgens de waarheid, en ik begrijp dit

even goed.... Ik en millioenen menschen, rijk en arm, ontwikkeld en

eenvoudig, in het verledene en het tegenwoordige, wij stemmen overeen,

dat men moet leven voor God en de waarheid, d.i. voor het goede.

"Niet het ontledend verstand, niet de philosophie, maar het gemoed

zegt ons, dat het zoo zijn moet.

"Zou ik daarin werkelijk de oplossing van mijn twijfelingen hebben

ontdekt en nabij hebben gevonden, wat ik in de verte zocht?"

Lewin vervolgde zijn weg, ongevoelig voor warmte en vermoeienis, maar

overstelpt door zijn gewaarwordingen, en in de behoefte om rustig

na te denken, verliet hij den weg en ging het bosch in, waar hij

zich onder de dichte schaduw van een boom op het gras nedervleide,

en zette toen zijn overpeinzingen voort.

"Ik moet mijn indrukken verzamelen....

"Ik geloofde vroeger, dat in mijn lichaam, evenals in dat van het

insect, een ontwikkeling der stof werkte volgens sommige physische,

chemische en physiologische wetten: eene onophoudelijke werking en

worsteling, die zich tot alle uitstrekt: tot de boomen, de wolken,

den nevel.... Maar waar liep dat streven op uit? Was de worsteling

met het oneindige mogelijk?... En ik verwonderde mij langs dezen

weg, in weerwil van de uiterste pogingen, niets te vinden, dat mij

opheldering gaf omtrent de beteekenis van het leven, van de aandrift,

van het verlangen, dat ons bezielt.... Dit hoogere zintuig is evenwel

zoo levendig en helder in mijn binnenste, dat het de grond van mijn

wezen uitmaakt; en toen Fedor mij zeide: 'Leven voor God en voor zijn

ziel,' heb ik mij evenzeer verblijd als verwonderd hem het vraagstuk

zoo eenvoudig te hooren oplossen.

"Ik heb niets ontdekt, ik wist het al...; ik heb eenvoudig de

kracht erkend, die mij eens het leven heeft geschonken en het mij nu

wedergeeft. Ik gevoel mij bevrijd van twijfel en verwarring.... Ik

zie mijn Meester!..."

Hij herinnerde zich den loop zijner gedachten sedert den dag dat bij

het zien van den stervenden broeder het denkbeeld van den dood hem

diep had getroffen. Toen was het, dat hij duidelijk begreep, dat de

mensch, als hij geen ander uitzicht heeft als lijden, dood en eeuwige

vernietiging, er toe komen moet, onder de gedachte aan zelfmoord, het

probleem van ons bestaan te verklaren op eene wijze, die er slechts

de wreede ironie van een kwaadwillig wezen in kan zien. Maar zonder

er in te slagen iets te verklaren, had hij zich toch niet gedood; hij

was gehuwd, hij had nieuwe blijdschap gekend, die hem gelukkig maakte,

als zij niet gekruist werd door zijn verwarde en donkere gedachten.

Wat bewees deze inconsequentie? Zijn leven was toch nog beter geweest

dan zijn leer. Zonder het te weten was hij staande gehouden door

die waarheden des geloofs, die hij met de moedermelk had ingezogen,

hoewel zijn verstand ze miskende. Nu begreep hij, hoeveel hij er aan

te danken had....

"Wat zou ik geweest zijn, als ik niet had geweten, dat ik voor God

moest leven en niet voor de voldoening mijner behoeften? Ik zou hebben

gelogen, gestolen, gemoord.... Geen der edele genoegens, die het leven

mij geeft, zou voor mij hebben bestaan.... Ik was zoekende naar een

oplossing, die wijsgeerige bespiegeling niet kon geven, en ook slechts

het gemoed en het leven zelf gaven mij een antwoord. En deze kennis

heb ik niet veroverd, zij is mij gegeven gelijk al het overige. Zou

de bespiegeling mij ooit hebben aangetoond, dat ik mijn naaste moet

liefhebben in plaats van hem te verworgen? Toen men het mij evenwel

onderwees in mijn jeugd, geloofde ik het gemakkelijk en dit is de

reden, dat ik het steeds wist. Het bewijs, dat het onderricht der

rede levert, is de strijd om het bestaan, de wet, die eischt, dat

elke hinderpaal, die de voldoening onzer begeerten in den weg staat,

wordt verbrijzeld; de zelfzuchtige verwoesting is logisch,--terwijl

het volstrekt niet met de gevolgtrekking der koude redeneering strookt

zijn naaste lief te hebben. O hoogmoed en dwaasheid," dacht hij,

"gevolg van de sluwheid en doortraptheid der koude redeneering van

het verstand!..."

Anna Karenina(#13214) · 第 190 / 196 题