Lewin ging met groote passen zijn weg, beheerscht door een geheel
nieuwe gewaarwording; de woorden van den boer waren in zijn ziel
gevallen als een electrieke vonk en de onzekere, duistere denkbeelden,
die hem eigen waren geweest, schenen te wijken en plaats te maken
voor gevoelens, die zijn hart vervulden met blijdschap.
"Niet leven voor zich zelf, maar voor God! ... Welke God? Is het
niet onzinnig te beweren, dat wij niet voor ons zelf, d.i. voor
't geen ons behaagt en aantrekt, moeten leven, maar voor God, dien
niemand kan begrijpen of verklaren? ... Evenwel heb ik deze onzinnige
woorden begrepen, ik heb niet getwijfeld aan hun waarheid ... ik heb
er dezelfde beteekenis aan gehecht als die boer en ik heb misschien
nooit iets zoo goed begrepen.
"Fedor beweert, dat Mitionik leeft voor zijn buik, ik weet dat het waar
is; wij redelijke wezens leven bijna allen zoo. Maar Fedor zegt ook,
dat men moet leven voor God volgens de waarheid, en ik begrijp dit
even goed.... Ik en millioenen menschen, rijk en arm, ontwikkeld en
eenvoudig, in het verledene en het tegenwoordige, wij stemmen overeen,
dat men moet leven voor God en de waarheid, d.i. voor het goede.
"Niet het ontledend verstand, niet de philosophie, maar het gemoed
zegt ons, dat het zoo zijn moet.
"Zou ik daarin werkelijk de oplossing van mijn twijfelingen hebben
ontdekt en nabij hebben gevonden, wat ik in de verte zocht?"
Lewin vervolgde zijn weg, ongevoelig voor warmte en vermoeienis, maar
overstelpt door zijn gewaarwordingen, en in de behoefte om rustig
na te denken, verliet hij den weg en ging het bosch in, waar hij
zich onder de dichte schaduw van een boom op het gras nedervleide,
en zette toen zijn overpeinzingen voort.
"Ik moet mijn indrukken verzamelen....
"Ik geloofde vroeger, dat in mijn lichaam, evenals in dat van het
insect, een ontwikkeling der stof werkte volgens sommige physische,
chemische en physiologische wetten: eene onophoudelijke werking en
worsteling, die zich tot alle uitstrekt: tot de boomen, de wolken,
den nevel.... Maar waar liep dat streven op uit? Was de worsteling
met het oneindige mogelijk?... En ik verwonderde mij langs dezen
weg, in weerwil van de uiterste pogingen, niets te vinden, dat mij
opheldering gaf omtrent de beteekenis van het leven, van de aandrift,
van het verlangen, dat ons bezielt.... Dit hoogere zintuig is evenwel
zoo levendig en helder in mijn binnenste, dat het de grond van mijn
wezen uitmaakt; en toen Fedor mij zeide: 'Leven voor God en voor zijn
ziel,' heb ik mij evenzeer verblijd als verwonderd hem het vraagstuk
zoo eenvoudig te hooren oplossen.
"Ik heb niets ontdekt, ik wist het al...; ik heb eenvoudig de
kracht erkend, die mij eens het leven heeft geschonken en het mij nu
wedergeeft. Ik gevoel mij bevrijd van twijfel en verwarring.... Ik
zie mijn Meester!..."
Hij herinnerde zich den loop zijner gedachten sedert den dag dat bij
het zien van den stervenden broeder het denkbeeld van den dood hem
diep had getroffen. Toen was het, dat hij duidelijk begreep, dat de
mensch, als hij geen ander uitzicht heeft als lijden, dood en eeuwige
vernietiging, er toe komen moet, onder de gedachte aan zelfmoord, het
probleem van ons bestaan te verklaren op eene wijze, die er slechts
de wreede ironie van een kwaadwillig wezen in kan zien. Maar zonder
er in te slagen iets te verklaren, had hij zich toch niet gedood; hij
was gehuwd, hij had nieuwe blijdschap gekend, die hem gelukkig maakte,
als zij niet gekruist werd door zijn verwarde en donkere gedachten.
Wat bewees deze inconsequentie? Zijn leven was toch nog beter geweest
dan zijn leer. Zonder het te weten was hij staande gehouden door
die waarheden des geloofs, die hij met de moedermelk had ingezogen,
hoewel zijn verstand ze miskende. Nu begreep hij, hoeveel hij er aan
te danken had....
"Wat zou ik geweest zijn, als ik niet had geweten, dat ik voor God
moest leven en niet voor de voldoening mijner behoeften? Ik zou hebben
gelogen, gestolen, gemoord.... Geen der edele genoegens, die het leven
mij geeft, zou voor mij hebben bestaan.... Ik was zoekende naar een
oplossing, die wijsgeerige bespiegeling niet kon geven, en ook slechts
het gemoed en het leven zelf gaven mij een antwoord. En deze kennis
heb ik niet veroverd, zij is mij gegeven gelijk al het overige. Zou
de bespiegeling mij ooit hebben aangetoond, dat ik mijn naaste moet
liefhebben in plaats van hem te verworgen? Toen men het mij evenwel
onderwees in mijn jeugd, geloofde ik het gemakkelijk en dit is de
reden, dat ik het steeds wist. Het bewijs, dat het onderricht der
rede levert, is de strijd om het bestaan, de wet, die eischt, dat
elke hinderpaal, die de voldoening onzer begeerten in den weg staat,
wordt verbrijzeld; de zelfzuchtige verwoesting is logisch,--terwijl
het volstrekt niet met de gevolgtrekking der koude redeneering strookt
zijn naaste lief te hebben. O hoogmoed en dwaasheid," dacht hij,
"gevolg van de sluwheid en doortraptheid der koude redeneering van
het verstand!..."