"Nu? wat heb ik je gezegd?" vroeg Stipan Arkadiewitsch aan Lewin,
toen zij in de koudo winterlucht naar buiten traden en hij zag,
dat zijn vriend volkomen overwonnen was.
"Ja," antwoordde Lewin nadenkend: "Een buitengewone vrouw; niet alleen
verstandig, maar ook zoo oprecht. Maar haar positie moet toch moeielijk
zijn. Ik heb innig medelijden met haar."
"Wij hopen, dat nu spoedig alles beslist zal worden. Weet je,
men mag niet alles vooraf beoordeelen," zeide Stiwa het portier
openend. "Adieu! onze wegen gaan hier uit elkander."
Zonder op te houden aan Anna te denken, zich in haar toestand te
verplaatsen en medelijden met haar te gevoelen, kwam Lewin te huis.
Hij vond zijn vrouw zeer mismoedig en door verveling gekweld. Nog
des middags had zij in de beste luim met haar beide zusters gegeten,
maar daarna hadden zij hem gewacht en zij wachtten tot het hen allen
verveelde en de zusters reden weg en zij bleef alleen.
"Nu? Hoe heb je je tijd besteed?" vroeg zij, hem in de eerste plaats
in de oogen ziende, die zoo verdacht schitterden. Om hem evenwel niet
te beletten alles te biechten, verborg zij haar spanning en hoorde
met een goedkeurend gelaat zijn mededeeling aan, hoe hij dien avond
had doorgebracht.
"Nu, ik verheugde mij zeer over deze ontmoeting met Wronsky. Wij
waren zeer eenvoudig en ongegeneerd met elkander. Weet je, nu die
onaangename verhouding niet meer bestaat, zal ik een ontmoeting met
hem niet meer zoeken...." Maar terwijl hij dit zeide, viel het hem
in, dat, hoewel hij _hem_ niet weder wenschte te ontmoeten, hij toch
terstond naar Anna gegaan was, en hij bloosde: "Wij zeggen altijd, dat
het volk drinkt; ik weet niet, wie meer drinkt, het volk of wij? Het
volk bedrinkt zich ten minste slechts op feestdagen, maar wij ..."
Maar voor Kitty was deze redeneering, hoe het volk drinkt, niet
interessant. Zij had gezien, dat hij bloosde en zij wilde weten waarom.
"Waar ben je dan later geweest?"
"Stiwa haalde mij over met hem Anna Arkadiewna te bezoeken...." En
terwijl hij dit zeide, bloosde hij nog meer, en zijn twijfel, of
hij er goed aan gedaan had of niet, was nu opgelost. Hij wist nu,
dat hij het niet had moeten doen.
Kitty's oogen openden zich wijd en flikkerden bij Anna's naam. Maar
zij beheerschte zich, verborg haar opwinding en misleidde hem.
"Zoo!" zeide zij slechts.
"Ge zijt toch niet boos, dat ik er heengegaan ben? Stiwa wilde het
zoo graag en Dolly ook ..."
"O neen," zeide zij, maar in haar oogen bespeurde hij een terughouding,
die hem niets goeds voorspelde.
"Zij is een zeer nette en zeer betreurenswaardige, uitstekende
vrouw." zeide hij en begon van Anna, van haar bezigheden en van
hetgeen zij Kitty liet zeggen te vertellen.
"Ja, wél is zij betreurenswaardig," zeide Kitty, toen hij geëindigd
had.
Hij vertrouwde op haar kalmen toon en ging naar zijn kabinet om zich
te ontkleeden.
Toen hij terugkwam, zat Kitty nog op denzelfden stoel. Zij zat daar
onbewegelijk en toen hij naar haar toe trad, barstte zij plotseling
in snikken uit.
"Wat? Wat?" vroeg hij, maar wist reeds vooruit wat.
"Ge zijt op deze afschuwelijke vrouw verliefd geworden. Zij heeft je
betooverd! Ik zie het aan je oogen. Ja, ja! en wat kan daarvan nog
worden! In de club heb je gedronken, gespeeld en zijt toen heengereden
... naar wie? Neen! Wij moeten van hier ... Ik ga morgen op reis ..."
Lang vermocht Lewin niet zijn vrouw te kalmeeren. Eindelijk gelukte
het hem door te bekennen, dat het gevoel van medelijden en de gedronken
wijn hem verward hadden en dat hij een slachtoffer geworden was van de
sluwe berekening van Anna en dat hij haar voortaan wilde vermijden;
maar het oprechtst gemeende in zijn bekentenis was, dat hij zich zoo
geheel had laten meeslepen, omdat hij zoo lang in Moskou geleefd had
zonder andere bezigheid dan praten, eten en drinken.
Zij spraken nog den halven nacht door. Eerst tegen drie uur hadden
zij zich in zoover met elkander verzoend, dat zij konden inslapen.