Oblonky's wagen kwam voor en hij steeg er met Lewin in.
"Wat doet het mij genoegen, dat je haar nu leert kennen. Gij weet,
dat Dolly het altijd gewenscht heeft, en hoewel zij mijn zuster is,
mag ik toch wel beweren, dat zij een buitengewone vrouw is. Enfin,
je zult haar zien. Haar positie is zeer moeielijk, vooral nu."
"Waarom dan juist nu?"
"Wegens vroegere onderhandelingen met haar man betreffende de
scheiding. Hij was volkomen bereid, maar nu rijzen er eenige bezwaren
wegens den zoon, en deze aangelegenheid is nu al drie maanden op
de lange baan gebleven. Als het tot de scheiding komt, trouwt zij
dadelijk met Wronsky."
"Wat zijn er dan nog voor bezwaren?" vroeg Lewin.
"Och, dat is een lange en vervelende geschiedenis! Bij ons is immers
alles zoo onbestemd. Maar het is er nu zoo mee gelegen: in afwachting
van de scheiding woont zij nu reeds drie maanden hier in Moskou,
gaat nergens heen, ontvangt behalve Dolly geen dame, want je zult
begrijpen, dat zij geen bezoeken uit genade wenscht; dan is ze nu ook
gebrouilleerd met die dame vorstin Warwara. Een andere vrouw zou in
haar positie niet weten wat aan te vangen. Maar zij--nu, je zult eens
zien, hoe zij haar leven heeft weten in te richten; hoe kalm en waardig
zij zich houdt.--Hier links in de zijstraat, tegenover de kerk!" riep
hij uit het portier. "Poeh! hoe warm!" zuchtte hij en sloeg zijn reeds
eerder opgeslagen pels ondanks de twaalf graden koude nog verder open.
"Zij heeft immers ook een dochtertje. Daarmede houdt zij zich zeker
veel bezig?" vroeg Lewin.
"Het schijnt, dat ge u een vrouw slechts als een soort wijfje, une
couveuse, voorstelt," zeide Stiwa. "Als zij bezig is, dan moet dit
altijd met kinderen zijn. Ik geloof, dat zij ze uitstekend opvoedt,
maar men hoort daar nooit iets van. Haar bezigheid bestaat vooreerst
in schrijven--neen, ik zie dat gij ironisch lacht--maar dat is
onrecht--zij schrijft een kinderboek, maar spreekt er met niemand over;
zij heeft het mij alleen eens voorgelezen en ik heb het manuscript
aan Workuw gegeven ... weet je, den uitgever. En ik geloof, dat _hij_
ook zoo'n beetje schrijft. Maar je meent misschien, dat zij zoo'n
soort blauwkous is? In het minst niet! Zij is in de eerste plaats
een vrouw van gemoed, en je zult bij haar nog een kleine Engelsche
en een geheele familie vinden, waarvoor zij zorgt."
"Dus zoo'n beetje philantropie?"
"Je wilt in alles iets slechts zien. Geen philantropie, maar het
komt uit het hart. Zie, als ik wel heb, had Wronsky een pikeur, een
Engelschman, die een meester in zijn vak, maar helaas een dronkaard
was. Hij was op het laatst zoo verdronken, dat hij delirium tremens
kreeg en zijn familie in den steek liet. Zij zag die armen, hielp hen,
interesseerde zich voor hen en heeft nu de geheele familie tot zich
genomen; en zij behandelt ze niet uit de hoogte en helpt ze slechts
met geld, neen, zij maakt de jongens zelf voor het gymnasium klaar
en het kleine meisje heeft zij geheel tot zich genomen. Enfin, je
zult het zelf zien."
De wagen reed het plein op. Stipan Arkadiewitsch schelde luid aan de
inrijpoort, waar reeds een slede stond. Zonder den portier te vragen,
of Anna thuis was, trad hij, gevolgd door Lewin, die er hoe langer hoe
meer aan begon te twijfelen, of hij wel goed handelde, de voorkamer
der rijk gemeubileerde woning binnen.
Lewin beschouwde zich hier in den spiegel; hij vond, dat hij er wel
rood uitzag, maar was overtuigd, dat hij volstrekt niet te veel
gedronken had. Hij ging dus achter Oblonsky aan de met tapijten
belegde trap op. Boven gekomen informeerde Oblonsky bij den bediende,
welke bezoekers er bij Anna Arkadiewna waren, en kreeg tot antwoord:
"De heer Workuw."
"Waar zijn zij?"
"In het kabinet."
Zij gingen door de kleine eetkamer met donkere houten wanden,
toen naderden zij over mollige tapijten het halfdonkere kabinet,
dat door een met een donker scherm bedekte lamp verlicht werd. Een
tweede lamp, een refractor, brandde aan den wand en verlichtte het
levensgroote portret eener dame, dat onwillekeurig Lewins aandacht
tot zich trok. Het was het portret van Anna, dat in Italië vervaardigd
was. Oblonsky was reeds achter het traliewerk der klimplanten getreden,
terwijl Lewin geheel verdiept was in de aanschouwing van het beeld
en daarbij geheel vergat, waar hij was, en ook niet wist, wat in zijn
onmiddellijke nabijheid gesproken werd.
Dat was geen beeltenis, dat was een levende vrouw met zwart, krullend
haar, naakte schouders en armen, met een peinzenden glimlach op de
met een zacht dons bedekte lippen, die hem teeder en van haar zege
bewust met de betooverende oogen aankeek. Slechts daarom kon zij niet
levend zijn, omdat zij schooner was, dan een levend wezen zijn kon.
"Het doet mij veel genoegen," zeide een tot hem gerichte damesstem,
de stem derzelfde vrouw, wier beeltenis hij verrukt aanstaarde. Anna
was van achter de schutting van klimplanten te voorschijn getreden,
en in het halfdonker van het kabinet herkende Lewin dezelfde vrouw,
maar in een donkerblauw kleed, in een andere houding en met veranderde
gelaatsuitdrukking, maar toch met dezelfde schoonheid, waarmede de
kunstenaar haar geschilderd had, minder schitterend, maar daarvoor
werkelijk levend.