II.

"Doe mij dus het genoegen eens een bezoek bij de Bohls te brengen,"

sprak Kitty tot haar man, toen hij tegen elf uur, voor hij uitging,

bij haar binnentrad. "Ik weet reeds, dat gij vanmiddag in de sociëteit

zult blijven, papa heeft voor u mede onderteekend. Maar wat wil je

den geheelen middag aanvangen?"

"In de eerste plaats wil ik Katawassow bezoeken; hij heeft mij beloofd,

mij met Matrosch, den beroemden geleerde, bekend te maken."

"En daarna?"

"Dan zal ik wel wegens de aangelegenheid mijner zuster naar de

rechtbank moeten."

"Ga je ook naar het concert?" vroeg zij.

"Misschien, maar in allen geval kijk ik na het diner nog eens even

bij je in," antwoordde hij naar de klok ziende.

"Trek je zwarte rok aan, dan kun je terstond naar gravin Bohl rijden."

"Is dat dan noodig?"

"Zeer zeker. Hij is ook bij ons geweest. Wat geef je daar nu om? Weet

je, je gaat zitten, spreekt eenige minuten over het weer, staat dan

weer op en rijdt weg."

"Maar je kunt niet gelooven, hoe ik daar afgewend ben, zoodat ik mij

bepaald geneer. Waartoe dient het ook. Daar komt een vreemd mensch,

hij gaat zitten en zit daar, zonder dat hij iets bizonders te doen

heeft, hij stoort een ander slechts, windt zich zelf op en gaat dan

weer heen!"

Kitty lachte.

"Als ongetrouwd heer heb je toch wel visites gemaakt," zeide zij.

"Ja, maar dan schaamde ik mij ook altijd en nu ben ik er geheel

afgewend; waarachtig, ik zou mij liever laten slaan, als het maar

niemand zag, dan zulke visites maken. Het komt mij altijd voor, alsof

zij het mij kwalijk moeten nemen en mij vragen: Wat wil je hier bij

ons, zonder dat je er iets te doen hebt?"

"Neen, zij zullen het je niet kwalijk nemen, daarvoor sta ik je in,"

antwoordde Kitty lachend. "Maar, Kostja, weet je, ik heb nog slechts

vijftig roebel."

"Dan moet ik nog iets van de bank halen. Hoeveel?" vroeg hij met een

gebaar van ontevredenheid, dat zij kende.

"Neen, wacht eens. Wij zullen daarover spreken. Dat verontrust mij. Ik

bedoel, ik geef niets onnoodigs uit, maar het geld glijdt iemand zoo

door de vingers. In het een of ander leggen wij het verkeerd aan."

Hij was inderdaad ontevreden, maar minder omdat er te veel geld

gebruikt was, dan wel omdat hij aan datgene herinnerd werd, wat hij

bijna had vergeten.

"Ik heb Solokom gelast de tarwe te verkoopen en de pacht voor den molen

vooruit te innen. Aan geld zal 't ons in allen geval niet ontbreken."

"Neen, waarlijk! Het spijt mij soms, dat ik naar mama geluisterd

heb. Hoe goed zou het voor ons op het land geweest zijn! Hier kwel

ik u allen slechts en het geld wordt verkwist...."

"Volstrekt niet, volstrekt niet! Zoo lang ik getrouwd ben, heb ik

geen tijd gehad, waarvan ik kon zeggen, dat hij beter geweest is dan

de tegenwoordige."

"Waarlijk?" vroeg zij hem in de oogen ziende. Hij had dit maar

zoo losweg gezegd om haar gerust te stellen. Maar toen hij nu deze

oprechte, lieve oogen zag, die zoo vragend op hem gericht waren,

herhaalde hij het uit het diepst van zijn ziel.

Slechts in den eersten tijd in Moskou hadden de voor een landman zoo

onproductieve en toch onvermijdelijke uitgaven, waartoe hij zich van

alle kanten genoodzaakt zag, een zekeren indruk op Lewin gemaakt. Maar

nu had hij er zich reeds aan gewend. Het ging hem als de dronkaards,

waarvan men zegt, dat het eerste glas hun toeschijnt als een paal,

het tweede als een duif en het derde als een klein vogeltje. Toen

Lewin de eerste banknoot van honderd roebel voor de nieuwe livreien

van den bediende en den koetsier had moeten wisselen, berekende hij

geheel onwillekeurig, dat het volkomen nuttelooze livreien waren,

maar onvermijdelijk volgens de begrippen van Kitty en haar moeder,

die zich in den hoogsten graad verwonderden over de opmerking, dat men

er ook zonder livreien kon komen en dat deze ongeveer zooveel kostten

als het loon van driehonderd dagen zwaren arbeid van den morgen tot

den avond; deze eerste banknoot van honderd roebel slikte hij als een

langen paal. Maar reeds de volgende, die hij voor een familiediner,

dat achtentwintig roebel had gekost, had moeten laten wisselen,

verdween toch reeds gemakkelijker dan een duif, hoewel hij daarbij de

gedachten niet kon weren, dat achtentwintig roebel evenveel was als

negen tschetwert haver, die onder zweet en zuchten gezaaid, gemaaid,

gedorscht en opgeborgen werden. Maar de later gewisselde banknoten

riepen volstrekt niet meer zulke gedachten bij hem te voorschijn,

maar verdwenen als kleine vogeltjes. Of het voor dit geld gekochte

genoegen een even groot gewin was, als de arbeid had kunnen schenken,

die er verricht zou moeten worden om het te verdienen, was voor hem een

reeds lang overwonnen bedenking geworden. Ook zijn landhuishoudkundig

principe, zijn koren nooit onder den prijs te verkoopen, was reeds door

hem vergeten. Slechts dit ééne noodige stond nog op den voorgrond,

dat hij steeds genoeg geld in de bank had staan om er morgen vleesch

voor te kunnen koopen; en dit geld raakte nu op, en hij wist niet

recht, waar hij ander vandaan zou halen. Daarom was hij zoo wrevelig

geworden, toen Kitty van geld was beginnen te spreken; maar nu had

hij geen tijd om daarover na te denken.

Anna Karenina(#13214) · 第 160 / 196 题