"Doe mij dus het genoegen eens een bezoek bij de Bohls te brengen,"
sprak Kitty tot haar man, toen hij tegen elf uur, voor hij uitging,
bij haar binnentrad. "Ik weet reeds, dat gij vanmiddag in de sociëteit
zult blijven, papa heeft voor u mede onderteekend. Maar wat wil je
den geheelen middag aanvangen?"
"In de eerste plaats wil ik Katawassow bezoeken; hij heeft mij beloofd,
mij met Matrosch, den beroemden geleerde, bekend te maken."
"En daarna?"
"Dan zal ik wel wegens de aangelegenheid mijner zuster naar de
rechtbank moeten."
"Ga je ook naar het concert?" vroeg zij.
"Misschien, maar in allen geval kijk ik na het diner nog eens even
bij je in," antwoordde hij naar de klok ziende.
"Trek je zwarte rok aan, dan kun je terstond naar gravin Bohl rijden."
"Is dat dan noodig?"
"Zeer zeker. Hij is ook bij ons geweest. Wat geef je daar nu om? Weet
je, je gaat zitten, spreekt eenige minuten over het weer, staat dan
weer op en rijdt weg."
"Maar je kunt niet gelooven, hoe ik daar afgewend ben, zoodat ik mij
bepaald geneer. Waartoe dient het ook. Daar komt een vreemd mensch,
hij gaat zitten en zit daar, zonder dat hij iets bizonders te doen
heeft, hij stoort een ander slechts, windt zich zelf op en gaat dan
weer heen!"
Kitty lachte.
"Als ongetrouwd heer heb je toch wel visites gemaakt," zeide zij.
"Ja, maar dan schaamde ik mij ook altijd en nu ben ik er geheel
afgewend; waarachtig, ik zou mij liever laten slaan, als het maar
niemand zag, dan zulke visites maken. Het komt mij altijd voor, alsof
zij het mij kwalijk moeten nemen en mij vragen: Wat wil je hier bij
ons, zonder dat je er iets te doen hebt?"
"Neen, zij zullen het je niet kwalijk nemen, daarvoor sta ik je in,"
antwoordde Kitty lachend. "Maar, Kostja, weet je, ik heb nog slechts
vijftig roebel."
"Dan moet ik nog iets van de bank halen. Hoeveel?" vroeg hij met een
gebaar van ontevredenheid, dat zij kende.
"Neen, wacht eens. Wij zullen daarover spreken. Dat verontrust mij. Ik
bedoel, ik geef niets onnoodigs uit, maar het geld glijdt iemand zoo
door de vingers. In het een of ander leggen wij het verkeerd aan."
Hij was inderdaad ontevreden, maar minder omdat er te veel geld
gebruikt was, dan wel omdat hij aan datgene herinnerd werd, wat hij
bijna had vergeten.
"Ik heb Solokom gelast de tarwe te verkoopen en de pacht voor den molen
vooruit te innen. Aan geld zal 't ons in allen geval niet ontbreken."
"Neen, waarlijk! Het spijt mij soms, dat ik naar mama geluisterd
heb. Hoe goed zou het voor ons op het land geweest zijn! Hier kwel
ik u allen slechts en het geld wordt verkwist...."
"Volstrekt niet, volstrekt niet! Zoo lang ik getrouwd ben, heb ik
geen tijd gehad, waarvan ik kon zeggen, dat hij beter geweest is dan
de tegenwoordige."
"Waarlijk?" vroeg zij hem in de oogen ziende. Hij had dit maar
zoo losweg gezegd om haar gerust te stellen. Maar toen hij nu deze
oprechte, lieve oogen zag, die zoo vragend op hem gericht waren,
herhaalde hij het uit het diepst van zijn ziel.
Slechts in den eersten tijd in Moskou hadden de voor een landman zoo
onproductieve en toch onvermijdelijke uitgaven, waartoe hij zich van
alle kanten genoodzaakt zag, een zekeren indruk op Lewin gemaakt. Maar
nu had hij er zich reeds aan gewend. Het ging hem als de dronkaards,
waarvan men zegt, dat het eerste glas hun toeschijnt als een paal,
het tweede als een duif en het derde als een klein vogeltje. Toen
Lewin de eerste banknoot van honderd roebel voor de nieuwe livreien
van den bediende en den koetsier had moeten wisselen, berekende hij
geheel onwillekeurig, dat het volkomen nuttelooze livreien waren,
maar onvermijdelijk volgens de begrippen van Kitty en haar moeder,
die zich in den hoogsten graad verwonderden over de opmerking, dat men
er ook zonder livreien kon komen en dat deze ongeveer zooveel kostten
als het loon van driehonderd dagen zwaren arbeid van den morgen tot
den avond; deze eerste banknoot van honderd roebel slikte hij als een
langen paal. Maar reeds de volgende, die hij voor een familiediner,
dat achtentwintig roebel had gekost, had moeten laten wisselen,
verdween toch reeds gemakkelijker dan een duif, hoewel hij daarbij de
gedachten niet kon weren, dat achtentwintig roebel evenveel was als
negen tschetwert haver, die onder zweet en zuchten gezaaid, gemaaid,
gedorscht en opgeborgen werden. Maar de later gewisselde banknoten
riepen volstrekt niet meer zulke gedachten bij hem te voorschijn,
maar verdwenen als kleine vogeltjes. Of het voor dit geld gekochte
genoegen een even groot gewin was, als de arbeid had kunnen schenken,
die er verricht zou moeten worden om het te verdienen, was voor hem een
reeds lang overwonnen bedenking geworden. Ook zijn landhuishoudkundig
principe, zijn koren nooit onder den prijs te verkoopen, was reeds door
hem vergeten. Slechts dit ééne noodige stond nog op den voorgrond,
dat hij steeds genoeg geld in de bank had staan om er morgen vleesch
voor te kunnen koopen; en dit geld raakte nu op, en hij wist niet
recht, waar hij ander vandaan zou halen. Daarom was hij zoo wrevelig
geworden, toen Kitty van geld was beginnen te spreken; maar nu had
hij geen tijd om daarover na te denken.