XXXIX.

"Nu, hoe is het, Kapitonitsch?" vroeg Serëscha, die juist van een

wandeling terug kwam, met blozende wangen en vergenoegd tot den portier

opziende, terwijl hij zijn overjasje den langen man toereikte, die

met een vriendelijken lach op den kleinen man nederzag. "Is de beambte

met den verbonden arm er weer geweest? Heeft papa hem ontvangen?"

"Ja, hij heeft hem ontvangen. Toen de kanselarijchef heenging, heb

ik hem dadelijk aangediend," antwoordde de portier, terwijl hij den

jas aannam.

"Serëscha!" riep de huisonderwijzer, die in de deur was blijven staan,

"help u zelf!"

Maar Serëscha, ofschoon hij de zwakke stem van zijn gouverneur wel

gehoord had, stoorde zich daaraan niet. Hij bleef voor den portier

staan, hield zich met eene hand aan diens bandelier vast en keek hem

in het gezicht.

"Nu, en heeft papa iets voor hem gedaan?"

De portier knikte bevestigend.

Serëscha en de portier stelden veel belang in den verbonden beambte,

die er al zevenmaal geweest was om Karenin iets te verzoeken. Serëscha

had hem eens in den gang aangetroffen en gehoord, hoe hij den portier

smeekte hem toegang te verschaffen, daar hij anders met zijn kinderen

ellendig moest omkomen. Sedert en vooral nadat hij hem later nog

eenmaal ontmoet had, stelde Serëscha veel belang in hem.

"Was hij heel blijde?" vroeg hij verder.

"Zou hij niet? Hij danste bijna, toen hij heenging."

"Is er al wat voor mij gebracht?" vroeg hij verder.

Het was de dag voor zijn verjaardag.

"Nu, jonge heer," antwoordde de portier fluisterend en schudde het

hoofd: "Iets van de gravin."

"Wat je zegt! Waar?"

"Karnej heeft het aan papa gebracht. Het zal wel wat moois zijn."

"Hoe groot? Zoo?"

"Een beetje kleiner, maar iets moois."

"Een boek?"

"Neen iets anders. Ga nu, ga nu! Wassili Lukitsch roept u!" vermaande

de portier, die de weer terugkeerende schreden van den onderwijzer

hoorde, en terwijl hij behoedzaam de kleine handen van zijn bandelier

losmaakte, wees hij met het hoofd naar Lukitsch.

"Dadelijk, Wassili Lukitsch!" riep Serëscha met den vroolijken,

hartelijken lach, waardoor Wassili Lukitsch steeds overwonnen werd.

Serëscha was te vergenoegd, te gelukkig om zijn vriend, den portier,

niet de algemeene familievreugde mede te deelen, waarmede hem op zijn

wandeling de kleine nicht van gravin Lydia had bekend gemaakt. Het

scheen Serëscha heden een dag te wezen, waarop de geheele wereld

vergenoegd moest zijn.

"Weet je het nieuws al? Papa heeft de Alexander-Newsky gekregen."

"Zou ik dat niet weten? Er zijn er al velen gekomen om te

feliciteeren."

"Zoo? En is papa er blij mede?"

"Zou hij over de genade van den Czaar niet blijde zijn? Hij heeft

het derhalve verdiend," zeide hij ernstig en gestreng.

Serëscha staarde nadenkend in het gelaat van den portier, dat hem tot

in de kleinste bizonderheden bekend was, vooral op zijn onderkin,

die van onder de punten van zijn baard nederhing en die hij maar

alleen kende, daar hij ze altijd van onderen beschouwde.

"Nu, en je dochter, is het al lang, dat ze bij je was?"

Zijn dochter was een balletdanseres.

"Die kan immers niet alle dagen komen! Die moet leeren en krijgt les,

en u moet ook leeren, jonge heer! Ga nu heen."

Toen Serëscha de leerkamer binnentrad, deelde hij in plaats van aan

zijn opgegeven werk te gaan, zijn onderwijzer zijn vermoeden mede

omtrent datgene, wat men hem gebracht had.

"Zou het een machine zijn? Wat dunkt u?" vroeg hij.

Maar Wassili Lukitsch dacht er slechts alleen aan, dat Serëscha zijn

lessen nog niet geleerd had voor den onderwijzer, die om twee uur

komen zou.

"Neen, zeg mij maar een ding, Wassili Lukitsch," vroeg Serëscha

plotseling, toen hij reeds aan de schrijftafel zat en zijn grammatica

in de hand hield: "Is er nog iets beters dan de Alexander-Newsky-orde?"

Wassili Lukitsch antwoordde, dat de Wladimir nog beter was dan de

Alexander-Newsky.

"En welke is dan nog beter?"

"De hoogste is de Andrej Perwoswantjii."

"En nog hooger dan Andrej ...?"

"Dat weet ik niet."

"Wat? weet u dat niet?" En Serëscha leunde met het hoofd op de handen

en verdiepte zich in gedachten. Deze waren zeer bont en verward. Hij

dacht er aan, hoe zijn vader plotseling ook de Wladimir en Andrej kon

bekomen hebben en hoe hij dan dientengevolge heden bij het onderwijs

toegevend zou zijn; hoe hij, als hij groot was, al deze orden zou

bekomen en ook diegene, die nog hooger dan de Andrej was. Men behoefde

er maar aan te denken, dan zou men ze dadelijk verkrijgen. En zij

zouden nog hoogere uitdenken, en ook die zou hij dadelijk verdienen.

Onder zulke gedachten ging de tijd voorbij, en toen de onderwijzer

kwam, was de opgegeven taak nog niet afgemaakt, en de onderwijzer was

niet slechts ontevreden, maar zeer bekommerd. Dit roerde Serëscha;

hij gevoelde zich niet schuldig, omdat hij zijn werk niet afgemaakt

had, want met alle inspanning had hij dit toch niet kunnen doen;

maar het bedroefd uitzicht van den onderwijzer deed hem leed en hij

wilde hem troosten.

Hij koos een oogenblik, dat de onderwijzer zwijgend in zijn boek zag.

"Michael Iwanowitsch, wanneer is u jarig?" vroeg hij onverwacht.

"Je deedt beter de gedachten bij het werk te hebben; buitendien hebben

verjaardagen volstrekt geen beteekenis voor een verstandig wezen. Een

verjaardag is juist een dag als de andere."

Serëscha keek hem opmerkzaam aan, hij zag zijn schralen, kleinen baard,

zijn bril, die op den neus was afgezakt, en verviel zoo in gedachten,

dat hij niets begreep van al wat zijn onderwijzer hem uitlegde. Hij

besefte, dat hij niet zoo gesproken had, als hij werkelijk dacht,

dit bespeurde hij aan den toon, waarop hij gesproken had. "Waarom,"

dacht hij, "hebben zij allen afgesproken altijd op dezelfde manier

het vervelendste en onnoodigste te zeggen? Waarom houdt hij niet van

mij?" vroeg hij treurig zich zelf, en wist daarvoor geen antwoord

te vinden.

Op dezen onderwijzer volgde een uur onderwijs bij zijn vader. Tot deze

kwam, zat Serëscha aan de schooltafel, speelde met zijn pennemes en

dacht aan zijn moeder. Het hoorde tot zijne lievelingsbezigheden op

zijn wandelingen te zoeken naar zijn moeder. Hij geloofde niet aan

haar dood, ofschoon Lydia Iwanowna het hem gezegd en zijn vader het

bevestigd had. Ja, hij zocht haar zelfs tijdens men hem gezegd had,

dat zij gestorven was, reeds dadelijk bij zijn eerste wandeling. Elke

vlugge, gracieuse dame met donker haar hield hij voor zijn moeder. Zag

hij er zulk eene, dan verhief zich in zijn hart een verborgen gevoel

van teederheid en tranen vulden zijn oogen. Hij verwachtte, dat zij

hem dadelijk naderen, haar sluier terugslaan en hem haar gelaat toonen

zoude; zij zou lachen, hem omhelzen, hij zou den welriekenden geur,

die haar omgaf, herkennen, haar zachte handen voelen en weenen van

blijdschap.

Sedert eenigen tijd zocht en verwachtte hij haar als iets

geheimzinnigs, omdat hij eens toevallig van de kindermeid gehoord had,

dat zij niet gestorven was, en dat Lydia Iwanowna en zijn vader hem

dit zoo gezegd hadden, omdat hij haar als dood moest beschouwen, dewijl

zij slecht geweest was, hetwelk hij, omdat hij haar liefhad, volstrekt

niet geloofde. Heden had hij een dame met een lila sluier gezien; zijn

hart had geklopt, en hij verwachtte, dat zij het zou blijken te zijn;

hij volgde haar met de oogen, zoolang zij op het trottoir nader kwam;

maar dicht vóór hem was zij in een zijstraat verdwenen. Heden gevoelde

hij sterker dan ooit een aandrang van liefde en teederheid voor haar,

en geheel daarin verzonken, staarde hij aan haar alleen denkend met

schitterende oogen voor zich uit en versneed met zijn pennemes den

geheelen kant van den bank.

"Papa komt!" waarschuwde Wassili Lukitsch.

Serëscha sprong op, ging zijn vader te gemoet, kuste zijn hand en keek

hem opmerkzaam aan om bij hem de kenteekenen van blijdschap over de

ontvangen orde te ontdekken.

"Nu, was het een aangename wandeling?" vroeg Alexei Alexandrowitsch,

zette zich in zijn stoel en sloeg het boek open. Hoewel hij tot

Serëscha gezegd had, dat ieder Christen de geheele Heilige Schrift

van buiten moest kennen, zag hij zelf toch, wat het Oude Testament

betrof, dikwijls in het boek, en Serëscha had dit zeer goed opgemerkt.

"Ja, papa, wij hebben een mooie wandeling gedaan," antwoordde Serëscha

en ging op den rand van den stoel zitten en begon met dezen heen en

weder te wiegelen, hetgeen hem verboden was. "Ik heb Nadenka gezien

(dit was het nichtje van gravin Lydia Iwanowna). Zij heeft mij verteld,

dat u een nieuwe ster heeft gekregen. Is u daar blij om, papa?"

"Ten eerste, verzoek ik je niet zoo te schommelen," vermaande

Alexei Alexandrowitsch; "en ten tweede moet ons niet de belooning,

maar het werk het meest genoegen geven. Ik wensch, dat gij dat goed

begrijpt. Indien ge slechts wilt werken en leeren om beloond te worden,

dan zal het werk je zwaar vallen, maar als je werken wilt uit liefde

voor het werk, dan zal je de belooning daarvoor niet ontbreken."

Serëscha's oogen, die zooeven nog blonken van teederheid en

blijmoedigheid, verloren hun glans en werden nedergeslagen voor den

blik zijns vaders. Dat was de hem lang bekende toon, waarop deze steeds

tot hem sprak, alsof hij ze tot een jongen der verbeelding richtte,

zooals men ze wel in de boeken vindt en op wie Serëscha toch volstrekt

niet geleek. En Serëscha trachtte in de tegenwoordigheid zijns vaders

dien knaap uit het boek voor te stellen.

"Ik hoop, dat je mij hebt verstaan?"

"Ja, papa," antwoordde Serëscha, ook nu dien knaap der verbeelding

voorstellend.

De les bestond in het vanbuitenleeren van eenige bijbelplaatsen en

in het vertellen der scheppingsgeschiedenis van Mozes. De teksten

kende Serëscha tamelijk goed, maar terwijl hij ze opzegde, viel zijn

oog op het voorhoofdsbeen zijns vaders, dat van de wenkbrauwen zoo

steil opsteeg; hierdoor kwam hij in de war en in plaats van het slot

van een vers zeide hij het begin van een ander op. Dit woog bij den

vader zwaar, omdat daaruit bleek, dat Serëscha zelf niet verstond

wat hij zeide.

Hij fronste het voorhoofd en begon weer met dezelfde verklaring, die

Serëscha al zoo dikwijls gehoord had en toch niet bevatten kon. Toen

ging de vader tot de bijbelsche geschiedenis over. Serëscha vertelde

vrij goed, maar als hij de oorzaken van sommige omstandigheden zou

opgeven, wist hij niets, hoewel hij wegens deze zelfde zaak reeds

eenmaal gestraft was geworden. Van de patriarchen vóór den zondvloed

kende hij er maar één, namelijk Henoch, die levend in den hemel werd

opgenomen. Vroeger had hij ook die namen van alle andere geweten,

maar nu had hij ze, door belangstelling in Henoch en zijn hemelvaart,

alle vergeten; deze Henoch was zijn lieveling in het geheele Oude

Testament en aan zijn opvaren ten hemel knoopte zich een geheele rij

voorstellingen vast, waaraan hij zich ook nu overgaf, terwijl hij

met strakken blik op den horlogeketting zijns vaders staarde.

Aan den dood, waarvan men hem zoo dikwijls gesproken had, geloofde

hij volstrekt niet. Hij kon het zich niet voorstellen, dat geliefde

menschen sterven kunnen en nog minder hij zelf. Men had hem gezegd:

alle menschen moeten sterven; hij vroeg er menschen naar, in wie hij

groot vertrouwen stelde, en zij bevestigden het. Maar Henoch was toch

niet gestorven, derhalve stierven toch niet allen; en waarom zou niet

ieder zich voor God zoo verdienstelijk kunnen maken, dat hij levend

in den hemel werd opgenomen. De slechte menschen, dat wil zeggen

menschen, die niet veel van Serëscha hielden, die mochten sterven,

maar de goede konden allen worden zooals Henoch.

"Nu? Wie waren de patriarchen?"

"Henoch, Enos...."

"Dat heb je al eens gezegd. Dat is verkeerd, Serëscha. Als je u

geen moeite geeft om datgene te weten, wat voor ieder Christen het

noodigste is, wat kan dan nog waarde voor je hebben?" zeide de vader

en stond op. "Ik ben niet over je tevreden, en Peter Ignatitsch (dat

was de vorige onderwijzer) is ook ontevreden over je.... Ik zal je

moeten straffen."

De vader en de onderwijzer waren beide over Serëscha ontevreden, en

inderdaad leerde hij slecht. En toch kon men niet zeggen, dat hij

slecht begaafd was; integendeel, hij had meer begaafdheid dan die

knapen, op wie de onderwijzer hem als voorbeelden wees. Volgens de

meening des vaders ontbrak het hem aan lust datgene te leeren, wat men

van hem vorderde; maar in werkelijkheid kon hij het niet leeren, omdat

zijn hart andere eischen deed gelden, dan zijn vader en leermeester

vorderden; en zoo voerde hij een strijd tegen zijn opvoeders. Hij was

negen jaren oud, hij was een kind, maar zijn hart kende hij toch;

hij beschermde het, en zonder den sleutel der liefde liet hij er

niemand binnen. Zijn opvoeders klaagden, dat hij geen lust tot leeren

had, en zijn hart dorstte naar kennis. Hij leerde bij Kapitonitsch,

bij de kindermeid, bij Nadenka, bij Wassili Lukitsch, maar niet bij

zijn onderwijzers. Het water, dat de vader en de onderwijzers op hun

schepraderen verwachtten, was reeds te voren doorgeloopen en had op

een andere plaats zijn kracht uitgeoefend.

De vader strafte Serëscha daarmede, dat hij hem niet toestond Nadenka

te bezoeken. Maar deze straf bleek een geluk te zijn. Wassili Lukitsch

was in een goede luim en leerde hem, hoe men windmolens kan maken. De

geheele avond verliep aangenaam onder bezigheid en droomerijen, of

men niet zulke molens zou kunnen maken, waarop men kon gaan zitten

om dan de roeden met de hand vast te houden of zich daaraan vast

te binden en zich mede te laten ronddraaien. Aan zijn moeder had

hij den geheelen avond niet gedacht, maar toen hij in zijn bed lag,

herinnerde hij zich haar plotseling en bad met zijn eigen woorden,

dat zij morgen, als hij jarig was, mocht ophouden zich te verbergen

en weer bij hem mocht komen.

"Wassili Lukitsch, weet u, wat ik nog meer gebeden heb? Wat in 't

geheel niet bij het gebed behoort?"

"Vlijtiger te leeren?"

"Neen."

"Om een stuk speelgoed?"

"Neen, u zal het toch niet raden. Iets zeer schoons, een geheim. Als

het komt, zal ik het u zeggen. Raad u het niet?"

"Neen, dat kan ik niet raden. Zeg het maar," zeide Wassili Lukitsch

en lachte, wat hem zelden gebeurde. "Nu moet je gaan slapen, ik doe

het licht uit."

"Zonder licht zie ik datgene, waar ik om gebeden heb nog

duidelijker. Zooeven had ik u mijn geheim bijna verraden," hernam

Serëscha en lachte vroolijk.

Nadat het licht was uitgedaan, zag en voelde Serëscha zijn moeder. Zij

stond naast hem en liefkoosde hem met haar blikken. Maar daarop

verschenen er windmolens, pennemessen, alles verwarde zich en vloeide

ineen en hij sliep in.

Anna Karenina(#13214) · 第 126 / 196 题