"Nu, hoe is het, Kapitonitsch?" vroeg Serëscha, die juist van een
wandeling terug kwam, met blozende wangen en vergenoegd tot den portier
opziende, terwijl hij zijn overjasje den langen man toereikte, die
met een vriendelijken lach op den kleinen man nederzag. "Is de beambte
met den verbonden arm er weer geweest? Heeft papa hem ontvangen?"
"Ja, hij heeft hem ontvangen. Toen de kanselarijchef heenging, heb
ik hem dadelijk aangediend," antwoordde de portier, terwijl hij den
jas aannam.
"Serëscha!" riep de huisonderwijzer, die in de deur was blijven staan,
"help u zelf!"
Maar Serëscha, ofschoon hij de zwakke stem van zijn gouverneur wel
gehoord had, stoorde zich daaraan niet. Hij bleef voor den portier
staan, hield zich met eene hand aan diens bandelier vast en keek hem
in het gezicht.
"Nu, en heeft papa iets voor hem gedaan?"
De portier knikte bevestigend.
Serëscha en de portier stelden veel belang in den verbonden beambte,
die er al zevenmaal geweest was om Karenin iets te verzoeken. Serëscha
had hem eens in den gang aangetroffen en gehoord, hoe hij den portier
smeekte hem toegang te verschaffen, daar hij anders met zijn kinderen
ellendig moest omkomen. Sedert en vooral nadat hij hem later nog
eenmaal ontmoet had, stelde Serëscha veel belang in hem.
"Was hij heel blijde?" vroeg hij verder.
"Zou hij niet? Hij danste bijna, toen hij heenging."
"Is er al wat voor mij gebracht?" vroeg hij verder.
Het was de dag voor zijn verjaardag.
"Nu, jonge heer," antwoordde de portier fluisterend en schudde het
hoofd: "Iets van de gravin."
"Wat je zegt! Waar?"
"Karnej heeft het aan papa gebracht. Het zal wel wat moois zijn."
"Hoe groot? Zoo?"
"Een beetje kleiner, maar iets moois."
"Een boek?"
"Neen iets anders. Ga nu, ga nu! Wassili Lukitsch roept u!" vermaande
de portier, die de weer terugkeerende schreden van den onderwijzer
hoorde, en terwijl hij behoedzaam de kleine handen van zijn bandelier
losmaakte, wees hij met het hoofd naar Lukitsch.
"Dadelijk, Wassili Lukitsch!" riep Serëscha met den vroolijken,
hartelijken lach, waardoor Wassili Lukitsch steeds overwonnen werd.
Serëscha was te vergenoegd, te gelukkig om zijn vriend, den portier,
niet de algemeene familievreugde mede te deelen, waarmede hem op zijn
wandeling de kleine nicht van gravin Lydia had bekend gemaakt. Het
scheen Serëscha heden een dag te wezen, waarop de geheele wereld
vergenoegd moest zijn.
"Weet je het nieuws al? Papa heeft de Alexander-Newsky gekregen."
"Zou ik dat niet weten? Er zijn er al velen gekomen om te
feliciteeren."
"Zoo? En is papa er blij mede?"
"Zou hij over de genade van den Czaar niet blijde zijn? Hij heeft
het derhalve verdiend," zeide hij ernstig en gestreng.
Serëscha staarde nadenkend in het gelaat van den portier, dat hem tot
in de kleinste bizonderheden bekend was, vooral op zijn onderkin,
die van onder de punten van zijn baard nederhing en die hij maar
alleen kende, daar hij ze altijd van onderen beschouwde.
"Nu, en je dochter, is het al lang, dat ze bij je was?"
Zijn dochter was een balletdanseres.
"Die kan immers niet alle dagen komen! Die moet leeren en krijgt les,
en u moet ook leeren, jonge heer! Ga nu heen."
Toen Serëscha de leerkamer binnentrad, deelde hij in plaats van aan
zijn opgegeven werk te gaan, zijn onderwijzer zijn vermoeden mede
omtrent datgene, wat men hem gebracht had.
"Zou het een machine zijn? Wat dunkt u?" vroeg hij.
Maar Wassili Lukitsch dacht er slechts alleen aan, dat Serëscha zijn
lessen nog niet geleerd had voor den onderwijzer, die om twee uur
komen zou.
"Neen, zeg mij maar een ding, Wassili Lukitsch," vroeg Serëscha
plotseling, toen hij reeds aan de schrijftafel zat en zijn grammatica
in de hand hield: "Is er nog iets beters dan de Alexander-Newsky-orde?"
Wassili Lukitsch antwoordde, dat de Wladimir nog beter was dan de
Alexander-Newsky.
"En welke is dan nog beter?"
"De hoogste is de Andrej Perwoswantjii."
"En nog hooger dan Andrej ...?"
"Dat weet ik niet."
"Wat? weet u dat niet?" En Serëscha leunde met het hoofd op de handen
en verdiepte zich in gedachten. Deze waren zeer bont en verward. Hij
dacht er aan, hoe zijn vader plotseling ook de Wladimir en Andrej kon
bekomen hebben en hoe hij dan dientengevolge heden bij het onderwijs
toegevend zou zijn; hoe hij, als hij groot was, al deze orden zou
bekomen en ook diegene, die nog hooger dan de Andrej was. Men behoefde
er maar aan te denken, dan zou men ze dadelijk verkrijgen. En zij
zouden nog hoogere uitdenken, en ook die zou hij dadelijk verdienen.
Onder zulke gedachten ging de tijd voorbij, en toen de onderwijzer
kwam, was de opgegeven taak nog niet afgemaakt, en de onderwijzer was
niet slechts ontevreden, maar zeer bekommerd. Dit roerde Serëscha;
hij gevoelde zich niet schuldig, omdat hij zijn werk niet afgemaakt
had, want met alle inspanning had hij dit toch niet kunnen doen;
maar het bedroefd uitzicht van den onderwijzer deed hem leed en hij
wilde hem troosten.
Hij koos een oogenblik, dat de onderwijzer zwijgend in zijn boek zag.
"Michael Iwanowitsch, wanneer is u jarig?" vroeg hij onverwacht.
"Je deedt beter de gedachten bij het werk te hebben; buitendien hebben
verjaardagen volstrekt geen beteekenis voor een verstandig wezen. Een
verjaardag is juist een dag als de andere."
Serëscha keek hem opmerkzaam aan, hij zag zijn schralen, kleinen baard,
zijn bril, die op den neus was afgezakt, en verviel zoo in gedachten,
dat hij niets begreep van al wat zijn onderwijzer hem uitlegde. Hij
besefte, dat hij niet zoo gesproken had, als hij werkelijk dacht,
dit bespeurde hij aan den toon, waarop hij gesproken had. "Waarom,"
dacht hij, "hebben zij allen afgesproken altijd op dezelfde manier
het vervelendste en onnoodigste te zeggen? Waarom houdt hij niet van
mij?" vroeg hij treurig zich zelf, en wist daarvoor geen antwoord
te vinden.
Op dezen onderwijzer volgde een uur onderwijs bij zijn vader. Tot deze
kwam, zat Serëscha aan de schooltafel, speelde met zijn pennemes en
dacht aan zijn moeder. Het hoorde tot zijne lievelingsbezigheden op
zijn wandelingen te zoeken naar zijn moeder. Hij geloofde niet aan
haar dood, ofschoon Lydia Iwanowna het hem gezegd en zijn vader het
bevestigd had. Ja, hij zocht haar zelfs tijdens men hem gezegd had,
dat zij gestorven was, reeds dadelijk bij zijn eerste wandeling. Elke
vlugge, gracieuse dame met donker haar hield hij voor zijn moeder. Zag
hij er zulk eene, dan verhief zich in zijn hart een verborgen gevoel
van teederheid en tranen vulden zijn oogen. Hij verwachtte, dat zij
hem dadelijk naderen, haar sluier terugslaan en hem haar gelaat toonen
zoude; zij zou lachen, hem omhelzen, hij zou den welriekenden geur,
die haar omgaf, herkennen, haar zachte handen voelen en weenen van
blijdschap.
Sedert eenigen tijd zocht en verwachtte hij haar als iets
geheimzinnigs, omdat hij eens toevallig van de kindermeid gehoord had,
dat zij niet gestorven was, en dat Lydia Iwanowna en zijn vader hem
dit zoo gezegd hadden, omdat hij haar als dood moest beschouwen, dewijl
zij slecht geweest was, hetwelk hij, omdat hij haar liefhad, volstrekt
niet geloofde. Heden had hij een dame met een lila sluier gezien; zijn
hart had geklopt, en hij verwachtte, dat zij het zou blijken te zijn;
hij volgde haar met de oogen, zoolang zij op het trottoir nader kwam;
maar dicht vóór hem was zij in een zijstraat verdwenen. Heden gevoelde
hij sterker dan ooit een aandrang van liefde en teederheid voor haar,
en geheel daarin verzonken, staarde hij aan haar alleen denkend met
schitterende oogen voor zich uit en versneed met zijn pennemes den
geheelen kant van den bank.
"Papa komt!" waarschuwde Wassili Lukitsch.
Serëscha sprong op, ging zijn vader te gemoet, kuste zijn hand en keek
hem opmerkzaam aan om bij hem de kenteekenen van blijdschap over de
ontvangen orde te ontdekken.
"Nu, was het een aangename wandeling?" vroeg Alexei Alexandrowitsch,
zette zich in zijn stoel en sloeg het boek open. Hoewel hij tot
Serëscha gezegd had, dat ieder Christen de geheele Heilige Schrift
van buiten moest kennen, zag hij zelf toch, wat het Oude Testament
betrof, dikwijls in het boek, en Serëscha had dit zeer goed opgemerkt.
"Ja, papa, wij hebben een mooie wandeling gedaan," antwoordde Serëscha
en ging op den rand van den stoel zitten en begon met dezen heen en
weder te wiegelen, hetgeen hem verboden was. "Ik heb Nadenka gezien
(dit was het nichtje van gravin Lydia Iwanowna). Zij heeft mij verteld,
dat u een nieuwe ster heeft gekregen. Is u daar blij om, papa?"
"Ten eerste, verzoek ik je niet zoo te schommelen," vermaande
Alexei Alexandrowitsch; "en ten tweede moet ons niet de belooning,
maar het werk het meest genoegen geven. Ik wensch, dat gij dat goed
begrijpt. Indien ge slechts wilt werken en leeren om beloond te worden,
dan zal het werk je zwaar vallen, maar als je werken wilt uit liefde
voor het werk, dan zal je de belooning daarvoor niet ontbreken."
Serëscha's oogen, die zooeven nog blonken van teederheid en
blijmoedigheid, verloren hun glans en werden nedergeslagen voor den
blik zijns vaders. Dat was de hem lang bekende toon, waarop deze steeds
tot hem sprak, alsof hij ze tot een jongen der verbeelding richtte,
zooals men ze wel in de boeken vindt en op wie Serëscha toch volstrekt
niet geleek. En Serëscha trachtte in de tegenwoordigheid zijns vaders
dien knaap uit het boek voor te stellen.
"Ik hoop, dat je mij hebt verstaan?"
"Ja, papa," antwoordde Serëscha, ook nu dien knaap der verbeelding
voorstellend.
De les bestond in het vanbuitenleeren van eenige bijbelplaatsen en
in het vertellen der scheppingsgeschiedenis van Mozes. De teksten
kende Serëscha tamelijk goed, maar terwijl hij ze opzegde, viel zijn
oog op het voorhoofdsbeen zijns vaders, dat van de wenkbrauwen zoo
steil opsteeg; hierdoor kwam hij in de war en in plaats van het slot
van een vers zeide hij het begin van een ander op. Dit woog bij den
vader zwaar, omdat daaruit bleek, dat Serëscha zelf niet verstond
wat hij zeide.
Hij fronste het voorhoofd en begon weer met dezelfde verklaring, die
Serëscha al zoo dikwijls gehoord had en toch niet bevatten kon. Toen
ging de vader tot de bijbelsche geschiedenis over. Serëscha vertelde
vrij goed, maar als hij de oorzaken van sommige omstandigheden zou
opgeven, wist hij niets, hoewel hij wegens deze zelfde zaak reeds
eenmaal gestraft was geworden. Van de patriarchen vóór den zondvloed
kende hij er maar één, namelijk Henoch, die levend in den hemel werd
opgenomen. Vroeger had hij ook die namen van alle andere geweten,
maar nu had hij ze, door belangstelling in Henoch en zijn hemelvaart,
alle vergeten; deze Henoch was zijn lieveling in het geheele Oude
Testament en aan zijn opvaren ten hemel knoopte zich een geheele rij
voorstellingen vast, waaraan hij zich ook nu overgaf, terwijl hij
met strakken blik op den horlogeketting zijns vaders staarde.
Aan den dood, waarvan men hem zoo dikwijls gesproken had, geloofde
hij volstrekt niet. Hij kon het zich niet voorstellen, dat geliefde
menschen sterven kunnen en nog minder hij zelf. Men had hem gezegd:
alle menschen moeten sterven; hij vroeg er menschen naar, in wie hij
groot vertrouwen stelde, en zij bevestigden het. Maar Henoch was toch
niet gestorven, derhalve stierven toch niet allen; en waarom zou niet
ieder zich voor God zoo verdienstelijk kunnen maken, dat hij levend
in den hemel werd opgenomen. De slechte menschen, dat wil zeggen
menschen, die niet veel van Serëscha hielden, die mochten sterven,
maar de goede konden allen worden zooals Henoch.
"Nu? Wie waren de patriarchen?"
"Henoch, Enos...."
"Dat heb je al eens gezegd. Dat is verkeerd, Serëscha. Als je u
geen moeite geeft om datgene te weten, wat voor ieder Christen het
noodigste is, wat kan dan nog waarde voor je hebben?" zeide de vader
en stond op. "Ik ben niet over je tevreden, en Peter Ignatitsch (dat
was de vorige onderwijzer) is ook ontevreden over je.... Ik zal je
moeten straffen."
De vader en de onderwijzer waren beide over Serëscha ontevreden, en
inderdaad leerde hij slecht. En toch kon men niet zeggen, dat hij
slecht begaafd was; integendeel, hij had meer begaafdheid dan die
knapen, op wie de onderwijzer hem als voorbeelden wees. Volgens de
meening des vaders ontbrak het hem aan lust datgene te leeren, wat men
van hem vorderde; maar in werkelijkheid kon hij het niet leeren, omdat
zijn hart andere eischen deed gelden, dan zijn vader en leermeester
vorderden; en zoo voerde hij een strijd tegen zijn opvoeders. Hij was
negen jaren oud, hij was een kind, maar zijn hart kende hij toch;
hij beschermde het, en zonder den sleutel der liefde liet hij er
niemand binnen. Zijn opvoeders klaagden, dat hij geen lust tot leeren
had, en zijn hart dorstte naar kennis. Hij leerde bij Kapitonitsch,
bij de kindermeid, bij Nadenka, bij Wassili Lukitsch, maar niet bij
zijn onderwijzers. Het water, dat de vader en de onderwijzers op hun
schepraderen verwachtten, was reeds te voren doorgeloopen en had op
een andere plaats zijn kracht uitgeoefend.
De vader strafte Serëscha daarmede, dat hij hem niet toestond Nadenka
te bezoeken. Maar deze straf bleek een geluk te zijn. Wassili Lukitsch
was in een goede luim en leerde hem, hoe men windmolens kan maken. De
geheele avond verliep aangenaam onder bezigheid en droomerijen, of
men niet zulke molens zou kunnen maken, waarop men kon gaan zitten
om dan de roeden met de hand vast te houden of zich daaraan vast
te binden en zich mede te laten ronddraaien. Aan zijn moeder had
hij den geheelen avond niet gedacht, maar toen hij in zijn bed lag,
herinnerde hij zich haar plotseling en bad met zijn eigen woorden,
dat zij morgen, als hij jarig was, mocht ophouden zich te verbergen
en weer bij hem mocht komen.
"Wassili Lukitsch, weet u, wat ik nog meer gebeden heb? Wat in 't
geheel niet bij het gebed behoort?"
"Vlijtiger te leeren?"
"Neen."
"Om een stuk speelgoed?"
"Neen, u zal het toch niet raden. Iets zeer schoons, een geheim. Als
het komt, zal ik het u zeggen. Raad u het niet?"
"Neen, dat kan ik niet raden. Zeg het maar," zeide Wassili Lukitsch
en lachte, wat hem zelden gebeurde. "Nu moet je gaan slapen, ik doe
het licht uit."
"Zonder licht zie ik datgene, waar ik om gebeden heb nog
duidelijker. Zooeven had ik u mijn geheim bijna verraden," hernam
Serëscha en lachte vroolijk.
Nadat het licht was uitgedaan, zag en voelde Serëscha zijn moeder. Zij
stond naast hem en liefkoosde hem met haar blikken. Maar daarop
verschenen er windmolens, pennemessen, alles verwarde zich en vloeide
ineen en hij sliep in.