Zij waren te huis gekomen en genoten van hun eenzaamheid. Lewin zat aan
zijn bureau te schrijven; Kitty was gezeten op een lederen rustbank,
die in het werkkamertje stond, zooals in den tijd van Lewins vader
en grootvader; zij hield zich bezig met Engelsch borduurwerk en was
gekleed in een violetkleurige japon, waarvan Lewin zooveel hield,
omdat zij ze in de eerste dagen van hun huwelijk had gedragen. Terwijl
hij nadacht en schreef, genoot hij van de tegenwoordigheid zijner
vrouw; zijn werk over de hervorming van de agronomische toestanden in
Rusland was niet opgegeven; maar schenen ze hem vroeger, toen zijn
leven treurig en somber was, ellendig, thans, te midden van zijn
vol geluk, vond hij de bezwaren onbeduidend. Voorheen was de studie
voor hem het grootste heil; thans behoedde zij zijn leven voor een
al te gelijkmatig genot. Terwijl hij zijn werk herlas, erkende Lewin
met genoegen, dat het waarde had, in weerwil van sommige overdreven
denkbeelden, en op nieuw het geheel van het vraagstuk overziende,
werden vele leemten en gapingen aangevuld. Een hoofdstuk, dat handelde
over ongunstige omstandigheden, die den landbouw in Rusland drukten,
werd geheel herzien. Volgens hem was de armoede niet de eenige
oorzaak van het onevenredig grondbezit en der valsche oeconomische
verhoudingen, maar vooral de ontijdige invoering van de Europeesche
beschaving, de spoorwegen en politieke geschriften, een overdreven
centralisatie, de ontwikkeling van weelde,--en bijgevolg het ontstaan
van nieuwe industriëele ondernemingen ten koste van den landbouw,--de
overdreven uitbreiding van het crediet en der speculatie. Hij meende,
dat de normale vergrooting van den rijkdom eens lands geenszins deze
teekenen van uitwendige beschaving gedoogde zonder dat de landbouw
een evenredige ontwikkeling had bereikt.
Terwijl Lewin schreef, dacht Kitty aan zijn vreemde houding in den
vooravond van hun vertrek van Moskou, toen de jonge prins Tscharsky
haar met weinig tact een beetje het hof maakte. "Hij is jaloersch,"
dacht zij. "Mijn hemel, wat is hij verstandig en dwaas! Indien hij
eens wist, welk een indruk zij allen op mij maken! Juist als Peter de
kok!" En zij wierp een eigenaardigen blik als eigenares op den forschen
nek en hals van haar echtgenoot. "'t Is jammer hem te storen, maar hij
zal den tijd hebben om later te werken; ik wil zijn gezicht zien; zal
hij voelen dat ik hem bekijk? Ik wil, dat hij zich omkeert...." En zij
opende zeer wijd de oogen, als om meer kracht aan haar blik te geven.
"Ja, zij trekken de beste sappen tot zich en geven een valschen schijn
van rijkdom," mompelde Lewin, terwijl hij de pen neerlegde en gevoelde,
dat de blik zijner vrouw op hem was gevestigd. Hij keerde zich om:
"Wat is het?" vroeg hij opstaande met een glimlach.
"Hij heeft zich omgekeerd," dacht zij.--"Niets, ik wilde dat ge u
zoudt omkeeren," en zij zag hem aan om te weten, of hij ontevreden was,
dat zij hem gestoord had.
"Wat is het goed met ons beiden te zijn! Voor mij ten minste," zeide
hij en naderde haar, terwijl zijn gelaat straalde van geluk.
"Ik bevind me hier zoo goed, dat ik volstrekt niet meer van hier zal
gaan, vooral niet naar Moskou."
"Waar dacht je aan?"
"Ik! ik dacht.... Neen, neen, ga maar schrijven, laat je niet
aftrekken," antwoordde zij even pruilend den mond vertrekkend. "Kijk,
ik moet nu al deze knoopsgaten knippen."
En zij nam haar borduurschaartje.
"Neen, zeg mij waar je aan denkt," hernam hij zich bij haar
nederzettend en volgde de bewegingen van haar kleine schaar.
"Waaraan ik dacht? Aan Moskou en aan u."
"Wat heb ik gedaan om dat geluk te verdienen? Het is niet natuurlijk,"
zeide hij haar de hand kussende.
"En ik, hoe gelukkiger ik ben, hoe meer ik dat natuurlijk vind."
"Hier is een haarlokje los," zeide hij, haar hoofd voorzichtig een
weinig ter zijde draaiend.
"Een haarlokje? Laat het maar zitten; wij houden ons met ernstige
zaken bezig."
Maar zij werden in hun ernstige zaken gestoord, en toen Kosma de
thee kwam aankondigen, verwijderden zij zich snel van elkander als
betrapte schuldigen.
Toen hij alleen was gebleven, bergde Lewin zijn beschreven papier in
een vloeiboek, dat zijn vrouw had gekocht, waschte toen zijn handen in
een elegante waschkom, die ook door haar gekocht was, en, over zijn
gedachten lachend, hief hij het hoofd op met een gevoel, dat geleek
op wroeging. Zijn leven was te weelderig, te verbasterd. Het was een
leven van genot, waarover hij zich een weinig beschaamd gevoelde.
"Zulk een bestaan deugt niets," dacht hij. "'t Zijn nu bijna drie
maanden dat ik aan 't flaneeren ben. Vandaag heb ik mij voor de eerste
maal aan het werk gezet en nauwelijks ben ik begonnen, of ik heb het
al weer neergelegd. Ik verzuim zelfs mijn gewone bezigheden, ik geef
nergens meer acht op, ik voer volstrekt niets uit. Nu spijt het mij
haar te verlaten, en dan vrees ik, dat zij zich verveelt; ik, die nog
wel dacht, dat het leven voor het huwelijk een ernstige beteekenis had
en dat het eerst daarna een recht werkelijk leven zou worden! En zie,
het zijn bijna drie maanden dat ik mijn tijd doorbreng op een wijze,
die men wel leegloopen kan noemen. Dat kan niet voortduren. Het is
haar schuld niet en men kan haar het minste verwijt niet doen. Ik had
mijn fermiteit, mijn gezag als man moeten toonen, want ik zou op die
wijze voortgaande slechte gewoonten aannemen."
Een ontevreden mensch verdedigt zich gemakkelijk met de schuld van zijn
ontevredenheid op een ander te werpen. Ook Lewin dacht met droefheid,
dat, indien de oorzaak niet lag bij zijn vrouw (en haar kon hij niet
beschuldigen), ze gelegen was in haar opvoeding. "Dat mispunt van
een Tscharsky, bij voorbeeld, hem had zij zelfs niet in het noodige
respect kunnen houden." En buiten haar kleine belangen der keuken
(deze bezorgde zij zelf), van haar toilet en van haar borduurwerk,
was er niets, dat haar bezig hield. "Geen de minste sympathie voor
mijn werkzaamheden, voor de bouwerij of voor de boeren, zelfs geen
smaak voor lectuur of muziek, en toch is zij een goede musicienne. Zij
doet volstrekt niets en is toch zeer voldaan."
Toen Lewin aldus oordeelde, begreep hij niet, dat zijn vrouw zich
voorbereidde voor een tijd van bezigheid, die haar zou verplichten
alles te gelijk te zijn: vrouw, moeder, meesteres van het huis,
voedster, onderwijzeres; hij begreep niet, dat zij zich deze uren
van ledigheid en liefde veroorloofde, omdat een geheim instinct haar
wees op de taak, die haar wachtte, terwijl zij langzamerhand haar
nest gereed maakte voor de toekomst.