Wronsky en Anna reisden sedert drie maanden te zamen in het
buitenland; zij hadden Venetië, Rome en Napels bezocht en waren nu
in een kleine Italiaansche stad aangekomen, waar zij eenigen tijd
dachten te vertoeven.
Een statige maître d'hôtel met het haar vol pommade en in het midden
tot aan den nek toe gescheiden, met zwarten rok, breed voorhemd en
breloques, die op den ronden buik bengelden, antwoordde onverschillig,
met de handen in den zak, op de vragen, die een heer tot hem richtte.
Schreden op de trap aan den anderen kant van het perron deden den
schitterenden majordomus omkeeren, en toen hij den Russischen graaf
bemerkte, den huurder van het fraaiste appartement van het hotel,
trok hij de handen uit zijn zakken en eerbiedig buigende deelde hij
den graaf mede, dat de bode was komen berichten, dat de opzichter
van het palazzo, waarover men in onderhandeling was, bereid was het
huurcontract te teekenen.
"Zeer goed." zeide Wronsky. "Is madame te huis?"
"Madame is uit geweest, maar zij is juist te huis gekomen," antwoordde
de maître d'hôtel.
Wronsky nam zijn slappen hoed met breeden rand af, wischte met zijn
zakdoek langs zijn voorhoofd en over zijn haar, dat naar achter was
gestreken om zijn kaalheid te verbergen, en wilde toen verder gaan,
terwijl hij een verstrooiden blik wierp op een heer, die hem stond
op te nemen.
"Mijnheer is een Rus en heeft naar u gevraagd," zeide de maître
d'hôtel.
Wronsky keerde zich nog eens om, ontstemd omdat het hem maar niet
gelukken wilde ontmoetingen te vermijden, maar aan den anderen kant
verheugd een afleiding te vinden, welke die dan ook zijn mocht;
zijn oogen en die van den vreemde begonnen op eens te stralen:
"Golinitschef!"
"Wronsky!"
Het was inderdaad Golinitschef, een kameraad van Wronsky uit het
page-corps; hij behoorde er tot de liberale partij en had het met
een civielen graad verlaten zonder het minste plan om in dienst te
treden. Sedert hadden zij elkander slechts eenmaal ontmoet. Bij die
enkele ontmoeting had Wronsky gemeend, dat zijn vroegere kameraad van
de hoogte zijner uiterst liberale beginselen de militaire loopbaan
verachtte; hij had hem daarom koel en uit de hoogte behandeld, hetgeen
Golinitschef onverschillig had gelaten, maar hen niet had doen wenschen
elkander weder te zien. En toch was het met een uitroep van vreugde,
dat zij elkander herkenden. Misschien was Wronsky zich er van bewust,
dat de oorzaak van zijn blijdschap bij het wederzien van Golinitschef
gelegen was in de vreeselijke verveling, waaraan hij zich ten prooi
gevoelde; maar het verleden vergetende, reikte hij hem de hand, en
de ietwat beklemde uitdrukking in Golinitschefs gelaat maakte plaats
voor die van blijkbare voldoening.
"'t Doet me bizonder genoegen je te zien!" zeide Wronsky met een
gullen glimlach, die zijn fraaie tanden zichtbaar maakte.
"Men heeft mij je naam genoemd, ik wist niet, of gij het waart;
het verheugt mij zeer."
"Maar kom binnen. Wat doe je hier?"
"Ik ben hier sedert een jaar. Ik werk."
"Waarlijk?" zeide Wronsky met belangstelling. "Laat ons toch binnen
gaan."
En volgens de aan Russen eigen gewoonte Fransch te spreken als zij niet
door de bedienden verstaan willen worden, zeide hij in het Fransch:
"Je kent Anna Karenina? Wij reizen te zamen, ik wilde juist naar
haar toegaan." En terwijl hij sprak, gaf hij nauwkeurig acht op
Golinitschefs gelaat.
"Ah zoo! dat wist ik niet," antwoordde hij onverschillig. (Hij wist
het zeer goed.)
"Ben je al lang hier?"
"Drie dagen," antwoordde Wronsky, terwijl hij voortging zijn vriend
gade te slaan.
"Hij is een man van opvoeding, die de dingen in het ware licht
beschouwt; ik kan hem aan Anna presenteeren," zeide hij bij zich zelf,
een gunstige uitlegging gevende aan de wijze, waarop Golinitschef
het gesprek had afgeleid.
Sedert hij met Anna reisde, had zich bij elke nieuwe ontmoeting
hetzelfde gevoel van aarzeling van Wronsky bemachtigd; meestal had
men de situatie opgevat "zooals zij opgevat moest worden!" Hij zou
verlegen gestaan hebben, als hij had moeten verklaren, wat hij daarmede
bedoelde. Het eigenlijke was, dat men niets wilde begrijpen en zich
tevreden stelde met een bescheiden terughouding zonder toespelingen
te maken of vragen te doen, juist zooals het welopgevoede lieden
tegenover een kieschen en ingewikkelden toestand betaamt.
Golinitschef behoorde bepaald tot deze beschaafde lieden, en toen
Wronsky hem aan Anna had voorgesteld, deed het hem dubbel genoegen
hem ontmoet te hebben, daar zijn houding zoo was, dat men die niet
beter had kunnen wenschen en klaarblijkelijk zonder dat dit hem de
minste inspanning kostte.
Golinitschef kende Anna niet, wier schoonheid en eenvoudigheid hem
troffen. Zij bloosde toen zij de beide mannen zag binnentreden, en
deze kinderlijke blos bekoorde haar gast uitermate. Hij was verrukt
over de natuurlijke wijze, waarop zij haar positie deed blijken
door Wronsky bij zijn verkleinnaam Alexei te noemen en te zeggen,
dat zij zich gingen inrichten in een huis, dat men den weidschen
naam van palazzo gaf, met de houding van iemand, die vermijden wil,
dat een vreemdeling omtrent hem in dwaling verkeert.
Golinitschef, die Alexei Alexandrowitsch kende, kon niet nalaten,
deze jonge, levendige vrouw, vol energie, gelijk te geven; hij was
van oordeel, dat Anna nauwelijks zich zelf begreep, dat zij gelukkig
en vroolijk kon zijn al had zij haar echtgenoot en haar zoon verlaten
en haar goeden naam verloren.
"Dit palazzo staat in den gids," zeide Golinitschef. "Gij zult er
een prachtigen Tintoret volgens zijn laatste manier zien."
"Ik weet wat: het weer is mooi, laten we terugkeeren om het te zien,"
zeide Wronsky zich tot Anna wendende.
"Zeer gaarne, ik ga mijn hoed halen. Je zegt, dat het warm is?" zeide
zij op den drempel van de deur, terwijl zij zich tot Wronsky wendde
en op nieuw bloosde.
Wronsky begreep, dat Anna, niet juist wetende wie Golinitschef
was, zich zelf afvroeg, of zij wel den juisten toon jegens hem had
getroffen.