XX.

Mijnheer en mevrouw Karenin leefden voort in één huis, zagen elkander

dagelijks, maar waren elkander geheel vreemd geworden. Alexei

Alexandrowitsch had zich tot regel gesteld, eiken dag zijn vrouw te

bezoeken, opdat de dienstboden geen aanleiding tot verdenking hadden,

maar hij vermeed het 's middags te huis te blijven. Wronsky kwam niet

in Karenins huis, maar ontmoette haar buiten hetzelve en het was haar

echtgenoot bekend.

Deze verhouding was voor alle drie zeer pijnlijk, en geen hunner zou in

staat geweest zijn zoo voort te leven, als niet ieder de verwachting

had gekoesterd, dat deze toestand spoedig zou veranderen. Alexei

Alexandrowitsch verwachtte, dat, gelijk alles, zoo ook deze hartstocht

voorbij zou gaan, dat alle herinnering daaraan vergeten en zijn naam

onbeschimpt blijven zoude. Anna, door wie die toestand was ontstaan

en voor wie hij het kwellendst was, verdroeg hem, omdat zij vast

overtuigd was, dat hij zich spoedig zou oplossen; zij wist wel niet

hoe, maar _dat_ er op een of andere wijze een beslissing zou komen,

hiervan was zij zeker. Ook Wronsky, die zich onwillekeurig door haar

geest liet beheerschen, verwachtte met haar de een of andere van zijn

wil onafhankelijke gebeurtenis, die alle bezwaren zou oplossen.

Tegen het midden van den winter was voor Wronsky een zeer vervelende

week weggelegd. Hij was namelijk aan een buitenlandschen prins

toegevoegd, die gekomen was om de merkwaardigheden van Petersburg te

leeren kennen. Wronsky verstond de kunst van representeeren; hij had

het talent bij het betoon van den grootsten eerbied zijn eigenwaarde

te bewaren en was aan den omgang met soortgelijke hooge personen

gewoon. En toch viel hem nu de vervulling van dezen plicht zeer

zwaar. De prins wilde zich niets laten ontgaan, waarover men hem te

huis zou kunnen ondervragen. Vooral vond hij genoegen in de speciaal

Russische uitspanningen. 's Morgens werden alle bezienswaardigheden

in oogenschouw genomen, 's avonds werden nationale feestelijkheden

bezocht. De prins bezat een, zelfs voor een prins zeldzame gezondheid;

door gymnastiek en goede zorg voor zijn lichaam had hij ze zoo goed

gesterkt, dat hij bij alle inspanning en uitspatting zoo frisch bleef

als een hoen. Des prinsen stokpaardje waren de nationale vermaken. Hij

was in Spanje geweest, had er serenades gebracht en een liaison gehad

met een Spaansche, die op de mandoline speelde. In Zwitserland had

hij gemzen gejaagd; in Engeland had hij in een rooden jachtfrak over

graven en hekken gesprongen en legde tegen een weddenschap tweehonderd

fasanten neder. In Turkije had hij den harem bezocht en in Indië had

hij op een olifant een wandelrit gedaan en nu in Rusland wenschte

hij alle echt Russische gebruiken te leeren kennen.

Wronsky had genoeg te doen om in de opvolging van alle nationale

verrichtingen, die door verschillende personen werden aangeboden,

een zekere orde te brengen. Nu waren er wedrennen en berenjachten,

dan troyka's en Zigeuners en drinkgelagen, waarbij naar Russische

zeden flesschen en glazen werden in stukken geworpen. En de prins

maakte zich met groot gemak de Russische gebruiken eigen; hij

sloeg de presenteerbladen en al wat er op stond in stukken, zette

Zigeunerinnen op zijn knie en scheen te vragen: "Wat nog meer? of is

dit nu het geheele Russische gebruik?" Overigens bevielen van alle

Russische vermaken den prins het meest de Fransche tooneelspeelsters,

de balletdanseressen en de champagne met wit lak.

Wronsky was aan het verkeer met prinsen gewoon, maar deze week--was

het omdat hij was veranderd of omdat hij den prins van al te nabij

zag?--deze week viel hem zijn ambt buitengewoon zwaar. Hij gevoelde de

verplichting om geen oogenblik de houding van gestrenge en hoffelijke

vereering te vergeten; en hij zag, op welk een verachtelijke wijze

de prins zijn landgenooten behandelde, die wel uit hun vel wilden

springen in hun ijver om hem Russische vermaken te doen kennen. Des

prinsen oordeel over Russische vrouwen, die hij voorgaf te willen

bestudeeren, joeg Wronsky somwijlen het rood van den toorn op

het gelaat. De eigenlijke grond echter, waarom de prins hem zoo

onverdragelijk was, was hierin gelegen, dat Wronsky onwillekeurig

in hem zich zelf herkende; en wat hij in dezen spiegel zag, vleide

zijn eigenliefde volstrekt niet; hij was een weinig beduidend, zeer

hoogmoedig, buitengewoon gezond en kleingeestig, zinnelijk mensch,

verder niets; een gentleman voorzeker, dat kon Wronsky niet ontkennen;

tegenover hooger geplaatsten rustig en ongedwongen, eenvoudig en

vrijmoedig tegen zijns gelijken, nederbuigend tegen ondergeschikten.

Evenzoo was Wronsky, en hij had dat tot hiertoe steeds voor een groote

deugd gehouden; maar tegenover den prins was hij de lager geplaatste

en de minachtende nederbuiging tot hem ergerde hem.

"Niets als roastbeef! Is het mogelijk, dat ik ook zoo ben?" dacht hij.

Toen de prins den zevenden dag afscheid nam om naar Moskou te reizen en

hij Wronsky zijn dank had betuigd, gevoelde deze zich van een grooten

last en een onaangenamen spiegel bevrijd. De prins had afscheid van

hem genomen op het spoorwegstation, waarheen hij van een berenjacht

was teruggekeerd.

Te huis gekomen, vond Wronsky een billet van Anna. Zij schreef:

"Ik ben ziek en ongelukkig, dat ik niet uitgaan en u zien kan. Kom

heden avond. Om zeven uur gaat Karenin naar de zitting, waar hij tot

ongeveer tien uur zal blijven."

Wronsky was er een oogenblik verwonderd over, dat zij in weerwil van

het verbod haars echtgenoots hem toch bij zich noodigde, maar hij

besloot aan haar wensch te voldoen.

Wronsky was dezen winter tot overste bevorderd, daarop was hij uit zijn

regiment gegaan en leefde nu onafhankelijk. Nadat hij had ontbeten,

wierp hij zich op de sofa en in de eerstvolgende vijf minuten verwarden

zich in zijn voorstelling de onaangename ervaringen der laatste dagen

met zijn gedachten aan Anna en aan een boer, die als opdrijver bij

de laatste berenjacht een gewichtige rol had gespeeld, en toen sliep

hij in. Hij ontwaakte bevend van schrik. Hij sprong op en ontstak een

licht. "Wat was dat? Wat heb ik zooeven voor vreeselijks gedroomd? Ja,

juist, deze beer, de opdrijver, geloof ik dat het was! Een kleine,

smerige kerel met stoppeligen baard--wat deed hij daar in zijn gebukte

houding? En plotseling zeide hij iets in het Fransch ... zonderlinge

woorden.... Maar waarom was dat zoo verschrikkelijk?"

Hij dacht levendig na over dezen boer en diens Fransche woorden,

en daarbij liep een koude rilling door zijn leden.

"Welk een onzin," dacht Wronsky en zag op het horloge.

Dit wees half negen. Hij kleedde zich haastig en ging de trap af,

terwijl hij bij de gedachte, dat hij zich zoo had verlaat, den droom

geheel vergat.

Toen hij in zijn slede bij Karenins huis aankwam, zag hij weer op

het horloge. Het was tien minuten voor negen. Een kleine coupé met

twee schimmels stond op het oprijplein. Wronsky herkende Anna's coupé.

"Wil zij mogelijk bij mij komen?" dacht hij. "Dit was beter geweest,

want het is mij onaangenaam dit huis binnen te gaan. Maar enfin,

ik kan mij niet meer verbergen."

Hij sprong uit de slede en ging naar de deur. Deze werd geopend en de

portier kwam met een plaid over den arm naar buiten. Hij keek Wronsky

verschrikt aan; deze ontmoette in de deur Alexei Alexandrowitsch. Hij

zag in het helder licht der gasvlam zijn bleek en ingevallen gelaat

onder den zwarten hoed en de witte das, die bij zijn zwarten rok

afstak.

Karenins strakke, benevelde oogen vestigden zich op Wronsky's

gelaat. Wronsky boog zich en Alexei Alexandrowitsch bracht de hand aan

den hoed en ging voorbij. Wronsky zag, hoe hij zonder nog eenmaal om

te zien in het rijtuig ging zitten, zich zijn plaid en een toneelkijker

liet aangeven en toen wegreed. Wronsky ging den gang in. Zijn voorhoofd

was bewolkt en in zijn oogen glom een trotsch en somber vuur.

"Is dat een toestand!" dacht hij. "Als hij zich nog verdedigen en

voor zijn eer vechten wilde, maar deze erbarmelijke nietigheid! Dit

brengt mij in den toestand van een dief en bedrieger, wat ik toch

niet zijn wil!"--

Sedert zijn bijeenkomst met Anna in den tuin van Wrede waren zijn

inzichten zeer veranderd. Zijn eerzuchtige gedachten waren op den

achtergrond getreden, hij besefte, dat hij uit dien kring was geraakt,

waarin alles zich naar vaste regels bewoog; daarom gaf hij zich nu

geheel aan zijn neiging over en deze kluisterde hem sterker en immer

sterker aan haar.

Hij trad haar kamer binnen.

"Neen!" riep zij uit, toen zij hem zag, en de tranen kwamen haar in de

oogen: "Neen, als het zoo voortgaat, zal het nog veel vroeger komen!"

"Wat, melieve?"

"Wat? Ik wacht en kwel mij hier, een uur, twee uren.... Maar neen,

ik wil niet, ik kan niet met je twisten! Je zult wel niet vroeger

hebben kunnen komen! Neen, ik wil niet verwijten."

Zij had haar beide handen op zijn schouder gelegd en zag hem een

geruimen poos diep, verrukt, uitvorschend in de oogen.

Anna Karenina(#13214) · 第 82 / 196 题