Allen gaven luid hun ontevredenheid te kennen. "Voor een circus
ontbraken hier nog slechts de leeuwen," zeide men, en allen gevoelden
zich zoo ontsteld, dat, toen Wronsky viel en Anna een luiden gil
uitstiet, niemand daarin iets bizonders zag. Maar onmiddellijk daarop
onderging Anna's gezicht een al te vreemde verandering. Zij verloor
haar zelfbeheersching en sloeg om zich als een gevangen vogel; haastig
stond zij op, alsof zij ergens heen wilde gaan, toen wendde zij zich
tot Betsy:
"Laats ons wegrijden! wegrijden!" riep zij uit.
Maar Betsy hoorde niet. Zij sprak juist met den adjudant-generaal.
Alexei Alexandrowitsch trad nu op Anna toe en bood haar hoffelijk
den arm aan.
"Kom, als gij het wenscht," zeide hij in het Fransch. Maar zij
luisterde naar hetgeen de generaal sprak en bemerkte haar man in het
geheel niet.
"Men zegt, dat hij het been heeft gebroken," zeide de generaal. "Het
is afschuwelijk."
Zonder haar man te antwoorden, hield Anna den tooneelkijker omhoog
en zag naar de plaats, waar Wronsky gevallen was; maar het was te
ver en er hadden zich te veel menschen verzameld om iets te kunnen
onderscheiden. Zij liet den kijker dalen en wilde heengaan. Op dit
oogenblik kwam een officier aan galoppeeren en meldde den keizer
iets. Voorovergebogen luisterde Anna oplettend.
"Stiwa! Stiwa!" riep zij haar broeder toe. Maar deze hoorde niet. Nu
wilde zij zelf naar beneden ijlen.
"Als ge heengaan wilt, bied ik je nogmaals mijn arm aan," zeide
Alexei Alexandrowitsch.
Zij wendde zich met afschuw van hem af en, zonder hem aan te zien,
zeide zij: "Neen, neen! Laat mij--ik blijf!" Zij bemerkte nu, dat
van den ongeluksplaats een officier door de menigte naar de tribune
ijlde. Betsy wenkte hem met een doek. De officier bracht de tijding,
dat Wronsky ongedeerd was gebleven, maar dat zijn paard den rug
had gebroken.
Toen Anna dit hoorde, ging zij haastig weer zitten en bedekte het
gelaat met den waaier. Karenin zag, dat zij weende. Zij kon noch
haar tranen, noch zelfs een zucht, die uit haar borst oprees,
weerhouden. Hij plaatste zich derhalve voor haar om haar tijd te
laten eenigszins tot kalmte te komen.
"Voor de derde maal bied ik je mijn arm aan," zeide hij zich na een
poos tot haar omkeerend. Anna staarde hem aan en wist niet, wat zij
zou antwoorden. Maar vorstin Betsy kwam haar te hulp.
"Neen, Alexei Alexandrowitsch," mengde zij zich er tusschen, "ik
ben met Anna hierheen gereden en heb beloofd haar ook weer terug
te brengen."
"Vergeef mij, vorstin," antwoordde hij met een hoffelijk lachje en
zag haar daarbij vast aan: "Ik zie, dat Anna niet geheel wel is en
daarom wensch ik, dat zij met mij rijdt."
Anna zag verschrikt om zich, stond onderworpen op en legde haar hand
op den arm van haar echtgenoot.
"Ik zal naar hem toe zenden, naar alles onderzoek doen en je alles
laten weten," fluisterde Betsy haar toe.
Bij het heengaan sprak Karenin als gewoonlijk met ieder, dien hij
ontmoette, en ook Anna moest op de gewone wijze hen te woord staan;
zij was echter als een geheel andere en ging aan haar echtgenoots arm
als in een droom daarheen. Zij namen zwijgend in de coupé plaats en
reden zwijgend door de menigte. In weerwil van alles, wat hij gezien
had, veroorloofde Karenin zich toch niet Anna's oogenblikkelijken
gemoedstoestand in overweging te nemen. Voor hem bestond slechts haar
uitwendige houding en gedrag. Hij had gezien, dat zij zich ongepast
had aangesteld en achtte zich verplicht haar daarop opmerkzaam te
maken. Het werd hem echter zeer zwaar, haar slechts dat en niet meer te
zeggen. Hij opende den mond en sprak onwillekeurig iets geheel anders.
"Hoe zonderling, dat wij allen toch in zulke barbaarsche schouwspelen
behagen kunnen vinden. Ik veracht...."
"Wat? Ik versta je niet," antwoordde Anna met minachting in haar toon.
Hij gevoelde zich beleedigd en begon nu dadelijk te spreken over
datgene, waarover hij wilde spreken.
"Ik moet u zeggen," begon hij in het Fransch, "dat ge u heden niet
zeer gepast hebt gedragen."
"In welk opzicht heb ik mij dan ongepast gedragen?" vroeg zij luid en
zag hem recht in de oogen, maar niet meer met haar vroegere ironische
opgewektheid, doch met een koene, vastberaden uitdrukking, die den
angst moest verbergen, dien zij ondervond.
"Vergeet niet!" zeide hij en wees naar het geopend venster achter
den koetsier. Hij stond op en haalde het venster omhoog.
"Welk een ongepastheid heb je dan gevonden?" herhaalde zij.
"De uitbarsting van vertwijfeling, die ge bij den val van een der
ruiters niet kondt verbergen." Hij wachtte op een antwoord, een
tegenstand. Maar zij zweeg en staarde voor zich uit.
"Ik heb u reeds eens verzocht, u in de wereld zoo te gedragen, dat
kwade tongen u niets kunnen ten laste leggen. Er was een tijd, dat
ik van zalige gewaarwordingen sprak; daarvan spreek ik nu niet. Ik
spreek nu slechts van zuiver uiterlijke dingen. Ge hebt nu ongepast
voorgedaan, en ik wensch, dat zich dat niet herhaalt."
Zij hoorde nauwelijks de helft zijner woorden. Zij vreesde hem en
dacht daarbij, of Wronsky wel ongedeerd gebleven was of niet. Zij
lachte slechts spottend, toen hij ophield, en antwoordde niets. Hij
zag dit lachen en een zonderlinge verwarring beving hem; de vrees,
die zij gevoelde, deelde zich in zekere mate aan hem mede.
"Zij lacht om zijn verdenking," dacht hij. "Zij zal mij hetzelfde
zeggen als onlangs, dat er geen grond voor argwaan bestaat, en dat ik
mij belachelijk maak."--Hoewel haar geheele schuld hem duidelijk voor
oogen stond, wenschte hij nu toch niets zoozeer, als dat zij zich over
hem vroolijk mocht maken, en hij was bereid haar in alles te gelooven,
om maar niet datgene te moeten gelooven, waarvan hij wist, dat het
waar was. Maar de uitdrukking van haar gelaat, verschrikt en somber,
als zij was, liet nu niet eens meer aan een leugen gelooven.
"Wellicht verkeer ik in dwaling," zeide hij. "In dat geval vraag ik
u mij te verontschuldigen."
"Neen, gij vergist u niet," antwoordde zij langzaam en zag hem wanhopig
in zijn koud gelaat. "Gij vergist u niet. Ik was in vertwijfeling en
kon niet anders zijn. Ik hoor u spreken en denk aan hem. Ik bemin hem
en ben zijn geliefde! Ik kan niet langer veinzen. Ik verafschuw, ik
haat u.... Doe met mij, wat gij wilt...!" En zij leunde in den hoek
van het rijtuig achterover, en haar gelaat met de handen bedekkend,
barstte zij in snikken uit.
Alexei Alexandrowitsch bewoog zich niet, niet eens nam de blik van
zijn starre oogen een andere richting. Over zijn geheel gelaat had zich
plotseling de plechtige rust eens dooden verbreid, en deze uitdrukking
veranderde den geheelen duur van hun gemeenschappelijken rit niet meer.
Toen zij het landhuis naderden, keerde hij, nog steeds met dezelfde
uitdrukking, haar het gelaat toe: "Maar ik verlang van u de handhaving
van de uiterlijke welvoegelijkheid zoolang, tot...." zijn stem
beefde,--"ik de noodige maatregelen om mijn eer te bewaren genomen
zal hebben. Deze zal ik u mededeelen."
Hij stapte uit en was haar behulpzaam. In tegenwoordigheid der
dienstboden drukte hij haar toen zwijgend de hand, stapte weer in de
coupé en reed naar Petersburg terug.
Kort na zijn vertrek kwam een bediende van vorstin Betsy, die Anna
een briefje bracht.
"Ik heb naar Wronsky gezonden en naar zijn gezondheid gevraagd. Hij
schrijft, dat hij gezond en ongedeerd, maar wanhopig is."
"Derhalve hij komt." dacht Anna. "Wat is het goed, dat ik alles bekend
heb." Zij zag op de pendule. "Er blijven nog drie uren over. Nu,
Goddank, dat alles met hem is afgedaan!"