Het was een groot en uitgestrekt oud gebouw, en hoewel hij het alleen
bewoonde, gebruikte en verwarmde hij het geheele huis. Hij wist, dat
het dwaas, dat het ook niet goed en dat het vooral met zijne nieuwe
voornemens in strijd was, maar dit huis was voor hem de geheele wereld,
het was die wereld, waarin zijn ouders geleefd hadden, en gestorven
waren. Het leven dat zij geleid hadden, was voor Lewin het ideaal
des levens, dat hij gedroomd had met zijn vrouw en zijn familie
te vernieuwen.
Lewin kon zich zijn moeder nauwelijks herinneren. De gedachte aan
haar was hem een heilig aandenken, en zooals haar beeld in zijn ziel
was geprent, stelde hij zich zijn toekomstige vrouw voor.
Toen hij het kleine salon, waar hij gewoon was thee te drinken,
was binnengetreden, zette hij zich in zijn leunstoel neder en
Agasija Michailowna zette zich, toen ze de thee gebracht had, bij
het venster. Nu kwam hij tot het bewustzijn, dat hij zonder zijn hoop
en zijn droomen niet kon leven; met haar of met een andere, maar het
moest zoo zijn. Hij las in het boek, dacht over het gelezene na, hield
ook dikwijls op om naar Agasija's onophoudelijk gebabbel te luisteren
en te gelijk rezen beelden uit zijn werkkring en uit zijn toekomstig
familieleven, geheel zonder samenhang, voor zijn geest. Het boek, dat
hij las, was dat van Tyndall "Over de warmte." "Dat over de kometen
is onwaar, hoewel men 't met genoegen leest," dacht hij. Plotseling
viel hem een aangenamer gedachte in: "Over twee jaar kan ik onder
mijn kudde twee Hollandsche koeien hebben, twaalf jonge dochters
van Berkus, den bul, en Pawa kan dan ook nog leven, en deze drie er
bij--prachtig!" Hij nam het boek weer ter hand. "Nu goed! electriciteit
en warmte zijn een en hetzelfde! Zou het ook stelkunstig mogelijk
zijn een oplossing te vinden door voor de eene van die grootheden de
andere te stellen? Neen. Dat doet er echter ook niets toe!... Bizonder
aangenaam zou het zijn, als dat kalf van Pawa al een groote koe was,
en die andere drie nog daar bij--Prachtig! En als ik dan met mijn
vrouw den veestapel ga bezichtigen, zegt mijn vrouw tot de gasten:
dit kalf hebben Kostja en ik zelf groot gebracht."--"Hoe kunt ge
daar genoegen in vinden?" vraagt een der gasten. "Alles wat hem
genoegen doet, doet ook mij genoegen.... Maar wie is zij? In Moskou
is iets ernstigs voorgevallen.... Maar wat er aan te doen? Ik heb er
geen schuld aan.... Maar nu wil ik een nieuw leven beginnen.... 't
Zal echter nauwelijks mogelijk zijn; mijn vorig leven zal het
beletten. Doch leven als tot hiertoe? Ja, maar beter, veel beter!"
Hij leunde met het hoofd achterover en dacht na. De oude Laska, die
de vreugd over de terugkomst van zijn meester nog niet kon inhouden
en eerst naar buiten geloopen was om daar eens goed uit te blaffen,
kwam nu kwispelstaartend binnen en schoof den kop onder zijn hand om
gestreeld te worden.
"Het spreken ontbreekt er maar aan en hij is toch maar een boerenhond,"
zei Agasija. "Maar hij begrijpt, dat zijn meester thuis gekomen en
niet goed geluimd is."
"Waarom zou ik niet goed geluimd zijn?"
"Alsof ik dat niet zou kunnen zien, vadertje! Ik moet mijn heerschap
toch wel hebben leeren kennen. Het is zoo erg niet, vadertje, als
men maar gezond en rein van hart is."
Lewin zag haar nadenkend aan, terwijl hij zich verwonderde, dat zij
zoo zijn gedachten had kunnen raden.
"Ik zal u nog wat thee geven," sprak zij, terwijl zij zijn kopje nam
en de kamer verliet.
Laska drukte nog steeds den kop tegen zijn hand. Hij streelde den hond
en ten teeken, dat nu alles in orde was, vlijde deze zich terstond
aan zijn voeten neer en verzonk in zalige rust. Lewin beschouwde de
bewegingen van het dier.
"Zoo was 't ook met mij! Maar 't is niets! Alles kan nog goed worden!"