Gelukkige huisgezinnen zijn elkander gelijk; ieder ongelukkig gezin is
daarentegen op bizondere wijze ongelukkig. In het huis der Oblonsky's
liep alles in de war. De huisvrouw was er achter gekomen, dat haar
man op te vertrouwelijken voet stond met de Fransche gouvernante,
en daarom had zij hem verklaard, niet langer met hem onder één dak
te willen leven. Dit was voor drie dagen voorgevallen en de daaruit
ontstane wanverhouding drukte evenzeer de echtgenooten zelf, als de
andere familieleden en het dienstpersoneel. Alle huisgenooten hadden
een gevoel, alsof er in hun samenzijn niet meer de rechte geest was,
alsof de gasten, die toevallig in een herberg samentreffen, meer met
elkander verbonden waren dan zij.
De huisvrouw verliet haar kamer niet, mijnheer was sedert eenige dagen
afwezig, de kinderen liepen als vergeten en verlaten door het huis
rond. De Engelsche bonne was 't met de huishoudster oneens geworden
en schreef aan een vriendin om naar een andere betrekking voor haar om
te zien. De kok had den vorigen middag reeds huis en dienst verlaten,
ook de onderkeukenmeid en koetsier eischten hun loon.
Op den derden dag ontwaakte Stipan Arkadiewitsch Oblonsky--Stiwa,
zooals hij door zijn vrienden genoemd werd--op den gewonen tijd en wel
's morgens om acht uur, doch niet in zijn slaapkamer, maar in zijn
studeervertrek op een marokijnlederen sofa. Hij keerde zijn welgedaan
lichaam nog eens op de kussens om, om nog weder in te sluimeren,
omarmde het hoofdkussen en drukte zijn wang daar stevig tegen aan,
doch eensklaps richtte hij zich op, bleef overeind zitten en opende
de oogen.
"Ja, ja, hoe was het ook weer?" hij zocht zich een droom te
herinneren. "Ja, hoe was het toch? Juist! Alabin gaf een diner te
Darmstadt, neen! niet te Darmstadt.... Het was iets Amerikaansch. Ja,
maar dan was Darmstadt in Amerika. Ja, Alabin gaf een diner op glazen
tafels, en die tafels zongen: Il mio tesoro.... Neen, niet il mio
tesoro ... iets veel mooiers.... En daar waren kleine kristallen
flesschen, en daar waren vrouwen...."
De oogen van Stipan Arkadiewitsch glinsterden vroolijk en lachend
mijmerde hij verder.
"Ja, het was heerlijk, heerlijk mooi! O! daar was nog zooveel
meer schoons,--men kan zich dat wakend in het geheel niet meer
voorstellen--dat is onmogelijk!"
Daar hij juist een streep daglicht door de rolgordijnen zag schemeren,
wipte hij vlug zijn beenen van de sofa, tastte daarmede naar de
geborduurde pantoffels, een geschenk van zijn vrouw op zijn laatsten
verjaardag, en strekte toen, zooals hij negen jaar gewoon was,
zonder zich op te richten, de hand naar de plaats uit, waar in het
slaapvertrek zijn chambercloak placht te hangen. Daar hij dien niet
vond, herinnerde hij zich, waarom hij niet in het slaapvertrek ontwaakt
was. De lach verdween van zijn gelaat, zijn voorhoofd rimpelde zich.
"Ach, ach!" zuchtte hij, terwijl de voorstelling van alle bizonderheden
van de bewuste scène met zijn vrouw bij hem het besef van de volslagen
hopeloosheid van zijn toestand en het drukkende bewustzijn zijner
eigen schuld opwekte.
"Neen, zij zal het mij niet vergeven, zij kan niet vergeven! En het
ergste is, dat alles mijn schuld is! 't Is geheel en al mijn schuld en
toch ben ik de schuldige niet. Dat is het tragische er van!" dacht hij.
"Ach, ach!" steunde hij wanhopig en herinnerde zich die oogenbllkken
van dat tooneel, die voor hem het pijnlijkst waren. 't Onaangenaamste
was dat hij, toen hij vroolijk en vergenoegd uit den schouwburg te huis
komend met een groote peer voor zijn vrouw in de hand, deze niet in het
salon aantrof en tot zijn verwondering ook niet in het woonvertrek,
maar in de slaapkamer, met het ongelukkig, alles verradend briefje
in de hand!
Zij, de altijd bekommerde en zorgvolle, de naar zijn opvatting
oppervlakkige Dolly, zat daar onbeweeglijk met den brief in de hand en
zag tot hem op met een uitdrukking vol ontzetting en vertwijfeling,
maar waarin toch nog de hoop doorschemerde, dat hij alles zou kunnen
loochenen.
"Wat is dit? Wat is dit?" vroeg zij en wees op het briefje. En
zooals het dikwijls geschiedt, kwelde Stipan Arkadiewitsch niet
zoozeer de zaak zelf, als wel de wijze, waarop hij de vraag zijner
vrouw beantwoord had. Hem overkwam, hetgeen dezulken overkomt, die
onverwachts op iets strafbaars worden betrapt. Het gelukte hem niet
zijn gelaat in de plooi te brengen, die bij zijn positie paste. In
plaats van zich beleedigd te toonen, of alles te bestrijden, of
te trachten zich te rechtvaardigen, of om vergiffenis te smeeken,
of ook eenvoudig heel onverschillig te blijven--dit alles zou veel
beter geweest zijn dan dat, wat hij nu deed: over zijn gelaat gleed
namelijk plotseling (--"een reflex der hersenwerkzaamheid," meende
Stipan Arkadiewitsch, die veel van physiologie hield--) alzoo over
zijn gelaat gleed onwillekeurig zijn gewoon, goedmoedig en daarom
zoo recht onnoozel lachje. En dit onnoozel lachje kon hij zich zelf
niet vergeven.
Toen Dolly dat domme lachje zag, was het alsof zij van pijn ineen
kromp, met de haar eigen heftigheid brak zij in een stroom van harde
woorden los en stormde het vertrek uit. Sinds dien tijd wilde zij
haar echtgenoot niet meer zien.
"Dat verwenschte lachen is de schuld van alles!" dacht Stipan
Arkadiewitsch. "Maar wat te doen? wat nu te doen?" vroeg hij zich
wanhopig af en vond geen antwoord.