wel iets over die vreemdsoortige reis heb gelezen. En--gij zijt dus
werkelijk die zeven Zwaben? Maar ik zie er maar zes...."
"O, gij bekrompen aardbewoners," viel Piller den twijfelaar in de rede,
gelooft gij werkelijk dat zes eerwaardige Zwabensche professoren u
wat leugens op den mouw zullen spelden? Wij zijn de zeven Zwaben,
die naar Mars gingen. Wij zijn twee jaar daarboven geweest, en
komen met ons zessen terug, omdat de zevende daarginds verkoos te
blijven. Begrijpt gij het nu eindelijk, man, of moet ik u nog andere
tastelijke bewijzen geven, dat wij diegenen zijn, waarvoor wij ons
uitgeven? Overigens is mijn naam Paracelsus Piller."
"Neen, neen," riep Scheufele uit, "neem me niet kwalijk, ik geloof u
op uw woord, ik was alleen maar wat in de war, en geheel van streek
door wat ik gehoord had."
"Nu, wij willen het u gaarne vergeven, onder voorwaarde, dat gij ons,
die sedert een half jaar geen warme soep hebben geproefd, een lekker
warm maal met goeden wijn voorzet."
"Maar natuurlijk, zeker, met het grootste genoegen! Komt mee, heeren,
als 't u blieft!"
"Het loopen valt ons wat moeilijk, onze ledematen zijn tamelijk
stijf geworden," deelde Stiller aan het districtshoofd mede, toen hij
eenigszins ongelukkig naast hem voortstrompelde. "Wij zijn den 7en
Maart van daarboven vertrokken, en als ik mij niet vergis, hebben wij
nu 31 Augustus. We zijn dus ongeveer 6 maanden in de gondel geweest,
een langen bangen tijd!"
"Wat ben ik er trotsch op, dat gij juist hier bij ons moest landen!"
"Het heeft maar een haar gescheeld, of wij waren nog op het laatste
oogenblik verongelukt, en niemand had dan ooit iets van ons wedervaren
op Mars vernomen. Maar ik geloof dat we hier zijn, waar we wezen
moeten."
"Gaat binnen, heeren, in mijn huis, beschouwt het alles als het uwe
en laat mij de eerste zijn, die u de moedigste reizigers, die ooit
hebben geleefd, op Duitschen bodem welkom heet. Duidt het mij niet
ten kwade, dat ik eerst nu, dien beleefdheidsvorm in acht neem,
maar ik was door uwe verrassende verschijning geheel verbluft."
Scheufele schudde ieder der professoren hartelijk de hand, en stelde
hun de overige heeren voor, die allen, de van den hemel nedergedaalde
gasten met de meeste hoogachting begroetten.
De luchtreizigers ontdeden zich allereerst van hunne pelzen en maakten
daarna gaarne gebruik van het aanbod van hun gastheer, om hunne Zware
reiskleeding tegen lichte, witte tropencostuums te verwisselen, die
hij in een aangrenzend vertrek had doen klaar leggen. Weldra waren
zij hiermee gereed, en lagen de heeren in hunne luchtige kleederdracht
in schommelstoelen onder de waranda.
Daarbuiten viel de regen in stroomen neer, en het kletterend geluid
op het dak verhoogde het gevoel van behagelijke huiselijkheid.
Scheufele zorgde intusschen voor eene hartsterking, en de zwarte
bedienden, die zonder geruisch te maken rondliepen, schonken champagne.
"Morgen moet gij onzen Marswijn eens proeven," zeide Piller tot
Scheufele, toen hij zijn glas in één teug ledigde en het ten tweede
maal liet vullen.
"Wat, hebt gij zelfs wijn van daarboven medegebracht?" vroeg Scheufele
verwonderd.
"En wat goeden!" hernam Piller. "Zelfs mijn anders alleen
waterdrinkende collega hier, professor Dubelmeier, was er niet tegen
bestand, en is voor de verzoeking bezweken!"
"Gedwongen door de omstandigheden," bracht Dubelmeier er tegen in.
"Daarover zullen wij maar niet kibbelen, Dubelmeiertje, laten wij
liever eens klinken en drinken op Zwaben en het Duitsche vaderland."
"En nu, een hiep, hiep, hoera! voor onze hoogvereerde gasten,"
zeide Scheufele tot de beambten van Matupi. Nadat het hoera-geroep
was verstomd, werd aangekondigd dat de maaltijd gereed was, en begaf
het gezelschap zich naar de eetkamer.
De heeren tastten met grooten eetlust toe, en weldra was het onderhoud
levendig en algemeen.
"Ik zal uw aankomst dadelijk naar Stuttgart telegrafeeren; wat
een groote verrassing zal dat bericht daar in het lieve vaderland
zijn!" zei Scheufele.
"Ja, doe dat," hernam Stiller. "Ik denk dat wij per extra gelegenheid
naar Duitschland zullen terugkeeren."
"Wij hebben hier een veertiendaagsche stoomvaart op Singapore, en
vandaar kunt gij natuurlijk altijd verbinding krijgen met Europa. Ik
ben blij, dat de laatste boot verleden week juist vertrokken is,
zoodat gij nog zeven volle dagen onze welkome gasten zijn moet,"
zei Scheufele lachend. "Gij zult op uw reis en daarboven wel veel
wonderlijks hebben beleefd en gezien?"
"Daarover zullen wij een paar boeken uitgeven, want onze berichten
zullen deelen vullen," antwoordde Stiller.
"En dat werk zullen wij u later zenden, als bewijs van dankbaarheid
voor uwe gastvrije ontvangst," liet Piller er op volgen. "Want wanneer
wij alles wat we hebben beleefd u mondeling moesten meedeelen,
zouden wij nog menige stoomboot moeten laten voorbijgaan; en dat
gaat niet! Wij verlangen er veel te hard naar, om nu eindelijk thuis
te komen."
"Dat kan ik mij levendig voorstellen, gij zult wel allerlei
interessante dingen van Mars hebben meegebracht."
"Zeker, morgen zullen wij u het een en ander laten zien, en daaruit
zult gij dan kunnen opmaken, op welken hoogen trap van beschaving
de bewoners van die prachtige planeet staan; die in zich het meest
verheven begrip van "mensch zijn" verwezenlijken," antwoordde
Stiller. "Wij zouden echter niet graag voor de tweede maal die
reis maken; niet alleen is zij vol gevaren, maar ook ontzettend
vermoeiend. Het was niet onze eigen verdienste, maar louter toeval,
dat wij de reis heen en weer door het luchtruim onder betrekkelijk
gunstige omstandigheden konden volbrengen. En toen wij van morgen
juist over Queensland zweefden, en voornemens waren op Brisbane aan
te sturen, overviel ons plotseling de orkaan en dreef ons hierheen."
"Het is zeker zeer te betreuren dat gij tot besluit van uw buitengewone
reis nog in een cycloon terecht moest komen. Zooals ik hoorde, heeft
de storm op andere eilanden van den archipel zwaar gewoed. Maar ik
ben dien wervelwind toch dankbaar dat hij u, de beroemde zonen van
Zwaben, hierheen heeft gedreven!"
"O gij vleier!" zei Piller tot Scheufele. "Maar nu zouden wij u toch
oprecht dankbaar zijn, wanneer gij ons een bed wildet wijzen, want
dat hebben wij langen tijd moeten ontberen."
De reizigers werden nu bij de verschillende beambten te Matupi onder
dak gebracht, en weldra lagen zij allen in een diepen, rustigen slaap.
Nog dienzelfden avond verzond Scheufele het telegram naar Stuttgart.
Toen de reizigers zich den volgenden morgen door een bad in het
frissche water van de golf hadden verkwikt, kwam er reeds antwoord uit
Stuttgart. Zoowel het stedelijke-, als het Staatsbestuur heetten de
reizigers van harte welkom op aarde, en verzochten tevens om bericht
betreffende den heer Frommherz, daar van hem geen melding was gemaakt
op de lijst der teruggekeerden.
"Frommherz vrijwillig op Mars achtergebleven. Expeditie volkomen
gelukt. Twee jaren daarboven geweest. Hopen binnen vier weken te
Stuttgart aan te komen.
Stiller."
Met bewondering bekeken Scheufele en de beambten de inrichting van
de gondel, die Stiller hun liet zien en verklaarde. Nog meer waren
ze verbaasd over de uit zilver en goud vervaardigde kunstproducten,
en over de vele en kostbare geschenken der Marsieten. Het Gulden
Boek vond men helaas niet meer terug. Daar de gondel gedurende den
nacht gesloten was geweest, viel aan diefstal niet te denken en nog
te minder, daar de Papoea's geen verstand hadden van de waarde van
het boek. Men moest daarom wel tot de veronderstelling komen, dat
het boek door een der kleppen van de gondel in het heelal gevallen
was. Het was een onherstelbaar verlies dat de geleerden zeer ter
nederdrukte. Eindelijk echter kreeg de vreugde over de behouden
terugkeer de overhand over alle treurige gedachten.
Piller stond er op, de heeren van Matupi te onthalen op het kleine
restant van den Marswijn. Zij verklaarden allen nog nooit zulk een
fijnen en geurigen wijn te hebben gedronken.
De dagen die men te Matupi doorbracht, werden gebruikt voor het
inpakken van alles wat men had meegebracht en het opbergen der
instrumenten. Ballon en gondel zouden later verpakt en naar huis
gezonden worden.
Precies den 7en September in den vroegen morgen stoomde de Venus de
haven binnen, en ging tegenover de factorij van Matupi voor anker. Na
een hartelijk afscheid vertrokken de heeren nog dienzelfden avond.
"Wat een merkwaardig toeval!" zeide Stiller tot zijne tochtgenooten,
toen zij het zich 's avonds aan boord van de stoomboot gemakkelijk
hadden gemaakt. "We komen van Mars, varen op de Venus door de blauwe
golven der Zuidzee terwijl, zooals Scheufele mij zeide, te Singapore
ons de "Stuttgart" wacht, die ons naar Genua brengen zal."
Een week later kwam de boot te Singapore aan. Reeds bij het binnenvaren
der ruime haven, was de Venus, met de beroemde Zwabensche passagiers
aan boord, het voorwerp van veler belangstelling.
De talrijke in de haven liggende schepen van alle mogelijke natiën,
waren gepavoiseerd, en zelfs de Maleische prauwen en de Chineesche
jonken waren feestelijk getooid.
Van de vestingwerken werden saluutschoten gelost toen de Venus langzaam
naar hare aanlegplaats stoomde.
Op plechtige wijze werden de moedige Marsreizigers, door het bestuur
van Singapore en de diverse consuls begroet. Daarna had in de
feestelijk versierde zaal van de Duitsche club het onvermijdelijke
feestmaal met de daarbij behoorende redevoeringen plaats. De heeren
waren blij, toen zij na al dat feestgewoel in de tropische hitte van
Singapore, goed en wel op het dek van de "Stuttgart" zaten die, nadat
de gevierde passagiers aan boord waren gekomen, het anker lichtte en
de straat van Malakka instoomde.
"Gevoelt gij weer niet dien ouden tegenzin, tegen al die officieele
huldebetoogingen, die toch in den grond der zaak, alle den stempel
van onwaarheid dragen," vroeg Piller aan zijn vriend Stiller.
"Het gaat mij als u," antwoordde Stiller. "Deze luidruchtige feesten,
waarbij ieder zijn eigen ik zooveel mogelijk op den voorgrond dringt
vormen eene schrille tegenstelling met de waardige harmonische wijze,
waarop te Angola feest wordt gevierd. Bij de Marsieten voelden wij
ons dadelijk thuis. Hier beneden krijgen wij al dadelijk weer dat
onbehagelijke gevoel in den omgang met de groote menigte. Men voelt
als bij instinct, dat al die woorden van waardeering--die als een
zondvloed neerkomen op dengeen, die bij het een of ander ondernemen
meer noemenswaard succes heeft gehad dan een ander--in de meeste
gevallen althans, volstrekt niet gemeend zijn."
"Gij drukt precies mijne gedachten uit," zei Dubelmeier, die het
gesprek der beide vrienden had gevolgd. "Ik moet u eerlijk zeggen,
dat ik van al die feestmalen en feestredevoeringen al genoeg had,
toen ze nog nauwelijks waren begonnen."
"Nu, wij zullen dat nog wel eenige malen moeten verduren, voor wij
weer ongestoord in onze studeerkamer kunnen werken," hernam Piller.
"Ja, daar zal wel geen ontkomen aan zijn. Wat een geluk dat wij
hier op zee nog wat kunnen uitrusten vóór dat het spektakel in ons
vaderland weder begint," zei Dubelmeier.
Maar reeds in Colombo kregen zij eene nieuwe en verbeterde uitgave
der feesten ter eere der zeven Zwaben, en toen de "Stuttgart" te Suez
kwam, verzocht de Egyptische regeering, de eer te mogen hebben hen
te Caïro te ontvangen.
Na twee dagen feest te hebben gevierd, kwamen de Marsreizigers
eindelijk weder op de boot terug, die nu direct koers zette naar
Genua. Daar kwamen de reizigers in het begin van October aan, en zetten
na eene driejarige afwezigheid weer den voet op Europeeschen bodem.
HOOFDSTUK X.
IN HET VADERLAND.
De reis der heeren geleek een ware triomftocht. Half versuft door al
het lawaai der laatste dagen, kwamen de professoren aan het station
Hazenberg aan, waar beneden Zwabens hoofdstad zoo schilderachtig
is gelegen.
Ofschoon het herfst was prijkte alles in rijken bloementooi. De
terugkeerenden werden opgewacht door vertegenwoordigers van het Hof,
de Tübinger Universiteit, het Stedelijk Bestuur, in het wit-gekleede
meisjes, muziekcorpsen en een onafzienbare menigte.
Reeds gedurende de reis door Zwaben luidden alle klokken, niet alleen
van al de stations die de trein aandeed, maar van alle dorpen in
den omtrek.
Een donderend hoera begroette den met bloemen omkransten trein,
toen hij 's middags om vier uur uit de Hazenberger tunnel te
voorschijn kwam. De vereenigde muziekcorpsen uit Stuttgart zetten
een welkomsthymne in, die speciaal voor deze gelegenheid, door den
muziekdirecteur Klingel was gecomponeerd. Toen begonnen in de stad de
klokken te luiden, het gelui plantte zich voort tot in de voorsteden,
en herinnerde aan dien Decemberavond, nu drie jaren geleden, toen de
heeren hun stoutmoedigen tocht naar Mars aanvingen. De verschillende
toespraken gingen verloren in het algemeen feestgejoel.
Men nam in de electrische automobielen plaats.
In de eerste zaten de zes teruggekeerden, ieder met een reusachtigen
bloemenruiker in de hand. Langzaam ging het voorwaarts, door de zich
verdringende en juichende menschenmassa, naar de rijk met vlaggen
getooide stad.
In het Marquardthôtel stond men de gelukkig teruggekeerde maar
blijkbaar afgematte geleerden toe, een oogenblik rust te nemen;
daarna moesten zij zich echter opofferen aan de gezelschaps-vormen.
In feestelijken optocht, onder het luid hoera-geroep der steeds
toestroomende menigte, werden de geleerden geleid naar de nieuwe,
grootsche muziekhal. Daar zou de officieele begroeting plaats vinden.
In de groote feestzaal wachtte een uitgelezen gezelschap uit de
hoogste kringen der hoofdstad, de professoren op, die, toen zij de
zaal binnentraden, met luid gejubel werden ontvangen.
De voorzitter, Graaf van Neckarthal, heette in hartelijke bewoordingen
de moedige luchtreizigers welkom, die door een opstijging naar Mars,
eenig in haar soort, niet alleen hunne namen onsterfelijk gemaakt,
maar ook het aanzien en de eer van het vaderland in de beschaafde
wereld hadden verhoogd. Zwaben was trotsch op zijn zonen en zou daaraan
uiting geven door op de Cannstatterweide, de plaats vanwaar zij eens
waren opgestegen, een obelisk te doen verrijzen, vervaardigd uit
vaderlandsch graniet, waarop de namen der deelnemers aan de expeditie
en de verschillende data zouden worden gegrift.
Er wachtte hun nog meer eerbetoon, want een daad als zij hadden
verricht, kon niet genoeg worden gehuldigd. In naam der Regeering,
overhandigde hij ieder der heeren een gouden lauwerkrans, waar op
een der bladeren de naam van den eigenaar en de data van de Marsreis
waren gegraveerd.
Na de overhandiging der kransen, die door fanfares was vergezeld
gegaan, begon het eigenlijke feestmaal.
Zeer verstandig was vooraf besloten, dat gedurende den maaltijd geen
redevoeringen zouden worden gehouden. Toen de tafel was afgeloopen,
beklom Stiller het podium aan het einde der zaal om van daar het
schitterend gezelschap toe te spreken.
"Geëerd gezelschap! In mijn naam en in dien van mijne reisgenooten,
dank ik u allereerst voor de hartelijke ontvangst, die gij ons hebt
bereid. Die heeft ons zeer getroffen; duidt het ons echter niet ten
kwade, wanneer wij u vriendelijk verzoeken van verdere huldebetuigingen
tegenover onze bescheiden persoonlijkheden te willen afzien. Wat wij
hebben gedaan, wat wij hebben ten uitvoer gebracht, was alleen mogelijk
omdat we daarbij buitengewoon veel geluk hebben gehad. Waar de mensch
echter alleen zijn doel bereikt door een gelukkigen samenloop van
uiterlijke omstandigheden, daar staat, wat hij zelf deed, inderdaad
niet zóó hoog als gij schijnt te moeten aannemen. Juist op Mars
waar een volk woont met eene zeer idealistische levensopvatting, eene
grenzelooze waarheidsliefde en eene ontzettende zelfkennis, daar hebben
wij geleerd, alles op de rechte waarde te schatten en waar en streng
jegens ons zelf te zijn. Met eene zekere zelfoverschatting gingen wij
eens van hier, en wij komen terug met eene kalme nuchtere kennis van
ons zelf en onze krachten. Daarvan is ons verzoek het gevolg.
"En nu zij het mij vergund in korte trekken een beeld te ontwerpen
van die wonderbare wereld daarginds, waarin het ons vergund was
twee volle jaren te vertoeven. Ik wil beginnen met u mee te deelen,
dat het in ons plan ligt, ons wedervaren vast te leggen in een boek,
waarin ieder het dan naar welbehagen kan nalezen. Nadat wij van de
Cannstatterweide waren opgestegen, kwamen wij, na een tocht van drie
maanden door het aetherruim, in tamelijken welstand op Mars aan. Daar
vonden wij menschen, die ons met groote gastvrijheid opnamen. Naarmate
wij meer bekend raakten met de taal der Marsbewoners, kregen wij ook
meer en meer een inzicht in hun leven, zeden en gebruiken.
"Met steeds grootere verbazing leerden wij daar eene levensopvatting
kennen, zóó volmaakt, als wij nooit voor mogelijk hadden gehouden.
"Datgene wat wij ons vroeger hier als levensideaal hadden gedroomd,
we vonden het daarboven op de planeet, als heerlijke werkelijkheid
terug. Daarboven leeft een menschengeslacht, dat ons in ontwikkeling
eeuwen vooruit is. Daarboven is een werkelijk Eden. Daarboven leiden
allen het menschwaardige bestaan, waarover hier op aarde al sedert
jaren en jaren slechts wordt geredeneerd.
"Hoe zou ik in deze korte oogenblikken kunnen uitwijden, over die
heerlijke natuurlijke moraal, die de richtsnoer is van die hoogstaande
menschen daarboven! Ik zou niet alleen u daarmede vermoeien, maar
ook de vroolijke stemming storen, waartoe onze terugkeer aanleiding
gaf. Zooals ik u reeds heb gezegd, zult gij later door onze boeken
kunnen kennisnemen van het resultaat onzer expeditie. Nu kunt gij mij
met recht vragen: Waarom zijt gij uit dat Eden weer teruggekeerd in
het tranendal, dat onze aarde nu eenmaal is? En daarop antwoord ik u
eerlijk: Wij zijn ook slechts noode vertrokken! Niet dat men ons heeft
weggezonden,--geenszins! Men liet het gaan of blijven aan ons zelf
over; maar nadat wij hadden ingezien, dat wij het hoogstaande volk
van Mars geen enkelen dienst, van welken aard ook, konden bewijzen,
en die het loon had kunnen zijn voor de ons verleende gastvrijheid,
was het niet meer dan behoorlijk, dat wij terugkeerden naar de aarde,
naar de Moeder, aan wie wij ons bestaan hadden te danken.
"Alleen Fridolin Frommherz, kon niet tot een terugtocht besluiten,
hij bleef daarboven achter, als de eenige levende getuige van ons
bezoek aan die planeet.
"Onze aankomst op Matupi is u bekend. Ten slotte willen wij aan het
Zwabensche museum de geschenken afstaan, die men ons daarboven op Mars,
in het heerlijke Angola, in de ure des afscheids, ter herinnering heeft
meegegeven. Wij hebben die dingen niet noodig. Als een sprookje vol
schoonheid, vol bekoring en vol licht, zal de tijd van ons verblijf
op die planeet, zoolang wij ademhalen, in onze herinnering blijven
voortleven; en als er sprake kon zijn van eene zielsverhuizing naar
een der verwijderde sterren, dan zou ik niets vuriger wenschen, dan
dáár te mogen ontwaken wanneer ik hier eenmaal het hoofd zal hebben
ter ruste gelegd."
Stiller verliet het podium.
Onder doodsche stilte had de vergadering naar zijne woorden geluisterd,
en op menig gelaat stond diepe ontroering te lezen, toen Stiller met
spreken ophield.
Zóó had men de zaak zich toch niet voorgesteld!
Waar was eensklaps de luide feestvreugde gebleven? In de beklemmende
stilte, die in de zaal heerschte, trad Klingel als reddende engel
op. Hij zwaaide den dirigeerstok, en de vriendelijke tonen van de
opwekkende muziek deden weldra de oude vroolijkheid terugkeeren.--
Men had het toch hier op aarde ook goed, waarom dan naar Mars te
reizen? Een tocht als die der zeven Zwaben, zou niemand hen nadoen. De
vroeger zoo opgewekte mannen waren als menschenhaters teruggekeerd. Zij
hadden beter gedaan met thuis te blijven.
Dat was het oordeel van velen dergenen, die eerst laat in den nacht
van het feest huiswaarts keerden.
INHOUD
Blz.
I. Voorbereidingen 5
II. Het vertrek der Wereldreizigers 24
III. Tusschen hemel en aarde 39
IV. Op Mars 70
V. Lumata en Angola 101
VI. In het land der Uitgeworpenen 131
VII. Het afscheid 146
VIII. Een afvallige 158
IX. Weder op aarde 166
X. In het Vaderland 183