WAMBACH.

Dit buitengoed, zooals in de eerste afdeeling vermeld is, behoorde

in de 15^{de} eeuw aan de Heeren van Holtmolen; vervolgens ging het

over aan de familie van Hùndt en van Glazennap. Den 14 Februari 1757

verkochten Joachim Reinhold Baron van Glazennap en diens gemalin Anna

Elisabeth Louisa geboren van Hùndt, aan Wilhelm Frederik baron van Olne

Heer tot Olne, Soumagne St. Hadlain, Baarlo enz., en Theodora Maria

Josepha geboren van Meerwijk echtgenooten, het goed Wambach met ab- en

dependentiën.

Baron d’Olne, Heer te Berck verkocht aan _Arnold Hamboch_,

protestantsch prediker te Kaldenkerken, zijn goed Wambach met ab- en

dependentiën, onder dezelfde voorwaarden als de verkooper het aanvaard

had van baron van Glazennap. Berck 31 April 1762. Wambach kwam nader in

erfenis toe aan Joannes Giezen; diens afstammelingen verkochten het als

pachthoeve aan den Heer Krauwerts uit Kaldenkerken. Ook Wambach is zeer

aangenaam gelegen en met grachten omringd.

§ VIII. Missiehuis te Steijl-Tegelen.

Het plan om een seminarie of kweekschool op te richten ter opleiding

van duitsche missionnarissen voor China, Mongolië en andere heidensche

landen, werd in 1874 opgevat door de Zeer Eerw. Heeren doctor J. von

Essen, pastoor te Neuwerk in het aartsbisdom Keulen en Arnold Janssen,

rector te Kempen, tevens redacteur van het maandschrift »kleiner

Herz-Jesu-Bote”, en vroeger gedurende twaalf jaren professor in de

natuurkunde aan de hoogere burgerschool te Bocholt. Eerstgenoemde was

voornemens deze grootsche onderneming in Duitschland of in Oostenrijk

tot stand te brengen; doch de kerkvervolging aldaar noodzaakte hem

voor als nog van zijn voornemen af te zien. Nu meende de Wel Eerw.

Heer Janssen de taak op zich alleen te moeten nemen. Hij vestigde

zijne aandacht op Nederland voor wier bewoners de stichting, zijns

inziens, ook dienstbaar behoorde gemaakt te worden. Al spoedig was

de goedkeuring van een twintigtal bisschoppen, benevens die van H.

Em. den Kardinaal Franchi, prefect der Propaganda te Rome en der drie

Kardinalen uit Oostenrijk verkregen. De Eerwaarde stichter wenschte

zijne inrichting zooveel mogelijk op de Duitsche grenzen en op een

centraal punt te zien verrijzen. Daartoe scheen Steijl onder Tegelen

hem zeer doelmatig; hij kocht te dien einde in Juli 1875 aldaar het

huis met aanhoorigheden van den Heer J. Ronck. De personen, die het

onderricht geven en het huis bestieren, zijn reeds gevonden, zij zijn:

een Nederlander, een Luxemburger, een Oostenrijker en een Duitscher.

De eerste met name Smorenburg, tot hieraan pastoor te Bredevoort, in

het Aartsbisdom Utrecht, heeft achttien jaren in China doorgebracht,

een Chineesch-Fransch woordenboek vervaardigd, en gedurende vijf jaren

onderwijs gegeven in het Fransch aan kinderen van mandarijen te Peking;

daarvoor werd hij meteen der hoogste ridderorde van China beloond. Hij

is belast onder anderen met den cursus in de Chineesche taal.

De inspraak Gods volgende, en steunende op den zegen des Heiligen

Vaders, Pius IX, en de aanmoediging van zoo groot aantal kerkvoogden,

verlaat zich het bestuur in de toekomst op de offervaardigheid der

goedgezinden. In voornoemd maandschrift van Juli 1875, sluit de Eerw.

Heer Janssen een artikel dienaangaande, als volgt: »laten we bemerken,

dat met den aankoop van bovengemeld huis en tuinen onze geldelijke

middelen zijn uitgeput; doch wij hopen, dat de H. Joseph, dien wij

gesmeekt hebben om onze voedster-vader te willen wezen, ons verder door

bemiddeling van gegoede lieden zal bijstaan. Moge ons de christelijke

liefde niet vergeten en de rijke en voorname bij den middelbaren burger

niet willen achter staan”.

Het huis werd den 15 Augustus, namens den Bisschop van Roermond,

plechtig ingezegend door den Hoogeerwaarden Heer deken van Venlo. Op

aanvrage werd nog dienzelfden dag per telegraaf van wegen den Kardinaal

Antonelli ook de goedkeuring en den zegen des H. Vaders ingewonnen.

Eenige studenten genieten er thans onderwijs.

§ IX. Beurzenstichtingen.

_A. Stichting door den Weleerw. Heer Johan Peter Freybeuter voorheen

pastoor te Tegelen, gemaakt den 24 Dec. 1844[49]._

1. Ter eere Gods en tot bevordering van het heil der geloovigen,

stichtte deze vrome priester eene studiebeurs bij den

aartsbisschoppelijken stoel van Keulen; waartoe hij aan dezen schenkt

en onwederroepelijk afstaat: den koopprijs van 22 morgen lands, vrij

van alle schulden en hypotheek, en gelegen te Holtzweiler bij Erkelens.

2. Het bestier dezer stichting alsmede het fonds zelf, stelt hij in

handen van den tijdelijken Aartsbisschop van Keulen; met de bevoegdheid

de personen aan te wijzen aan welke, en de regels volgens welke de

uitkeeringen moeten geschieden.

3. Uit de opbrengst dezer goederen zal vooreerst eene beurzenportie

gevormd worden. Zoodra deze portie met afkorting der onkosten 80 thaler

overschreidt, zal deze som, (en ook de heele stichtingsom, indien

zij niet verpast zoude zijn,) strekken tot vestiging eener _tweede_

beurzenportie; en zoo op gelijke wijze gezorgd worden voor het tot

stand brengen eener _derde_ en eindelijk _vierde_ portie.

4. Tot genot van deze portiën laat hij vooreerst toe zijne

bloedverwanten, die roeping en aanleg toonen voor den priesterlijken

staat. Bij gebrek van dezen bevoegt hij daartoe katholieke jongelingen

geboortig uit de parochiën Holzweiler, Tegelen bij Venlo en Waldorf

aan het Voorgebergte; bij voorkeur aan jonge lieden van minder gegoede

ouders en die tot den geestelijken staat geroepen schijnen.

5. De vergeving dezer studiebeurzen zal den tijdelijken aartsbisschop

van Keulen toekomen. Ingeval er meerdere bloedverwanten of ook

meerdere aspiranten uit de voormelde parochiën zich aanbieden, blijft

het recht aan den Aartsbisschop van den éénen vóór den anderen aan te

nemen. Wanneer eene portie te verleenen open staat, zal zulks tweemaal

achtervolgens in genoemde parochiën worden afgekondigd.

Geteekend op ’t oorspronkelijke: Johan Peter Freijbeuter. † Joannes

von Geissel. Frans Oehl. M. J. Antons. S. P. Tier, Notar.

Zoo gedaan te Keulen op het bisschoppelijk paleis op dag en jaar als

boven.

_B. Stichting van den Weleerw. Heer Wilm Smiets uit Belfeld in leven

pastoor te Benschop bij IJsselstein, den 3 Februari 1845[50]._

Op aangehaalden datum beschikte deze pastoor bij testament als volgt:

aan de na te melden bestuurders zal na mijn overlijden onder aftrek

van lasten, uit mijne nalatenschap worden ter hand gesteld de som van

8500 guld. ned. welke zal strekken tot fonds eener studiebeurs voor

studenten die zich voorbereiden en opgeleid worden tot priester der R.

C. Kerk.

De toelage zal gedurende de eerste vijftig jaren aan niemand worden

verleend, dan aan leden mijner familie, die zich tot den geestelijken

stand begeven, en beurtelings moeten worden toegekend aan een’

student van vaders en moeders zijde. Indien echter twee mijner

bloedverwanten te gelijk mochten studeeren, zal door elk de helft

kunnen genoten worden, zoodanig, dat bij het ontstaan van meer dan twee

bloedverwanten, de naaste in den bloede boven den meer verwijderden en

de oudste boven den jongeren in jaren, den voorrang zal hebben.

Na verloop van deze eerste 50 jaren, zal uit dit fonds aan een’

bloedverwant bij voorrang, en bij ontstentenis van deze, beurtelings

aan een’ student uit de gemeenten Belfeld en Kaldenkerken, eene

tegemoetkoming worden verstrekt. Doch aan een student, die niet

bloedverwant is, alleen dan, wanneer die buiten staat is om uit eigene

middelen in de kosten der studiën te voorzien en volgens het oordeel

der bestuurders de noodige geschiktheid voor den geestelijken staat

bezit.

Indien zich geene studenten aanbieden, hetzij bloedverwanten of

studenten uit Belfeld en Kaldenkerken, zullen de revenuën tot kapitaal

moeten worden aangelegd ter verbetering en vergrooting van het fonds.

Tot bestuurders dezer beurs benoem ik de tijdelijke pastoors van

Belfeld en Kaldenkerken, die in werkelijken dienst zijn, en geef hun de

macht van bij vermeerdering van het fonds, en na verloop der eerste 50

jaren, de toelage te regelen, naar behoefte der studenten en daarvan

naar goedvinden aan meer dan een gelijktijdig genot te doen hebben.

Ik benoem tot provisoren de tijdelijke pastoors van Venlo en Tegelen,

ten einde op het bewind der bestuurders toezicht te hebben en hunne

raadgevende stem bij elke belangrijke verrichting uit te brengen. Ik

geef aan de bestuurders de bevoegdheid, om voor hunne moeiten jaarlijks

vijf per cent der revenuën in rekening te brengen.

Gedaan te Benschop den 3 Febr. 1845.

Geteekend: W. Smiets, W. Beukenboom,

W. Houtdijker en Imminck, Notaris.

§ X. Armwezen.

Van oudsher reeds bezat de parochie Tegelen eenige fondsen tot

ondersteuning harer armen. Reeds in 1590, zooals wij vroeger bemerkten,

hadden dezen een vast inkomen. Den 1 Maart 1627 beschikte Engelbert

van Metternich, Heer van Holtmolen, als volgt: »overmits Stephan

Beekmans, Geisbert Kamp en Thys Weggers schepen des gerichts Tygelen

end syne huysvrouw Margaretha von Smidt, verklaart hij, dat de goederen

seijner huysvrouw sullen toekomen aen hare susters (salvo usu fructu),

dan aen de armen van Tygelen 400 venloische gulden, en van den dagh

af sijner doodt tot die syner vrouwe 5 percent sullen gegeven worden.

Alsnog twee malder tot instituirung van arme kinder mit vorbehald, dat

de bezitters van Holtmolen daerover opsicht hebben sullen”. Ten jare

1743 bezat de arme alhier nagenoeg zeven en een’ halven morgen lands.

Door het armbestuur was den 11 December 1749 een kapitaal van 1200

kleefsche daler ter leen gegeven ad 3 per cent aan het kapittel der St.

Martinuskerk te Emmerik, en den 13 November 1750 aan hetzelfde kapitel

een ander kapitaal groot 600 daler kleefs. In 1783 werd overeengekomen

dat beide sommen zouden gebracht worden op 300 _hollandsche ducaten_

ad 3 per cent. Tot in 1803 zijn deze intresten behoorlijk ten gunste

der armen uitbetaald geworden. Sedert dien echter heeft het zich anders

toegedragen[51].

Nog genoot, sinds 1750, de arme den interest van een kapitaal groot 200

gl. kl. geschonken door _Mathis Deckers_ en kinderen. In 1757 werd door

een’ onbekenden een huis gelegateerd voor de armen. Thans heeft het

bestuur gezorgd voor drie armen-woningen. Ook Mevrouwe _van Volden_,

eigenares van het kasteel de Munt, heeft zich, op het einde der vorige

eeuw, als weldoenster getoond der armen van Tegelen, door het stellen

eener vaste rente. Edoch de voornaamste inkomsten aan den arme leverde

nog altijd de zoogenoemde _agrische_ stichting.

Zekere Doctor _Agris_ stichtte in het begin der vorige eeuw te _Bracht_

een armen-fonds ter voordeele der parochiën _Mulbracht_, _Tegelen_

en _Breijel_[52]. De jaarlijksche renten beloopen voor den armen

van Tegelen ongeveer 24 Rijksdaler, en moeten aan vijf der oudsten

en meest behoeftigen verstrekt worden. De bezitter van het goed

Holtmolen is _collator_ of uitdeeler dezer inkomsten. De bedeeling

moet geschieden op alle Quatertemperdagen, in dier voege, dat na twee

jaren er genoegzaam overschiet om aan deze armen het noodige linnen te

verschaffen. De tijdelijke Prior der Kruisheeren te Bruggen was benoemd

tot procurator dezer stichting, en de dienstdoende pastoors van Bracht,

Tegelen en Breijel traden op als provisoren. Volgens uitdrukkelijk

verlangen des stichters moest telken twee jaren voor genoemde Heeren

rekening afgelegd worden, ten einde de getrouwe uitvoering van alles

te waarborgen. Ten dezen ontstond groote moeielijkheid met den baron

van Glazennap over de jaren 1748 en 1749. Deze heer placht zelf te

bedeelen; doch behalve dat de provisoren geen bescheid kregen over

de uitgaven, werden de huis-armen ten zijnent alles behalve gunstig

bedacht. Zelfs het gemeentebestuur had noodig geoordeeld zich de zaak

aan te trekken, en diende eene klachte in aan de hoogere regeering. Het

duurde niet lang of van wege deze verscheen eene terechtzetting uit

Dusseldorp ten adresse van Baron van Glazennap.

Daar de huisarmen van Tegelen ook van elders goed bedacht werden,

heeft men bij wijlen de renten der Agrische fundatie doen strekken

tot vermeerdering van het fonds. Maar ook dit gaf aanleiding tot

moeielijkheden met de provisoren van Bracht en Breijel, zoo dikwijls

het zich gold renten te plaatsen. Wij lezen intusschen dat ten jare

1796 op alle Quatertemperdagen behoorlijke uitbetaling geschiedde van

de som van 24 Rijksdaler en 2½ stuiver.

§ XI. Broederschappen.

De Broederschap van _O. L. Vrouw_ alhier is zeer oud. In het jaar

1583 vinden wij haar vermeld, als hebbende haar eigen vaandel in de

processie. Sedert 1640 genoot zij aanzienlijke inkomsten. De leden

ervan gaven doorgaans 50 kl. gulden jaarlijks aan de kerk, en 10 gulden

aan den koster. De pastoor werd betaald naar evenredigheid van de

gezongene H. Missen. Deze broederschap betaalde jaarlijks aan tienden 3

kop rogge en een’ kapoen aan de keurvorstelijke regeering.

Van niet minder oude dagteekening is de _St. Antonius-broederschap_.

Hoewel zij het schuttersgezelschap vertegenwoordigde, was zij

toch een godsdienstige vereeniging van mannen en jongelingen. Wij

vinden nergens dat zij ten dienste van den keurvorst heeft gestaan.

Volgens eene rekening van 1585 op perkament geschreven, bezat de St.

Antonius-broederschap aan jaarlijksche inkomsten: vijf malder rogge

en 40 kl. gulden. Daarbij hadden de gilden- of St. Antonius-broeders

jaarlijks eene ton bier te verteren. Trouwens zoo was het in 1789.

Peter Vervoort, ontvanger dezer Broederschap, betaalde toen ook een

onbeduidende som aan de kerk. De koster ontving jaarlijks twee malder

rogge voor zijne diensten; daarmede was Hulsterhof belast.

De aloude St. Antonius-broederschap, hoewel in vorm en inkomsten zeer

gewijzigd, blijft steeds bloeiend voortleven onder de benaming van

de _alde schutterij_. Bij het jaarlijksch vogelschieten, alsmede op

eersten kermis-Maandag heeft een statige optocht plaats. Nauwelijks

is het dag of de tambour kondigt door trommelslag de feestelijkheid

aan. De schutters vergaderen op bepaald uur voor het huis des

schutters-koning of van den kastelein, bij wien de gewone bijeenkomsten

plaats hebben. Voor ettelijke jaren waren ze met jachtgeweren en

roeren, thans ook met lanssen gewapend. Het korps bestaat uit een’

tambour-majoor die den stoet vooraf gaat, uit grenadiers en de gewone

schutters. Alles, ook het commando, herinnert aan den tijd, dat

Tegelen onder het keurvorstelijk gezag stond; de majoor kommandeert te

paard en draagt tot teeken zijner waardigheid eenen chapeau-claque,

dikke épauletten, een lijfgordel en ruitersabel. De grenadiers

dragen colbakken, en op een vroeger blauwen thans zwarten jas, roode

épauletten; de uniform is mettertijd herhaaldelijk gewijzigd. De

schutterkoning, omringd door eene eerewacht draagt den zilveren vogel

en is overladen van zilveren gedenkplaten. Deze platen, gehecht aan

een zilveren keten aan welks uiteinde de vogel hangt, zijn geschenken

deels van bloedverwanten en vrienden des konings, deels van den koning

zelven. Bedoelde vogel zegt men een geschenk te zijn van den keurvorst

van Beijeren. Het is een kunstig gegraveerd havikje van zwaar zilver.

Boven den vogel hangen drie zilveren bellen in den vorm van eikels, op

elk dezer leest men afzonderlijk POV † LES † W † N † T † A † F † en W

† M † S † I † A † H †. De rij van platen bestaat uit: 1^{o} Een hart

met het opschrift: _Jonkheer Godart van Stockheim_. 2^{o} Een dito met

opschrift: _Jost op gen Steijl_. 3^{o} Een dito met _Peter aen gen

Cruts_, en 4^{o} met _Meichell Rivers_ tot opschrift. 5^{o} Volgt een

zilveren hart, tamelijk zwaar en dienende tot klamp; op den voorkant

ziet men het beeld van _St. Martinus_ benevens het jaartal 1614; op de

keerzijde staat _Michiel Kremers_. 6^{o} Een hart met het afbeeldsel

van een vaandrig met vaandel, opschrift _Gerardus Peeters_. 1733.

7^{o} Eene zilveren ster waarop staat afgemaald een man zittende aan

tafel terwijl de waardin hem een glas aanbiedt, daaronder leest men:

_Wilhelm Rivers_ 1737. 8^{o} Eene plaat waarop St. Martinus te paard is

afgebeeld; opschrift: _Jacobus Krusbergen_ 1744. 9^{o} Een groote plaat

met het borstbeeld van Koning Willem I, daaronder het ronde opschrift:

»Wilm I souvereine vorst van Nederland heeft Tegelen aangetreden 1811”.

10^{o} Eene plaat waarop een zadelaar zit aan de werktafel; opschrift:

_G. Wellens_. »Das Satler hantwerk ist, das macht viel leichter reiden,

Mein Schatz, drom liebe mich, ich mach euch mange Freude 1818”.

11^{o} Een idem, waarop verbeeld zijn een’ slager met zijne huisvrouw

benevens een os. Daaronder de namen H. Peuten, C. Joosten. Vervolgens:

Lustig und dapper

Zijn die vleischhakker,

Bringen 1000 thaler bei

Und kauffen vette oksen ein. 1819.

12^{o} Een idem, voorstellende eene tapperij waaronder men leest:

David König ehmals Hirt,

Ich nun König bleib’ doch Wirt.

A. Peeters 1820.

13^{o} Een idem, waarop:

Ik schoot den vogel voor den eersten keer,

Om te krijgen des konings eer.

P. Faessen 1821.

14^{o} Een idem, opschrift:

Ik schoot den vogel voor den tweeden keer,

Om te krijgen des konings eer.

P. Faessen 1822.

15^{o} Een idem, beeld van een pannebakker met eene vorm en zetplank in

de hand, volgt:

Ich hab das vögelein geschossen und genommen,

Das sehet ihr alle freude ein, die königs ehr bekommen.

Jacobus Denissen 1823.

16^{o} Een idem met het vers:

Als König bin ich auserkoren,

Doch nur in bauernstand geboren,

Den der vogel war an mein,

So kan ein Bauer auch König sein.

H. Vervoort 1824.

17^{o} Een idem:

Gelijk Duitslands grootste slagt,

Was mijnen naam

Ik heb ’t nu zoo ver gebracht,

Dat ik hier als koning staan.

P. van Leipsig 1825.

18^{o} Een idem:

Toen ik nog was een jongezel

Schoot ik den vogel snel,

En nu ik ben in echten staat

Zie ik, dat ’t ook nog gaat.

A. Peeters. P. Joosten 1826.

19^{o} Een idem, met het afbeeldsel van een’ molen, rechts een molenaar

met meelzak en links een koning met kroon, volgt:

Vandaag in konings gewaad,

Morgen in mulderspak,

Zoo goed mij nu het zilver staat,

Past mij ook den meelzak.

H. Aarts 1827.

20^{o} Een idem met het beeld van eene schijf, waar men potten op vormt

en het volgende opschrift:

Ik zit hier op mijn troon

Met luister hoog verheven

De scepter dien ik toon

Doet mij als koning leven. P. Rulkes 1829.

21^o Een idem met opschrift:

Ik schoot den vogel neer

Voor den eersten keer,

Ook had ik daarbij de eer

Schoot den vitsvogel neer.

L. Timmermans 1830.

21^o Een idem, waarop staat: In 1834 logeerde _P. van Leipsig_ koning

van Tegelen, in het wapen van Leopold I koning van België.

22^o Een idem met de woorden: _Godfried Krambrucher_, Prins van Bracht,

en Koning van Tegelen. Vandaag op den troon, en morgen op de schijf,

heb ik nu het zilver op het lijf; het zegt gelukkig niemand aan ’t

kleivat. 1835.

23^o Een idem, met opschrift:

In 1820 als koning voor den eersten keer,

In 1826 wederom die eer,

In 1836 in ’t zelfde gewaat,

Staan wij in den Engel paraat. A. Peeters.

24^{o} Een idem, op deze staat:

Lees hier wie lezen wil

Dat ik in 1837 den 30 April

Timmermans Andreas

Koning der schutten was.

25^{o} Een idem van Wilm Faessen uit 1838 met het volgend politiek

versje:

Ziet hoe wonder het gaat,

Eenen Wilm poetst de plaat,

Een anderen Wilm komt terug

En heeft de plaat op zijnen rug.

26^{o} Een zilveren ster met het opschrift: Ter herinnering der

50jarige echtvereeniging van den Weledel geboren Heer G. J. de Rijk en

Mevrouw G. J. de Rijk geb. Th. H. M. de Koning. Steijl 24/9 1822-1872.

Wat deze St. Antonius-broederschap voornamelijk doet bloeien, is het

daaraan toegevoegde ondersteuningsfonds, strekkende tot tegemoetkoming

voor zieke en afgestorvene leden. Dit fonds, doorgaans de schuttersbus

genoemd, werd in 1835 opgericht en telde alstoen 27 thans 150

deelnemers. Als eerste _stichters_ staan ingeboekt: H. Kappus, Laur.

Hermans, Pet. van Leipsig, Godf. Krambrüchers, Jan Wellens, Math.

Rijvers, Ant. Peeters, Jac. Koopmans, Jan Hovens, And. Timmermans. Aan

deze tien, en bij ontstentenis aan hunne opvolgers, blijft onder den

naam van _stichters_, het beheer der bus opgedragen. Twee hunner houden

elken Zondag na de Hoogmis een uur zitting in een vrije kamer, door

den koning of bij stemming, tot vergaderplaats der leden aangewezen.

Van drie tot drie maanden worden deze _busmeesters_ of _zittende

stichters_ door twee andere vervangen, en wordt in tegenwoordigheid

van alle leden de rekening afgelegd. Van deze schuttersbus kunnen lid

worden alle ingezetenen der parochie beneden de dertig jaren oud, mits

van een onbesproken gedrag en een gezond ligchaamsgestel[53]. Zij

betalen, behalve het inschrijvingsgeld, elken Zondag _vijf centen_. Na

twee jaren lidmaat te zijn geweest heeft men, bij geval van ziekte,

”aanspraak op dagelijks 33 cents, gedurende een half jaar; daarna bij

voortduring der ziekte nog een half jaar op iets minder; duurt echter

de ziekelijkheid nog langer, dan verkrijgt men geene toelage meer uit

de bus, doch blijft des niet te min nog lid der Broederschap. Bij

sterfgeval betaalt de vereeniging den lijkdienst, doodkist enz. Alle

leden zijn op straf van 15 cents gehouden den lijkdienst bij te wonen.

Op gelijke boete moet elk lid tegenwoordig zijn bij de twee voornaamste

processiën en bij die, welke alle eerste Zondagen der maand in de

kerk of over het kerkhof gehouden worden. Dezelfde bepaling geldt ook

betrekkelijk de hoogmis, die jaarlijks voor de afgestorvene leden

wordt opgedragen. Voor de gelden van inschrijving en boete bestaat een

afzonderlijke kas, daaruit alsmede uit eene bijdrage der busgelden

wordt jaarlijks eene som ter beschikking gesteld aan de leden, die

daarmede zich op St. Antonius en St. Martinusdag recht hartelijk

vermaken. De bus der St. Antonius-schutterij heeft thans eenige gelden

op intrest uitgezet.

Met eenzelfde doel, en bijna op denzelfden voet ontstond in 1846

de Broederschap van _St. Martinus_. Ter onderscheiding van de St.

Antonius-broederschap of de _alde schutterij_, noemt deze zich de

_St. Martinus-_ of de _jonge schutterij_. Ook deze vereeniging werd

in christelijken zin opgericht. Den 11 November 1846 vormde zich

eene commissie samengesteld uit Joannes Franssen, Gerard Roggen en

Hendrik Driessen, en meerdere belanghebbende; deze wendde zich tot

den toenmaligen pastoor van Tegelen met verzoek om goedkeuring der

ontworpene Broederschap, en verlof tevens om in de processiën op H.

Sakramentsfeest en op Maria-Hemelvaart te mogen tegenwoordig zijn;

terwijl zij zich harerzijds verplichten:

_a_. Die plaats in de processie te zullen innemen, welke de pastoor

zal goedvinden. _b_. Op St. Martinusdag eene hoogmis te laten doen,

en dien dag zonder dans-muziek te zullen vieren. _c_. De processie te

vergezellen met of zonder muziek volgens verlangen des pastoors. _d_.

De leden straffen, die zich te dier gelegenheid door dronkenschap of

andere baldadigheid zouden te buiten gaan. _e_. Zich op kermis-Zondag

en Maandag stiptelijk op het teeken der klok ter kerke te zullen

begeven. Ook dit gezelschap houdt jaarlijks vogelschieten, en heeft

een zoogenaamde _Bus_, waardoor in de behoefte van zieken, enz. wordt

voorzien.

Ten slotte zij nog melding gemaakt van het zoo gunstig bekende

_fanfare-gezelschap_ alhier. Deze Vereeniging, ontstaan in 1853, is

talrijk, en heeft zich door vlijt en kunstgevoel tot zekere hoogte

weten te verheffen. Zij vond zelfs in eenige steden, waar zij zich deed

hooren, onbeperkten bijval.

Meer dan eens heeft zij een gewaardeerden dienst bewezen aan onze

ingezetenen, door der godsdienstige en burgerlijke feestvieringen

nieuwen luister bij te zetten.

§ XII. Feesten.

Het is bekend, dat de kermissen haren oorsprong en naam

ontleenen aan het feest, waarop men den verjaardag vierde van de

inwijding der parochiale-kerk. Men noemde dit in de middeleeuwen

_kerkwijding--kerkenfeest_. Dien dag werd alle arbeid gestaakt; de

ingezetenen hulden zich in hunne paaschbeste kleeding en togen ter

kerke; want zoo sprak men: _Vandaag is het Kerkmis of kermis_. De

eigenlijke kerkmis-dag voor deze parochie valt op den 11 November,

feest van den H. Martinus, doch sedert jaren is het dan geen kermis

meer.

Uit eene aanteekening van het jaar 1681 vernemen wij het volgende

betreffende onze feesten[54]. »Jaarlijks wordt op Zondag na

St. Bartholomeus of laatsten Zondag van Augustus het feest van

_Kerkwijding_ gevierd[55]. Alsdan men de mis _Terribilis_, waarna

processie over het kerkhof, terwijl _Te Deum_ wordt gezongen: de

plechtigheid wordt gesloten met den zegen des Allerheiligste.” Op dezen

dag viert men nog heden de zoogenaamde _Herfstkermis_ of groote kermis.

»De _Theopheria_ of H. Sakramentsprocessie wordt gehouden op Zondag

onder de octaaf van het H. Sakramentsfeest. Alsdan komt een der Eerw.

Paters uit Venlo het sermoon houden onder de hoogmis, en wordt daarna

de processie ingesteld, ofwel over Kruis, Hagenboomke, Overtegelen, op

Steijl en vandaar kerkwaarts, na aan de vier statiën den zegen gegeven

te hebben; of door het dorp langs de Munt over de Haenerhei verder over

Hagenboomke, Kruis weer naar de kerk.” Gemeenlijk worden deze wegen

bij afwisseling gevolgd; ter gelegenheid dezer plechtigheid wordt de

_eerste of kleine kermis_ gevierd. »Op St. Marcus dag, zoo lezen wij

verder, is het gebruik processie over het kerkhof te houden. In de

Kruisdagen, als het gunstig weder is, trekt men den eersten dag langs

_End_ over de _brug_ kerkwaarts; den tweeden dag over de brug langs den

_alde mert_, en den derden dag door het dorp over de _Munt_ door de

_Bongaartsstraat_ naar de kerk.” Men volgt, bij deze gelegenheid ook

thans nagenoeg denzelfden weg.

Vóór 1681 was het gebruikelijk, dat na de processie op H.

Sakramentsfeest de voornaamsten des dorps, ten getalle van 20 à 25

man, zooals: de pastoor, de pater, de gezworenen of schepenen, de

zangers enz. in eene daartoe bepaalde herberg vergaderden en op kosten

der kerkfabriek aldaar het middagmaal gebruikten. Deze onkosten, zoo

wordt vermeld, kon de kerk in de toekomst niet meer dragen uithoofde

harer graote behoeften. Naar wensch des pastoors en der hoogere

geestelijkheid is dit gebruik dan ook achter wege gebleven.

Even als elders wordt in onze gemeente, ’s avonds voor den feestdag

van den H. Martinus, het _St. Martensvuur_ ontstoken. Dit geschiedt

doorgaans op vier plaatsen. Te weten: een eerste op den Berg dat

gemeenlijk gebluscht is, vooraleer de overige gereed zijn. Een tweede

op de Leemhorst; dit onderscheidt zich door de vele daar naast staande

brandende stroofakkels; is dit uitgebrand dan maken de Tegelsche en

Steijler knapen zich gereed. Na drie maanden lang voor een stevigen

en hoogen brandstapel te hebben gezorgd, door hout en stroo bij een

te »trossen”, heeft men geen haast om ’t ontsteken; want de eer

komt aan hen, wier vuur het langste brandt. De Tegelschen stoken

hun St. Martensvuur op den _Spekberg_; en de Steyler hebben hunnen

brandstapel op eenen heuvel ook den _Spekberg_ genaamd opgericht, beide

verhevenheden zijn de hoogste punten van den omtrek.

Vóór 25 jaren maakte het _gansrijden_ een deel uit onzer volksfeesten.

Deze vermakelijkheid had plaats op vastenavond. Meestal werd de gans

gereden in de thans weggeruimde laan, in de richting van af den alde

mert naar den Linksterhof. Somtijds gebeurde dit ook op een of ander

gehucht. Daags na het gansrijden, op vastenavond-Dinsdag, werd een gul

middagmaal aangericht voor de mededingers naar den gansenkop. Deze

pret heeft nu plaats gemaakt voor eene soort tentoonstelling op het

marktplein door gemaskerde personnaadjes.

§ XIII. Handel en Nijverheid.

Het gehucht Steijl, door zijn gunstige ligging op de Maas, alsmede

wegens zijn ruime en voor schepen en karren zeer gemakkelijke

losplaats, bezat onder de Keurvorstelijke regeering, onder de Fransche

Republiek en het Keizerrijk een’ zeer belangrijken expéditie-handel. De

naburige Rijnprovincie had deze plek gekozen tot stapelplaats voor de

goederen, die zij uit Frankrijk, Belgie en Holland trok en omgekeerd

uit Duitschland derwaarts verzond. De toevoer was destijds zoo groot,

dat de menigte pakhuizen dikwijls de groote hoeveelheden zout, olie,

pek, granen en koloniaal-waren niet konden bergen. Wie toenmaals een

paard bezat in onze gemeente was ook vrachtvoerman. Goederen werden

hier aangevoerd of afgehaald voor de steden Keulen, Dusseldorp, Neuss,

Urdingen, Gladbach, Vierssen, Kempen, Dulken, Breijel, Kaldenkerken,

enz. De goedkoope prijzen van los- en pakgeld deden er veel aan, dat de

handel den voorkeur aan Steijl gaf boven andere plaatsen. Zoo betaalde

de eigenaar of koopman van goederen slechts 12 centen voor het lossen

en bewaren van goederen die, om het even hoeveel, door eene kar konden

vervoerd worden.

De inlijving van Tegelen bij het Koningrijk der Nederlanden bracht

een gevoeligen slag toe aan den handel te Steijl. De Pruissische

zoutfactorij, vroeger aldaar gevestigd, werd in 1816 naar Kaldenkerken

overgeplaatst. De drukte was nu op verre na zoo groot niet meer

als voorheen. Toch bleef van 1822 tot 1830 de koloniaal handel nog

altijd beduidend. Dagelijks kwamen honderde smokkelaars uit Pruissen,

koffij, rijst, tabak enz. inkoopen om die ter sluiks over de grenzen

te brengen. Doch nadat sedert 1830 het verkeer op de Maas met Holland

gesloten was en Steijl tot Belgie behoorden, was de handel hier niet

levendiger dan elders; zelfs de overeenkomst van Londen in 1833, die

de Maas vrij maakte, kon dien niet meer doen herleven; de tijden waren

voorbij.

Ook de scheepsbouw, vroeger alhier bloeiend, liet van lieverlede na;

en toen stoombooten de Maas bevoeren, zag men zelden meer, dat hier

schepen gebouwd werden.

De nijverheid daarentegen en het fabrieken-wezen hebben in de gemeente

Tegelen in bloei toegenomen. Een bewijs dienaangaande is de in het

oog loopende aanwas der bevolking. Men vindt hier een aantal pannen-,

steen- en pottenfabrieken, eene ijzergieterij en pletterij; tabak en

cigarenfabrieken enz., die aan een groot gedeelte der inwoners een

goede broodwinning verschaffen. Wat de potten- en pannenfabrieken

aanbelangt, mag men veilig aannemen, dat zij de oudste tak der

Tegelsche nijverheid vormen. Men herinnere zich, wat wij aanvankelijk

nopens den naam en den oorsprong van ons dorp hebben gemeld, en wat wij

hebben gezegd over de ontdekking van overblijfsels van pannenbakkerijen

uit het romeinsch tijdvak. De Tegelsche pannen zijn, zoowel wegens

hare sterkte als gladheid en schoone kleur, alom gezocht; de meesten

worden naar Duitschland en België verzonden. Op het oogenblik werken 17

fabrieken. De pottenfabrieken alhier, vroeger zestien, thans vijf in

getal, tierden voornamelijk van 1821 tot 1830. Men kon toen niet genoeg

waren leveren aan de kooplieden uit Nassau en aangrenzende streken.

Deze lieden kwamen jaarlijks omstreeks Paschen uit Holland, waar

zij schepen huurden, herwaarts, en na eenige weken hier vertoefd te

hebben, voerden zij de ingeladen koopwaren naar Rotterdam, Amsterdam,

Groningen, Middelburg, Antwerpen, Brussel enz. Sommigen lieten

zeeschepen tot Steijl opvaren en namen ladingen in voor Bordeaux,

Marseilles en de Spaansche zeehavens. Bij wijlen had de Steijler

losplaats dan ook het aanzien van een kleine zeehaven. In 1835 liet

hier een Hannoveraansch kofschip Theclanette genaamd, het anker neder;

het was groot 38 last en laadde toen 33000 ned. pond zwart goed voor

Rouaan in Frankrijk, bestaande uit koffijkannen, melkpotten, melkbaren

of schotels, braadpannen en ander keukengereedschap.

De kleinste soort van aardewerk, zooals b. v. een spaarpotje of een

nachtegaalsfluitje, noemt men een _kwart_; een thee of koffijpot kan

drie à vier _kwart_ uitmaken; dit is de maatstaf van berekening bij het

koopen en verkoopen in aanmerkelijke hoeveelheid. Deze pottenfabrieken

benevens pannenbakkerijen verbruiken jaarlijks voor 60 tot 70 duizend

gulden aan brandhout, behalve de steenkolen. De glazuuraarde of

Bleiertz, welke men gebruikt, om aan het aardewerk een zwart- of

bruinglinsterende kleur te geven en ten onzent _loot_ wordt geheeten,

komt uit den Eiffel. Het looten, nadat de waar _zonnebak_ is, pleegt

het werk van den baas der fabriek te zijn. Niet onjuist wordt het

werktuig, dat de arbeider door middel zijner voeten in beweging brengt,

terwijl hij met natte vingeren den noodigen vorm aan de te maken potten

geeft, vergeleken bij een spinnewiel; vandaar dat men nog wel zegt:

potjes-spinnen.

Sedert een tiental jaren worden te Tegelen door de fabriekanten Jac.

Gitmans, Theod. Gitmans en Steph. Engels aarden buizen gefabriceerd,

die in groote hoeveelheid veelal naar België worden verzonden; deze

worden gebruikt voor waterleidingen, schoorsteenen enz.

In 1854 hebben de Heeren H. Kamp en F. Soeten hier een nieuwen en

zeer belangrijken tak van nijverheid in werking gesteld. Het zijn de

ijzerpletterij, ijzergieterij en meni-fabriek. Zij worden door stoom

gedreven en verschaffen aan een aantal lieden arbeid in overvloed. Deze

fabrieken werken voornamelijk voor de Provincie, doch ontvangen ook

vele bestellingen uit Hamburg en uit de Hollandsche zeehavens. Er zijn

wijders drie tabaks- en twee cigarenfabrieken, vier bierbrouwerijen

wier naam zeer gunstig bekend staat. De vijf jeneverstokerijen zijn

thans tot een enkele verminderd. Behalve zes en vijftig herbergen telt

men ruim twintig winkels van allerlei koopwaren.

Ook zijn er vijf slachterijen, die volop aftrek hebben, ofschoon

ook het gebruik van paardenvleesch bij de arbeidende klasse niet in

minachting staat; sinds ettelijke jaren worden gemiddeld 12 paarden per

jaar geslacht.

Chronologische beschrijving van Tegelen benevens aanteekeningen over Belfeld en Steijl · 第 16 / 20 题