HET ONVERMIJDELIJKE.

Brak er na haar dochters verloving voor mevrouw Van der Hoeve door

Olga’s herhaalde afwezigheid een eentonige tijd aan en bezochten Olga’s

vriendinnen mevrouw zelden in die dagen, wetende het meisje niet thuis

te treffen, na het huwelijk leek mama het huis nog veel meer

uitgestorven.

De vriendinnen ontving Olga nu natuurlijk in haar eigen home, en sedert

zijn zuster getrouwd was met Bogaerts ging Erik’s weg ook vaker naar

hen dan naar de oudelui. Zijn vrienden, nu er zoo weinig „jeugd” meer

thuiskwam, bracht hij heelemaal niet meer mee. Bovendien, mama kon soms

zoo zaniken!

Tante Sophie klaagde dan ook steen en been en zei, dat haar huis wel

een graf leek. Want aan Loes had ze niets. Die holde maar naar de

hartsvriendin, die ze er tegenwoordig op nahield. Loes viel echter

altijd uit de lijn, flapte altijd onhebbelijke dingen uit

mal-apropos,—en dan, ’t kind werd zoo leelijk, iets wat zéér mevrouw

kon hinderen, ze kon er niets aan doen. Verder: wat had ze nu aan

Mieke, sedert die een school opdiepte? Niemendal!... En nu hamerde

Egbert er zelfs nog op Johanna weg te doen. Geen denken aan...

Allerakeligst was het, wat ze door Mieke’s vlugheid en handigheid

ontwend was, weer zelf te moeten aanpakken. Nooit kon ze ’s morgens

meer eens een wandelingetje in het park maken, terwijl dit juist haar

gestel zoo ten goede kwam... Als ze het niet liet om den vrij aardigen

kostprijs, dien Mieke betaalde, zou ze er werkelijk feestelijk voor

bedanken altijd rekening met haar te moeten houden, gezwegen nog van de

verantwoording, die op je rustte. Toen Mieke dezen zomer ziek lag,

hoeveel malen was zij, Sophie, toen wel naar boven geloopen? Ze wist ’t

waarlijk niet!... Loes holde en draafde tot je er dood-zenuwachtig van

werd; de meiden nam ze in beslag door extra voedselbereiding,—het

kostte je wat al last en moeite! Ze knapte, een pak was ’t van tante’s

hart, na een veertien dagen weer wat op, Mieke; ze kon ook mee naar

buiten, waar men een zomerhuisje gehuurd had, er zelf kokend en

huishoudend, heel aardig; er waren nogal logé’s geweest, en ’t werd een

leuke zomer. Mieke kon toen gelukkig wel weer met Johanna den boel

waarnemen, zoodat het ten slotte toch nog goed in orde kwam met het

buiten-zijn, maar ’t had er toch leelijk om gespannen.

Met dit al, tante Sophie zou het leven gruwelijk saai gevonden hebben,

zoo ze Olga niet vaak had bezocht. Bij haar vond ze althans een deel

terug van wat haar levenslang boeide, wat een deel van haarzelf

uitmaakte. Daar trof zij een weelderig gezelschap, luxe, amusement;

haar egoïstische, genotzuchtige natuur vroeg niet naar diepere

grondslagen voor haar levensbevrediging, zij had genoeg, overvloedig,

aan blinkenden schijn, en vermaakte zich. Hoe fanée en lusteloos thuis,

bij Olga herleefde zij, werd zij de mondaine dame, die aardige dingen

kon zeggen en zich te kleeden wist.

Oom Egbert werd oud, opvallend oud, het laatste jaar, en toch was hij

nauwelijks zestig. Hij had zorg, zware zorg... Een geschoten bres in je

financiën stop je ook niet zoo een-twee-drie. De voorafgegane jaren

hadden zulke voor hem buitensporige uitgaven geëischt, daarbij vorderde

zijn verwachting omtrent herleving der zaken zóó weinig, dat het tekort

blééf. Men had altijd groot-op geleefd van de zaak; kapitaal vergaard

had hij niet. De uitgaven hadden hem nooit in staat gesteld over te

houden van wat er inkwam, tenminste zéér weinig. En dit weinigje

„verschwund” geheel als sneeuw voor de zon sedert al de kostbare

noodzakelijkheden geëischt werden tegenover de Bogaertsen. Zelfs het

geld, wat hij nu-en-dan van Mieke geleend had, dit onmiddellijk weer

aanzuiverend, zelfs dàt moest hij den laatsten tijd op ongeloofelijke

dingen uitpingelen. Oom Egbert deed nog steeds gewichtig, hij sprak nog

altijd met een breed, deftig zakenmannengebaar, maar toch, een

opmerkend menschenkenner kon hem wel eens plotseling scherp aanzien.

Was daar iets wankels in zijn manier van doen, in z’n stem? iets

onrustigs in z’n oogen?

Hij ploeterde maar alleen verder, niemand kon hij spreken over zijn

zorgen, onmogelijk... En hij hoorde, hoe deze zóóveel verdiend had met

speculeeren, en die zóóveel. Zij misten hun invloed niet op hem, deze

verhalen... Als je maar gewikst was kon je nu je slag wel slaan. Maar

je moest voorzichtig wezen, niet waaghalzerig, bezadigd. Je kon bij

voorbeeld met een luttel inzetje beginnen,—alleen maar voor de

aardigheid, niet om ’t een-of-ander, volstrekt niet, alleen zoo-maar

es. Je kon nooit weten, nietwaar?... Bovendien, zou hij met z’n eigen

geld, een paar centen, niet eens een kansje nemen, waar hoopen

kennissen van hem vermogens hadden verdiend? Hij had waarachtig al

genoeg pech de laatste jaren, zachts dat hij nu eens een voordeeltje

kreeg! Hij zou wel gek zijn als hij ’t ook niet eens probeerde.—En hij

won.

Hij won nogmaals... en hij won weer... ook verloor hij nu-en-dan een

beetje, maar meestal won hij. Hij zag langzamerhand heel duidelijk in,

dat het toch niet zoo gevaarlijk was om eens wat te wagen. Wie deed het

niet tegenwoordig?... Onzin, om er je zoo benauwd over te maken. Als je

maar voorzichtig bleef, voorzichtig... Hij vond er aardig baat bij,

kwam er weer wat van in z’n financieel fatsoen, om zoo te zeggen.

Jammer alleen, dat hij niet eens méér kon besteden...

Van Mieke’s kapitaaltje wilde hij hiervoor niets gebruiken... ofschoon,

kwaad kon ze er niet aan! Wanneer ze verloor zou hij natuurlijk uit

eigen middelen ’t ontbrekende suppleeren.

Toen kwamen er langzamerhand slapelooze nachten, waarin kansen en

winstberekeningen door z’n hoofd dansten als dronken duiveltjes, waarin

hoop en angst elkaar begonnen te verdringen,—tot de roes der duiveltjes

eindigde in een slap neervallen en zoowel de angst als de hoop

verslagen werden door de zekerheid verloren te hebben,

onherstelbaar,—en niet slechts het geld van zichzelf, doch ook dat van

een ander... Het zweet brak hem uit, toen de waarheid hem duidelijk

werd. Wat hemzelf betrof, dat redde zich nog wel,—maar Mieke! Op den

duur, als hij Sophie en de kinderen tot bezuinigen dwong, kon hij met

’t kantoor ’t nog wel klaarspelen, maar tot stikkens benauwde hem het

denkbeeld hoe hij zich tegenover het kind moest verantwoorden. Hij zag

niet de flauwste kans het ontbrekende aangezuiverd te hebben vóór

Januari. Stel, dat ze bij haar besluit bleef geheel zelfstandig haar

eigen weg te gaan en haar eigen boel te bestieren! Iedere maand bracht

hem nader tot die mogelijkheid... Misschien echter zou Sophie haar tot

blijven overhalen, maar mocht dat, als dit tegen wil en dank werd

bereikt? Mochten zij uit puur eigenbelang het meisje exploiteeren? Hoe

zou z’n moeder dat gevonden hebben, en z’n broer, die hem altijd

onvoorwaardelijk vertrouwden?... Strafbaar was hij zelfs!...

Ontzettend, wat had hij er zich ingewerkt... Goedmaken bleek een

hersenschim. Met groote moeite slechts kon hij staande blijven.

En Januari kwam,—en het ontbrekende was níét gesuppleerd!

Reikhalzend had Mieke uitgezien naar den dag van haar verjaring, den

dag, waarop ze wist vrij te zullen worden. Toen evenwel de beslissing

gevallen was wist zij niet wat te doen. Zij schrok terug voor nieuwe

botsingen en ook smartte het haar zeer, nu het erop aankwam, oom Egbert

en Loes te moeten verlaten. Ze had nooit vermoed, dat dit haar zóóveel

zou kosten, dat dit bijna opwoog tegen de wetenschap nu te kunnen gaan

waarheen ze wilde. En nooit had ze geloofd, dat het vooral om oom

Egbert zou zijn dat ze draalde haar wensch tot vertrekken kenbaar te

maken. Hij was zoo veranderd, zoo stil en teruggetrokken. Zij geloofde

hem ziek en had zoo’n medelijden met hem. Zij kwam in tweestrijd. Wat

moest ze doen?... Al haar met zooveel moed opgebouwde plannen laten

varen?... Ze voelde, hoezeer zij ’t noodig had onder den druk van dit

gezin vandaan te komen, waar altijd haar gedachten, haar bewegingen,

haar vreugde, haar heele persoonlijkheid aan banden lagen, waar ze

loopen moest in het gareel, dat men haar aanwees... Ach neen, bepaald

over iets te klagen had zij niet meer, maar toch, soms walgde het leven

haar hier... Dan berekende ze ook weer het goede ervan: ze mocht nu

toch immers haar brood verdienen! Was ze niet vrij?... Maar vrij zooals

ze het altijd gehoopt had?... Neen,—doch haar verwachtingen van die

vrijheid zouden misschien óók teleurgesteld worden... Hiér echter had

ze totaal geen verwachtingen meer; hier zou het nu altijd zoo blijven

als ’t thans was, en begeerde ze dàt dan? Vrij, in den zin, zooals zij

dat opvatte, werd ze hier niet, nóóit, nooit méér dan nu.

Zij wist niet wat te doen, zij wist het niet.

De verjaardag was reeds een maand voorbij en nog steeds had zij niets

naders met oom Egbert besproken.

De kleine dametjes raakten ook in de war bij Mieke’s

wankelmoedigheid... Ja, als ze er zóó tegenop zag te vertrekken wisten

zij al niet wat ze raden moesten. Juffrouw Roosje meende echter: in

ieder geval moest Mieke oom Egbert vragen haar in te lichten. Dan kwam

men vanzelf tot meer positieve ideeën.

Toen schreef Mieke aan juffrouw Wije, en deze deelde juffrouw Roosje’s

oordeel.

„Als je blijft, moet je blijven omdat je wilt of omdat het ergens

noodzakelijk voor is,” schreef zij terug. „En dit dien je natuurlijk

met jezelf uit te maken. Maar niets belet je met je oom te spreken en

te vragen hoe de zaken staan. Dit moet je weten, zou ik zeggen, omdat

je geen klein kind meer bent en je oom sterfelijk is. Dat zal hij je

ook niet kwalijk nemen.”

Heelemaal gerust stemden zelfs juffrouw Wije’s woorden haar niet. Ooms

verontwaardiging bij haar ook maar even aarzelend beroep op haar recht

in deze stond haar nog al te duidelijk voor den geest. Iets

onverklaarbaars hield haar telkens terug erover te beginnen.

Tot onverwachts Olga radikaal den doorslag gaf.

Een middag bij haar moeder op bezoek zijnde, bracht zij het

gesprek—expres?—op Mieke’s vroegere voornemens. Polste zij haar nichtje

volgens tante Sophie’s verlangen?... Er kwam onwil in Mieke, als zoo

menigmaal bij Olga’s niet steeds diskreet dringen in wat zij voor

Mieke’s gedachtengang hield. Nooit ontzag zij fijner sentiment in ’t

nichtje, altijd bleef er een wanklank in beider verhouding, voelde

Mieke het beste in haar gekwetst, onpiëteitvol aangevat. Nog geheel

onklaar met zichzelf nam, onder Olga’s vragen, haar willen gedurig

vaster vorm aan, voelde zij weer duidelijk dien prikkel tot verweer,

verkilde er iets in haar, dat haar stroef maakte en ontoegankelijk.

Heur hart bonsde... Behóéfde zij dien killen meerderheidstoon van Olga

nog te verdragen?... En ze antwoordde, de oogen neergeslagen, de

gelaatsuitdrukking beheerscht: neen, ze bleef hier niet...

Haar dralen werd opgeheven. Het groote woord was eruit vóór ze ’t wist.

Duidelijk zei ze ’t: „Ik wil buiten een school zoeken. Ik wil mijn

eigen weg gaan. Wat ik later zal doen weet ik nog niet, maar voorloopig

wil ik eens heelemaal tot mezelf komen. Als tante het dus goed zou

vinden, dat ik hier blijf tot ik iets gevonden heb...”

Tante Sophie stotterde van boosheid.

„Dat... dat... is mooi!” riep ze. „Maar ik heb ’t wel geweten, hoe’n

ondankbaar kind je bent, dat al onze goedheid verguist.” Ze hield niet

op, ze had geen woorden genoeg om haar ergernis te luchten.

„Stil toch, mama,” kalmeerde Olga op haar bedaarde manier, „ik heb het

u immers altijd wel gezegd, dat we haar liever niet in huis hadden

moeten nemen.”

Wanneer er één geluidje van liefde had geklonken in beider woorden,

Mieke zou gezwicht zijn en gebleven. Maar neen, geen zweem van

begrijpen trof haar op de gezichten tegenover haar, geen sprankje

sympathie maakte haar thans ’t harte week. Zij zag terug op een donker,

eentonig verleden. En vóór haar lag noodend de nieuwe, blijdere koers,

straalde het lokkend licht van een gulden, illusievolle toekomst,—ze

zou gaan! vrij en zelfstandig... Het werd warm in haar en hoopvol en

heerlijk; zij voelde zich enthusiast en moedig nu ze wist, éindelijk

zeker wist!

Onmiddellijk bij z’n thuiskomst vroeg ze oom Egbert te spreken.

Blijkbaar overvallen door dit verzoek schrok hij, zich dadelijk

beheerschend, welwillend zeggend: „Mij spreken? Best, kind, tot je

dienst. Vanavond dan,” hij kuchte, deed moeite opgewekt te schijnen.

„Waarom zooveel plechtstatigheid?”

Even blikte ze verwonderd op bij den klank zijner stem en overviel haar

een gewaarwording van sterke terughouding. Maar zij dwong zich dapper

te blijven om oom te kunnen overtuigen van haar rechtmatig, krachtig

verlangen. Het gold haar toekomst!

Na den eten begaf oom Egbert zich naar boven. Tante Sophie, wier

toespelingen den heer Van der Hoeve reeds duidelijk inlichtten over

welk onderwerp Mieke hem te spreken wenschte, ging naar Olga om daar

nog eens terug te komen op haar alleronaangenaamste ondervindingen.

Loes was, als meestal tegenwoordig, naar haar hartsvriendin.

Het werd heel stil in huis.

Langen tijd bleef Mieke alleen in de huiskamer, overwegende of ze

wachten zou tot oom haar riep dan wel zonder uitnoodiging te gaan... De

minuten verstreken, men riep haar niet... Toen besloot ze oom Egbert

een kop thee boven te brengen, en handelende als ze dacht, liep ze

langzaam de trap op, met kloppend hart. Was het goed, wat ze doen ging:

heur leven in eigen hand nemen, menschelijkerwijs gesproken?... Maar

niet twijfelen nu! Hàndelen.

Zij klopte aan ooms kamerdeur.

„Binnen.”

„Uw thee, oom Egbert.”

„Dank je, Mieke. Ga zitten. Ik wachtte al op je.”

Zij voelde zich oogenblikkelijk ontwapend bij zijn vriendelijken toon

en nam plaats. Rustiger ook werd zij. Oom scheen niet heftig of

driftig, als laatst. Zou hij haar nu misschien beter begrijpen?

Ze nam hem eens op, terwijl een zwijgen de kamer vulde, en de één het

beginnen van den ander verwachtte. Hij zat half in de schaduw van het

lamplicht, zoodat de lijnen van z’n gezicht, daardoor verdonkerd, nog

meer deden uitkomen hoe zijn trekken verouderd waren in den laatsten

tijd. Zenuwachtig streek hij met z’n hand over z’n voorhoofd. Haar

medelijden ging weer met stroomen naar hem uit, en toch, hoe haar

andere keeren ook aan ’t weifelen brengend, nu miste het totaal deze

uitwerking. Integendeel, meer-en-meer voelde zij haar verlangen

stabiliseeren, haar verlangen, dat zich uiten moest,—er mocht dan van

komen wat wilde! Geen spoor van aarzeling behoefde ze op ’t laatst meer

te bestrijden; nu ze eenmaal tegenover hem zat wilde en kon zij niet

meer terug. Tè duidelijk sprak haar vrijheidsverlangen. Ze wilde haar

eigen jonge leven leven; zij voelde er zich toe in staat om met

nauwgezet zelfonderzoek er iets beters en nobelers van te maken dan wat

zij er tot-nu-toe van gemaakt had onder voortdurenden druk, onder

geheel anderen vorm dan waarnaar haar hart uitging.

Het duurde lang vóór zij goed-en-wel had uitgesproken, en oom Egbert

vroeg zich af of dit meisje met heur warm gezichtje, stralend van hoop

en leven, in wier glanzende oogen de vreugde blonk harer groote

verwachtingen, of dit meisje de stille, bescheiden Mieke was, die zoo

bedaard haar gang kon gaan en zoo zelden verried wat er in haar omging.

Hij zag het: dit kind bond hij niet.

„Laat me hier blijven tot ik weet waarheen ik gaan zal.” En ze

herhaalde wat ze tante Sophie reeds zeide: „Ik wil voorloopig buiten

eens tot mezelf komen. Dan ga ik daarna weer aan de studie... En, oom,

ik wilde u verder verzoeken mij ook eens m’n positie te verklaren. Ik

weet volstrekt niets van wat ik bezit. Als ik de wereld inga zal ik ook

op den duur mijn eigen geld moeten leeren beheeren,—u is sterfelijk,

zegt juffrouw Wije, en dat is zoo, nietwaar?”

Oom Egbert had onbeweeglijk naar haar geluisterd. Onafgebroken rustte

z’n blik op haar gloeiend gezichtje. Geen spier op z’n gelaat vertrok,

doch bij haar laatste woorden werd hij wit tot de lippen.

„Verlang je dat uitdrukkelijk?” vroeg hij eindelijk langzaam en met

schorre stem.

Wederom in verwondering sloeg zij heur oogen op. Even week ze terug.

„Als... als u ’t tenminste wilt,” stamelde ze.

„Het is immers je recht,” zei hij scherp eensklaps. „Dat heb je laatst

immers zelf gezegd.”

Zij stond verward. Maar ze kon zich spoedig herstellen.

„Wilt... wilt u het mij dan liever niet zeggen?” vroeg ze. Waarom

verzette oom Egbert zich toch steeds zoo tegen dit verzoek?

„O, zeker, zeker. Maar wat zijn je beweegredenen tot die vraag?”

onderzoekend en onrustig ging zijn blik.

Ze hàd dit immers reeds duidelijk gezegd? Maar ten overvloede herhaalde

zij het, vervolgend: „Ik weet, dat moeder grond had naast het land van

Wije. Grootmoeder sprak er wel eens over.”

„Dat is indertijd allemaal verkocht.”

„En een klein boerderijtje...”

„Dat is ook verkocht.”

„Zou ik dan mogen weten hoeveel rente ik jaarlijks van dat geld krijg?”

„Acht honderd gulden ongeveer,” antwoordde hij, en er ging in hem om

hoe, nu Mieke heen zou gaan, deze som niet slechts z’n gezin niet meer

ten bate kwam, doch bovendien door hem aan haar zou moeten worden

uitgekeerd. Weer parelde het zweet hem op ’t voorhoofd.

Zij wist, dat haar moeder niet onbemiddeld was geweest, doch deze som

viel Mieke toch zeer mee. Had tante Sophie deze dus ontvangen? Zij

vroeg dit niet, maar duidelijker zag ze nu in waarom tante zoo op haar

blijven gesteld was, waar ze bovendien nog alles naaide en stopte en in

de hand kwam zooveel tante wenschte. Mieke wilde niet ondankbaar worden

en denken toch eigenlijk niet zooveel verplichting aan tante te hebben

als deze voorgaf, maar bitter stemde haar de gedachte, de weer wondende

zekerheid, dat het niet in ’t minst haar persóón was, die tante

begeerde te behouden, slechts de voordeelen verbonden aan haar

verblijf... O, het was goed, dat ze ging, ze zag het weer glashelder.

Ze smachtte ernaar te gaan, waar men haar tegenwoordigheid ook om

haarzelve begeerde. Loes hield van haar, zeker, en háár vriendschap was

echt. Maar oom Egbert?... Deed háár belang iets bij hem, haar ernstig

willen?... Eéns ontstak hij in boosheid toen ze sprak van haar „recht”,

ze zou het woord ook niet herhalen,—maar onthield hij het haar thans

niet door haar tegen te werken, door zoo vreemd en terughoudend te doen

in een zaak, die klaar was als de dag en waarover opheldering niet meer

dan natuurlijk zou zijn?

„Ik zal je,” ging oom Egbert voort, heen-en-weer loopend nu, zichtbaar

nerveus, „ik zal je ter gelegener tijd wel eens een afrekening sturen.

Nu heb ik het zóó druk met allerlei... trouwens, dat beheer verschaft

menige moeite...”

Zij volgde hem verwonderd in zijn loop. Zij voelde zich beklemd, nu hij

weer zoo geheel tegenòver haar stond bij ’tgeen ze wenschte. Maar bij

zijn spreken over de moeite bedacht ze, hoe ze veel liever haar bezit

weer onder ’t beheer van den notaris op het dorp wilde hebben. Nu zou

zij altijd op de vingers getikt worden, zou voortdurend tante Sophie

aanmerkingen kunnen maken.

„Oom,” zei ze daarom, „als het u lastig is zal ik meneer Poort wel

schrijven of hij m’n belangen weer wil behartigen.”

Met een schok stond oom Egbert stil.

„Wàt? Wàt?”

Zij herhaalde ’t.

„Ik wil niet, dat je hem schrijft!” viel hij uit, wederom onverwacht

heftig.

Zij onthutste.

„Ik meende...” stamelde zij.

„Ik verbied het je!” riep hij krachtig, z’n gelaat in één angst en

ontroering.

Mieke week terug; een onheilspellend gevoel kwam over haar. Die angst,

die ontroering, zij sidderde ervoor. Waarom gebood hij? Waarom

doorflijmde haar het Joost weet waar opgevangen: „Die Van der Hoeve,

die zoo’n leelijken klap heeft gehad aan de beurs...” Was het in de

tram, dat ze dit hoorde, in ’t voorbijgaan op straat?... Ze wist het

niet. Deze woorden vlogen echter met onweerstaanbare kracht door haar

herinnering,—en zij zag zijn onbeheerscht, nu in heftige aandoening

vertrokken gelaat.

„Oóm!” riep ze.

Hij wilde spreken, groot-doen, gewichtig-doen als altijd, breed,

deftig,—maar hij zweeg, slikte.

Haar adem ging sneller.

„Oom,” zei ze schor,—en hij vroeg niet hoe ze ’t wist, hoe ze ’t kon

begrijpen, begreep alleen dàt ze ’t wist,—„oom, zeg dat ’t niet waar

is.” Ze kwam naderbij, legde heur hand op z’n arm.

Hij wilde glimlachen, maar z’n wit gezicht vertrok in een grimas; hij

wilde weer spreken, maar zei niets dan: „Ja, ja... natuurlijk,” deftig,

breed, maar als in trance, willoos.

Toen ging ze terug naar haar plaats en zat neer, geslagen. Ook oom

Egbert ging weer zitten, en ze zag, hoe hij zich langzaam herstelde.

„Mieke,” begon hij.

Zij luisterde met ingehouden adem, de handen krampachtig ineen.

„Ik... ik...” toen zweeg hij weer lang. Tot hij opnieuw opstond en

naast haar kwam.

„Het... het is niet zóó vreeselijk, niet àlles... Er is nog een

gedeelte... En ik zal het je teruggeven, dat begrijp je wel.”

Ze knikte.

„Natuurlijk zal ik het je teruggeven. Ik ben een eerlijk man.” Z’n stem

werd vaster, z’n uitspraak duidelijker, z’n zinnen weer geformeerd. „Je

schrijft het niet aan dien notaris, dat je wilt...”

„Neen,” schudde ze, ze zou het niet schrijven.

„Het komt in orde... heelemaal... Ik heb ’t niet gewild, Mieke,

waarachtig niet; het kwam vanzelf... Ik heb altijd gedacht het nog wel

te kunnen bijleggen, maar alles mislukte op ’t laatst.”

Ze begreep het wel, knikte maar.

„Al die groote uitgaven, Mieke, de laatste jaren... vooral sedert Olga

met Bogaerts...”

„Ja, ja,” ze had het wel gezien.

„We zijn geen menschen van fortuin... en toch móést ’t altijd maar...

Dan terugslag op ’t kantoor, de slechte, vreeselijk slechte tijden...”

Hij stond naast haar als een boeteling. Ze leed eronder... Weer

ijsbeerde hij, ging opnieuw zitten, het hoofd op de hand gesteund...

Stil werd ’t nu, doodstil.

Langzaam-aan omlijnde zich voor Mieke het gebeurde scherp. Zóó leed zij

erdoor, dat zij zelfs physieke pijn voelde. Ze dacht aan de toekomst,

aan wat haar te doen stond, maar ze wist het niet... Toch heengaan en

zien rond te komen van het kleine onderwijzers-salaris?

En wederom dwaalde haar blik naar den man tegenover haar, die haar

zooveel desillusie berokkende. Kon ze hem aanklagen? Zij dacht er niet

aan. Al haar medelijden en sympathie ging weer uit naar hem, die

wanhopend in zelfbeschuldiging zichzelven verwenschte. Nooit was hij

doortastend genoeg geweest, altijd half, laf, weifelend, te goedig

misschien, nooit de man uit één stuk, wiens krachtige arm het stuur

hield en wiens wakker beleid de zeilen reefde bij opkomenden storm...

En ééns, vóór z’n huwelijk, was hij toch een flink en nobel man. Een

wrak nu, geslingerd bij noodweer... Het was ver met hem gekomen, met

hem, den zoon eener beste moeder!

Mieke sloot de oogen; tranen stroomden langs haar wangen. Arme oom

Egbert, wat moest hij hebben geleden!... Zij herdacht Olga’s

schitterende bruidspartij, al het vertoon van rijkdom en

weelde,—schijn, schijn, schijn! Zij zag Olga, zooals ze, dezen middag

nog, tegenover haar had gezeten, de voorname, gevierde mevrouw

Bogaerts, wier ironische opmerkingen haar weer pijnlijk griefden, wier

houding en gedrag haar steeds, onveranderlijk, een gevoel van

minderheid en nietigheid gaven... Zij glimlachte, Mieke... Ach, nooit,

nóóit zou Olga meer de macht hebben haar te vernederen. Had den eersten

dag van haar verblijf in dit huis haar niet reeds instinktmatig het

gevoel beheerscht, dat ze nu verklaren kon, toen ze tot Loes zei: „Ik

heb zoo’n medelijden met je zuster.” Datzelfde medelijden beheerschte

haar ook thans. Zij voelde zich zoo hoog tegenover Olga, wier gansche

geluk, al haar weelde en genot, Mieke nu zoo onwaar leek. Neen, nooit

zou er een woord ter vernedering van de ander over haar lippen komen,

zij wilde niet strijden met hetzelfde wapen, dat haar nicht steeds

tegenover haar gebruikt had, het wapen van pijnigenden spot, ofschoon

het Olga’s mateloozen trots zeker niet minder wonden zou dan eens haar,

Mieke. Doch haar medelijden voor haar nicht zou wèl een pantser worden,

waarop alle pijlen afstuitten, aan Olga’s boog ontsprongen. Ze wist,

dat deze haar nimmer, nimmer meer konden bezeeren. Geen triomfgevoel

beheerschte haar, maar toch wist ze op dit oogenblik zeker den strijd

gewonnen te hebben,—voorgoed.

Zij stond op, kwam naast oom Egbert, zacht heur hand op z’n schouder

leggend.

„Oom,” zei ze, „wil ik dan nog maar bij u blijven en zien om hier in de

stad een vaste aanstelling te krijgen, tot alles weer in orde is?”

Hij greep heur hand. Tranen stroomden langs z’n wangen.

„Kind,” zei hij, „als je dat zoudt willen?”

Ze streelde zacht z’n haar.

„Stil nou maar,” zei ze, toen hij ’t uitsnikte, „ik weet immers wel,

dat u het niet helpen kunt.”

Mieke · 第 32 / 36 题