Al was Mieke de laatste jaren ook aan luxe en uiterlijk vertoon gewend
geraakt, de bruidspartij overtrof toch verre haar verwachtingen.
Ditmaal niet gepasseerd, zooals bij het engagementsdiner, bevond ook
zij zich te midden der talrijke gasten. Het duizelde haar, luisterde
zij naar de vele schoonklinkende woorden als: „het heil van het
bruidspaar is ook ons heil”, „onverbrekelijke banden” en
„onveranderlijke vriendschapsgevoelens”.—Waren àl deze menschen Olga’s
en Bogaerts’ vrienden? Elkanders vrienden? Onveranderlijke vrienden?
Zoovelen?... Mieke, gewoonlijk slechts aarzelend haar gevoelens uitend,
zich moeilijk gevend en alleen dàn wanneer ze waarachtige sympathie
voelde, stond van dit alles versteld.
Zij zag er aardig uit in een lila japonnetje, een geverfd en vermaakt
van Olga, maar welk toiletje haar bij heur blonde haar en zacht
gezichtje iets heel jongs en onschuldigs gaf. Tot-nu-toe beschouwde
elkeen „het nichtje van Van der Hoeve” zoo eenigszins als een nullig,
simpel wezentje, dat langs een ieder ging. Nu waren er jongelui, die
met verbazing haar begonnen op te merken. Niet geestig kon men haar
noemen, doch bevallig of indrukwekkend, maar lief, wel héél lief. Men
sprak tot haar op ingehouden en vriendelijke wijze, reflex van haar
eigen manier van doen. En Mieke, die ervóór ontzettend tegen het feest
had opgezien, viel het nu werkelijk meer-en-meer mee. Zij werd daarom
wat vrijer en ongedwongener na de eerste oogenblikken van schroom in
die groote, hel verlichte zaal vol luisterrijk gekleede menschen; ze
lachte nu-en-dan hartelijk om de een-of-andere grap en begon zich te
amuseeren.
Tot Olga, even in de nabijheid toevend van ’t geanimeerd clubje, waarin
ook Loes zich vermaakte, luisteren bleef en, met een lachje en een
tikje op haar schouder, Mieke toevoegde: „Ik wist heusch niet, zeg, dat
jij zoo flirten kon,” Mieke’s vroolijkheid met één slag verdrijvend.
Flirtte zij?... Onmiddellijk betrok Mieke’s warm, opgewekt gezichtje...
Deed ze mal, zooals enkele van Olga’s vriendinnen en sommige meisjes
van school?... Had ze zich aangesteld?... Een gevoel van schaamte deed
haar hevig blozen. Neergeplofd trok ze zich terug, schuchter als
altijd. Zij was weer klein tegenover Olga.
Tante Sophie, in haar element als nooit voor dezen, zat als
bruidsmoeder op den troon. Alle kwaaltjes en ongemakjes, alle
wenkbrauwfronsen van Egbert, alle zuinigheidsplannen waren vergeten.
Olga, haar trots, toonde heden onuitwischbaar het stempel van haar
moeders opvoeding. Èn het resultaat. Egbert mocht haar altijd bestreden
hebben, openlijk of zijdelings, hij mocht herhaaldelijk op het aambeeld
hebben geslagen: „Je voert de kinderen te veel de hoogte in. Als het
maar goed voor ze is,”—heden werd de kroon gezet op haar werk, deze
avond bracht haar den onbetwistbaren, volkomen victorie. Egbert en de
kinderen moeten haar dankbaar zijn.
Toen, eenige dagen daarna, de huwelijksinzegening!
Mieke, niet in den familiestoet maar onder de belangstellenden in de
kerk, deed moeite zich een stemming van wijding op te dringen, maar
haar godsdienstig gevoel détoneerde. Daar ging geen machtige innigheid,
geen breede straal van liefde uit van het schoone, bewonderde
bruidspaar, geen diepe, vrome bede steeg omhoog van de ouders voor de
kinderen. Toch was ’t geheel zeer imponeerend. De deftige pa’s en ma’s,
de overige verwanten, zij zaten met ernstige gezichten te luisteren
naar de goed gekozen rede van den predikant. Het orgel speelde „de
Hochzeitsmarsch”; een dame zong: „Wo du hingehst, da will auch ich
hingehen...” maar in de consistorie herinnerden zich waarschijnlijk
slechts enkelen het tekstwoord: „En nu blijft geloof, hoop en liefde,
deze drie, doch de meeste van deze is de liefde.”
Maar: „’t Toucheerde,” zei stralende mama tot mevrouw Bogaerts, met een
verrukt glimlachje een traan wegpinkend. „’n Beeldige preek, nietwaar?”
„’t Toucheerde ontzettend. Schitterend; schitterend,” beaamde mevrouw
Bogaerts.
Nog een klein déjeuner en-famille thuis, waarna het bruidspaar op reis
ging.
En ook deze mijlpaal was geheid,—voor immer.
De eerste dagen volgde op de doorgemaakte emoties natuurlijk een
reactie. Allen voelden een leegte. Tante Sophie, wier wilskracht,
zoodra zij deze concentreerde, ongeloofelijke dingen kon verrichten,
doch wier niet sterk gestel slechts matig bestand was tegen al te
groote inspanning, plofte neer. Moe, overmoe werd zij zeer prikkelbaar.
Nu ze haar doel bereikt had, scheen ’t haar toe iets verloren te
hebben. Een verwezenlijkt ideaal is somtijds een verloren illusie!...
O, zij hoopte zeer zeker nu op Olga’s terugkomst in heur eigen
comfortabel home, zij verheugde zich op de bezoeken bij haar getrouwde
dochter, maar voor het oogenblik kon tante Sophie de leege dagen, die
volgden, nog niet goed verduren, voelde zij zich ontevreden en nerveus.
Mieke verdroeg haar minder aangename humeuren zooals zij ze altijd
verdroeg, met geduld, hoewel ook met toenemend verlangen spoedig ervan
verlost te zijn. Echter nog niet onmiddellijk na Olga’s heengaan wilde
zij tante Sophie opnieuw irriteeren met de mededeeling nu eindelijk
eens te gaan solliciteeren naar een plaats, maar toen er een paar weken
verloopen waren en zich een goede gelegenheid aanbood erover te
beginnen deed zij het.
Evenals na Mieke’s examen en in de daarop volgende drukke maanden
gebruikte mevrouw Van der Hoeve haar trucjes van eroverheen-praten en
negeeren, doch zóó positief hield Mieke vol, dat tante ten slotte wel
luisteren moest.
Wat het meisje voorzien had, tante Sophie toonde zich zeer tegen haar
plan gekant en sprak verwijtend van grove ondankbaarheid. Toen ze zag
hier weinig mede te bereiken en dat Mieke op haar stuk bleef staan werd
zij vinniger, beriep zich op oom Egbert.
In den grond Mieke’s wenschen kunnende plaatsen en er niet op tegen
hebbende dat zij een anderen werkkring zocht dan uitsluitend dien van
hulp zijner vrouw, mits ze maar bij hem in huis bleef, viel hij het
nichtje niet zóó af als mevrouw Sophie wel wenschelijk achtte.
„Het spijt me werkelijk, tante,” zei Mieke aan het eind van het
twistgesprek, „dat ik u misschien een beetje in ongelegenheid moet
brengen, wanneer ik ’s morgens en ’s middags niet meer thuis kan zijn,
maar ik wou, dat u begreep hoe m’n heele toekomst ermee gemoeid is.”
„Heele toekomst!” bitste tante. „Groote woorden. Zei ik niet dat je
hier, desnoods, bij mij ook salaris kunt krijgen?”
„Maar wat helpt dat, tante? Ik moet toch eindelijk eens een begin maken
met les te geven.”
„Waarom? Je kunt wel degelijk hier blijven, de eerste jaren althans
nog. Heb je het hier niet goed?”
„O ja,” kwam er aarzelend.
„Nu dan? Wat wil je? Een plaats,—dat dient voorloopig nergens toe als
je bij mij in betrekking kunt zijn.”
„Maar dat wil ik niet,” ontviel Mieke, zeer beslist, echter niet
onvriendelijk.
Oom Egbert zat erbij en zei niet veel, keek onrustig van de één naar de
ander.
„Ik zal u zooveel mogelijk blijven helpen,” beloofde Mieke bedaarder,
„maar ik wil bij ’t onderwijs beginnen, desnoods voor tijdelijk of als
kweekeling.”
Tante Sophie’s tegenwerpingen namen toe in scherpte; haar min-of-meer
flets gezicht kreeg een verhoogde kleur, wat haar niet goedstond.
Zenuwachtig knipperde ze met de oogen.
Oom Egbert zat tusschen twee vuren... Als het kind toch in Amsterdam en
bij hen wilde blijven waarom haar dan verder bemoeilijkt? ’t Was waar,
Sophie raakte zeer aan Mieke’s hulp en vlugheid gewend, maar als ze nu
per se een andere richting uitwilde mocht men haar toch niet
tegenhouden?
„Wanneer Mieke nu belooft je niet heelemaal in den steek te laten...”
opperde hij aarzelend, ziende hoe het Mieke ernst werd haar wil door te
drijven, en kennende dien trek van vastberadenheid op haar gezichtje,
welke hem aan zijn moeder herinnerde.
„Dat wil ik,” stemde Mieke nog eens toe, warmer wordend, in tweestrijd
komend, meer-en-meer, wàt te doen: te zeggen ’tgeen zij nog verder
wenschte als ze meerderjarig was, of nog tot zoolang te zwijgen... Het
jonge hart klopte onstuimig. Zoolang verborg zij reeds haar vurigste
wenschen, en—de mond liep over. Zij sprak vlugger dan gewoonlijk.
„Tot het volgend jaar,” zei ze, „wil ik hier blijven, tot ik mondig
ben. Maar dan, oom, tante, dàn wil ik ook vrij zijn, heelemaal vrij! Ik
ben dankbaar voor alles wat u voor me gedaan hebt, maar ik weet ook,
dat ik handel in grootmoeders geest als ik eenmaal zelfstandig wil
wezen. Ik wil dan een overzicht hebben van wat ik bezit en m’n geld
zelf leeren beheeren. Ik wil een plaats zien te krijgen op een mooi
dorp of in een kleine stad... Ik...”
Oom Egbert was bleek geworden.
„Dus,” onderbrak hij haar scherp, z’n wenkbrauwen waren gefronst, „dus
jij wilt hier beslist wèg?”
„Is dat onze dank?” viel tante grif bij.
„Dank, dank,” weerde oom Egbert af, „dank is niet direkt noodig,
maar...”
„Niet noodig? We hadden haar toch niet den kost te geven, waar dit niet
behoefde? Maar we zouden het gedaan hebben, als het wèl noodig was
geweest; dàt vergeet je!” Driftiger werd mevrouw. „De gedachte te
verduren altijd iemand in je huis te hebben gehad, die alles op touw
zette om zoo gauw mogelijk bij je vandaan te komen, die het altijd
vreeselijk bij je heeft gevonden, ’t is... ’t is...”
„Dat niet, tante, werkelijk niet,” probeerde Mieke haar tevergeefs te
overtuigen, het gezichtje rood van opgewondenheid, „ik hèb het hier
niet zoo vreeselijk gevonden, als u wel meent, en ik heb er niet altijd
over gedacht hier weg te komen. Maar ik wil vrij zijn, eens mezelf
worden. Kan u dat niet meevoelen? Kan u niet begrijpen, dat ik ook eens
iets anders wil wezen dan, zooals hier...”
„...de sloof,” vulde tante scherp aan. „Zeg maar de sloof, dat bedoel
je toch immers.”
„Neen, tante, ik bedoel het afhankelijke nichtje.”
„Afhankelijke nichtje,” sprak oom weer afwerend. „Ben jij hier zoo
verschrikkelijk afhankelijk?... Goed,” viel hij eensklaps bij, „ik ben
er niet langer op tegen, dat je hier in de stad een school zoekt. Als
’t je aanstaat zoo gauw je wilt. Bèst! Maar wees daar dan ook tevreden
mee en praat niet langer over afhankelijkheid en zelfstandigheid en
dingen waar je geen verstand van hebt, zooals het beheeren van je
geld.” Ongedurig liep hij heen-en-weer.
Mieke stond verslagen.
„Ik zei,” sprak ze nu zacht, met bevend mondje „ik zei, dat ik het
wilde lééren beheeren. En daar heb ik toch het recht toe. Het is toch
billijk, om op mijn een-en-twintigste jaar te gaan en te doen en te
willen waar en wat ik wil.”
Nu viel met harden slag een vuist op tafel. Mieke week achteruit en
sidderde. Ook tante Sophie schrok, schoon ze later Egbert’s krachtig
optreden als zéér flink had geprezen.
„Recht?” riep hij. „Recht? Natuurlijk heb je recht, maar ik zou mij
schamen van zulk recht gebruik te willen maken, tegenover ons.”
Kleintjes kromp Mieke ineen. Zóó verslagen was ze nog nooit geweest...
Ook oom Egbert liet haar dus in den steek, als het erop aankwam?
Blijven moest ze hier, àltijd blijven onder tante’s regime, altijd de
dienares wezen van den schoonen schijn en den liefdeloozen plicht,
zonder ooit zichzelf te kunnen ontplooien: het nichtje, dat geduld
werd, hoogstens een weinig geapprecieerd omdat haar hulp te pas kwam
en, misschien—feller en bitterder werd zij, arme, zachtzinnige
Mieke—omdat zij daarenboven nog kostgeld betaalde!
Hoog laaide verzet in haar op. Met Loes sprak ze er echter geen woord
over. Zij kende Loes’ impulsiviteit en vreesde onmin voor haar met de
ouders. Zij wilde haar niet in moeilijkheden brengen, hoewel: Loes
voelde den gespannen voet.
En het bleef werken en woelen in Mieke; snel groeide sindsdien haar
vastberadenheid; haar lijdelijkheid gaf zich gansch-en-al prijs, zij ’t
nog verborgen. Oom Egbert’s plotse uitbarsting maakte haar voor ’t
oogenblik nog krachteloos, doch haar wilskracht won veld. Hier-blijven
beteekende onveranderlijke ondergeschiktheid. Hoe meer zij dit inzag,
hoe grooter haar verlangen werd naar vrijheid, hoe breeder en sterker
haar illusies zich verduidelijkten. Zij wilde buiten tot zichzelf
komen, daar eenigen tijd onderwijzeres blijven, om dan frisch voor een
middelbare akte of voor een hoofdakte te gaan studeeren... Maar éérst
moest zij niet meer gebonden wezen en zichzelve terugvinden als
grootmoeders kleinkind. Weg van hier moest ze, het koste wat ’t wilde!
In vredesnaam zelfs oom Egbert getrotseerd!
Zij telde de maanden, die nog vóór Januari, vóór haar verjaardag,
verloopen moesten, en verbeidde in rusteloos verlangen den dag, waarop
zij haar vrijheid eischen kon, met het volste recht.
De maanden verliepen.
In dien tijd kreeg ze, na herhaaldelijk solliciteeren, eindelijk een
tijdelijke aanstelling op een school, vrij ver uit de buurt. Ofschoon
tante niet ophield te klagen over haar zwak gestel en hoe zij de thans
weer op haar rustende veelvuldiger geworden huiselijke plichten
nauwelijks dragen kon, nam Mieke toch haar functie van onderwijzeres
waar, na de schooltijden tante zooveel mogelijk tegemoet komende. Zij
naaide ijverig, verstelde en stopte, hielp des Woensdags en Zaterdags
ook aan andere werkjes, deed boodschappen en bediende tante Sophie zoo
goed zij kon,—doch mevrouw Van der Hoeve bleef mokken.
Olga, hoewel mama niet overloopend, ingelicht over de inconveniënten
voor mevrouw nu Mieke haar zin had doorgedreven, gaf kleine prikjes op
fraaie manier. Mieke verdroeg ze als altijd: zij reageerde zoo min
mogelijk.