En weer was het zomer geworden.
Mieke’s examen kostte menig uurtje harden arbeid en nachtrust, maar in
weerwil van het tweeledige van haar bezigheden—ik doel nu ook op haar
huiselijke plichten, die van lieverlede der familie onontbeerlijk waren
geworden—had zij zich staande gehouden, ondanks de weinige medewerking,
die zij van den kant van verreweg de meeste harer huisgenooten
ondervond, want men maakte het haar niet gemakkelijk.
Heimelijk zou het tante Sophie niets gespeten hebben, wanneer Mieke
maar gezakt was. Wanneer de werkzaamheden nog een jaartje op denzelfden
voet moesten voortgaan zou zij zich niet beklagen. Nu had je kans, dat
Mieke een geheel andere dagverdeeling zou krijgen, wanneer ze eens een
plaats aan de een-of-andere school verwierf, en dit stond tante Sophie,
voor ’t oogenblik althans, allerminst aan.
Mieke’s helder verstand en sterk geheugen bij haar doorzettingsvermogen
wonnen het evenwel, ondanks de vele inconveniënten. Zij slaagde.
Overgelukkig bracht zij, kort na haar verworven diploma’s voor
gymnastiek en handwerken, ook dat van onderwijzeres aan oom Egbert. Oom
Egbert toonde zich heel tevreden en zei, dat Mieke nu vooreerst maar
eens niets anders moest doen dan een beetje rust nemen, want ze zag er
allesbehalve florissant uit. Geen woord sprak hij over de mogelijkheid
voor haar zich nu een functie bij het onderwijs te verwerven.
Tante Sophie repte hiervan ook geen syllabe en meende, evenals oom, dat
het ’t beste voor Mieke zou wezen nu eens een poosje niets te doen,
dat-is-te zeggen thuis te blijven, ofschoon zij geloofde, dat Mieke er
wel gauw weer wat beter zou gaan uitzien. Ze was sterk en gezond,
alleen misschien een beetje overwerkt en wat zenuwachtig door de vrees
te zullen zakken. Daarom ging zij, mevrouw, ook liever niet in op het
verzoek van juffrouw Wije het meisje een poosje bij haar te laten
logeeren.
Met hoeveel blijdschap Mieke de uitnoodiging ook ontvangen had, hoe
dolgraag zij eraan gevolg zou hebben gegeven, tante bleef erbij, dat ze
Mieke niet missen kon, nu allerminst. Want Olga’s huwelijk naderde met
rasse schreden en er viel nog zóó ontzettend veel te doen, „dat Mieke
zich in vredesnaam dit ééne keertje maar eens een beetje moest
opofferen,” naar ze zei.
Zeer, zeer teleurgesteld vernam het meisje tante’s besluit. Reikhalzend
had ze dikwijls uitgezien naar een dergelijk verzoek van juffrouw Wije;
innig verlangde zij, vooral nu na haar geblok en na de eentonige jaren
van gestadigen, vreugdeloozen arbeid in dit huis, naar buiten, naar
haar eigen, lief, vertrouwd dorp, naar de wijdte van de vlakke velden,
waar ze zou kunnen ademhalen als van ouds, waar ze zich vermeien kon in
onbelemmerd zonlicht en in den schaduw van de boomgaarden, waar de
stilte sprak en de wind antwoordde, waar de zwaluwen onder je dak
nestelden en men nog eens andere vogels zag dan musschen of de papegaai
van de mevrouw aan den overkant. Hoe snàkte zij den laatsten tijd naar
enkele weekjes van vrij bewegen; hoe verheugde zij zich bij het
denkbeeld weer als vanouds juffrouw Wije’s kippen te voederen, te
helpen karnen den boter voor ’t eigen gebruik, de boontjes mede te
plukken, en te helpen kneden het zelf te bakken brood. Juffrouw Wije
had er haar tijdens den moeilijken examentijd op voorbereid tante
Sophie te zullen vragen haar nichtje eens een poosje ontspanning toe te
staan, wat Mieke’s werklust en ijver zéér te stade was gekomen en
versterkte. Nu plofte ze néér: tante kon haar niet missen!
„Als ik-zelf niet voor mijn gezondheid veertien dagen naar buiten
moest, zou ik heusch zèlf thuis blijven,” beweerde zij. „Maar nu Olga
bij de Bogaertsen logeert, Loes bij m’n zuster in Apeldoorn is, en Erik
in Den Haag, wie zou er dan bij de dienstmeisjes blijven? Het is heel
vervelend, maar ze willen geen van beiden met kostgeld, omdat ze geen
ouders hebben en ze niet weten waarheen te gaan. Mij is het natuurlijk
ook goedkooper ze hier te houden, maar ik had er graag de grootere
onkosten voor over gehad ze weg te sturen om jou de gelegenheid te
geven naar je oude vrienden te gaan. Nu is ’t onmogelijk. ’t Spijt me
werkelijk. Er moet nu iemand bij de meisjes blijven; alleen vertrouw ik
ze absoluut niet; je hoort zulke gekke dingen tegenwoordig... Het
volgend jaar, dan moeten we er vooraf op rekenen, dan moet je stellig
eens een poosje naar die boerenmenschen gaan,” besloot tante met groote
welwillendheid. En zij gaf Mieke een tikje op de wang, dat van
goedkeuring en vriendelijke gezindheid getuigde.
Oom Egbert probeerde zijdelings nog een slap aanvalletje.
„Zouden we ’t heelemaal niet kunnen schikken, dat ze, als is ’t maar
een weekje, gaat?” stelde hij tamelijk krachteloos voor.
„Aan een weekje heeft ze niets,” zei tante met beslistheid, ietwat
ongeduldig.
„Zij heeft zoo haar best gedaan,” prees oom weifelend.
„Nu moet je niet weer zoo’n sentimenteel gezicht zetten, man,” kwam
mevrouw terechtwijzend. „Ik apprecieer Mieke’s plichtgevoel inderdaad.
Ze mag dan ook met plezier eens een dagje van me met Loes naar
Zandvoort en eens naar de Totebelletjes in dat pension in Bussum, maar
uit logeeren gaan is heusch van ’t jaar onmogelijk. Als je ziet hoeveel
linnengoed er nog gerolzoomd en geborduurd moet worden,—ach neen,
heusch ’t kan niet. En dadelijk als wij, jij en ik, terugkomen, krijgen
we al die omslachtigheid van de voorbereiding voor Olga’s huwelijk...
Ik weet er alles van! ’t Volgend jaar, hoor, Mieke, ’t volgend jaar,
dan...”
Gedurende tante’s ononderbroken relaas kwam bij Mieke’s schrijnende
teleurstelling ook verbazing en schrik.
„Maar,” zei ze, toen ze kans zag tante Sophie met goed fatsoen te
kunnen antwoorden, „maar als ik nu wat opgeknapt ben, binnenkort, ga ik
toch immers solliciteeren? En als ik dan eens een plaats krijg als
kweekeling of zoo...”
„Ja, ja, ja,” weerde tante kort en haastig af, „met dat solliciteeren
zou ik nu vooreerst nog maar even wachten. Dat komt later. Daar spreken
we nog wel eens over. Voorloopig blijf je nog maar eerst een paar
maandjes thuis, tot je er weer wat sterker uitziet.”
De vacantietijd verstreek.
Voor Mieke was het dit jaar geen vacantie geweest, want niet als anders
volgde na den geëindigden schooltijd een nieuw leertijdvak. Zij zag er
wel weer beter uit dan na haar examendagen, maar toch voelde zij zich
down, gedrukt. Nu wàs ze geslaagd, onderwijzeres, had ze een deel
bereikt van wat ze als het begin eener vrijer, blijder toekomst
beschouwde, en nu bleek dat toch weer niets te zijn!... Het begon te
gisten in haar... Moest dit nu zoo haar heele leven voortgaan? vroeg ze
zich af. Toen ze in den beginne de schimpscheuten van Olga te verdragen
kreeg, haar ironische hatelijkheden en spottende geringschatting, toen
Olga’s aanmatiging haar vernederde en haar trots zich boog voor de
noodzakelijkheid dit alles te moeten dulden omdat er nu eenmaal op ’t
oogenblik niets aan te veranderen was, ja, toen schikte zij zich,
schoon met harden strijd en tranen, in het onvermijdelijke. Nóg trof
Olga’s totaal veronachtzamen van heel haar doen en laten Mieke
menigmaal pijnlijk, doch het benadeelde haar niet persoonlijk, al deed
het haar leed. Tante’s eigenmachtigheid ging thans veel verder. Zij
verlangde Mieke’s diensten ten koste van Mieke’s belang. Het meisje
werd niet eens gevraagd of ’t haar wel beliefde!
Toch wilde Mieke tante’s overheersching, tante’s eigengerechtigheid nog
verdragen; nog besloot zij te bukken en wilde zij tante over zich laten
zegevieren, zooals Olga haar ééns en ook nu nog overwon; zij wilde niet
door ondankbaar te schijnen, door allen misschien in ongelegenheid te
brengen de vreugde en de plannen van het aanstaand huwelijk, dat weer
de gansche huishouding en haar leden in beslag nam, hinderlijk zijn,
maar daarnà, besloot ze, zou ze spreken, zou ze het tante Sophie
duidelijk maken haar niet langer aan banden te mogen leggen. Ook oom
Egbert wilde zij van haar zelfbeschikkingsrecht overtuigen, zich
beroepend op grootmoeder, wier streven het immer was geweest haar
kleindochter zóó op te voeden, dat ze eenmaal haar eigen brood zou
kunnen verdienen... Mieke voelde zich een persoonlijkheid worden, die
leven en werken wilde naar eigen aard; op deze manier bleef zij altijd
de ondergeschikte pupil. En zij overlegde hoe zij desnoods—het was
inmiddels reeds wederom December geworden en haar twintigste verjaardag
was aanstaande—tot het volgend jaar, tot zij mondig werd, bij de
familie Van der Hoeve zou blijven. Zoodra Olga’s huwelijk en de nasleep
daarvan achter den rug was, wilde zij in weerwil van vermoedelijke
tegenkanting, toch trachten een tijdelijke aanstelling te krijgen. Ze
zou in haar vrije uren tante Sophie dan nog gaarne blijven helpen...
Maar dàn, (en ze besloot er allen nu reeds zeer bepaald op voor te
bereiden), als ze meerderjarig geworden was, liet zij zich niet meer
binden, zou ze gaan waarheen zij wilde en waar ze geloofde, dat haar
werk en toekomst lagen,—wilde ze vrij zijn! In Gods naam dan maar
beschuldigd van ondankbaarheid! Zij kon niet anders!... Het jonge bloed
stroomde warm; haar idealen groeiden; zij wilde dapper vooruit in het
leven en in de wereld. Zij omgordde zich reeds de lendenen en had den
wandelstaf reeds in de hand... Maar nóg moest zij wachten...
Olga’s huwelijk zou in December plaats vinden, doch door allerlei
vertragingen werd het einde Februari vóór het definitief werd
vastgesteld. Olga’s tijd werd nu voortdurend verdeeld tusschen haar
uitzet en haar nieuwe woning, die ze tot haar spijt niet in Den Haag
had kunnen kiezen, daar Bogaerts zich beter in Amsterdam had kunnen
associeeren, iets wat mevrouw Van der Hoeve echter wel plezier deed.
De aanstaande bruid, veeleischend als altijd, muntte ook nu niet uit in
toegevendheid. Wanneer niet alles liep naar de door haar voorgeschreven
volgorde of op de manier, die zij wenschte, werd de omgang met haar
wederom geen gemakkelijke. Loes, die na haar eindexamen aan de H. B. S,
voor middelbaar Fransch was gaan studeeren, trok zich van het gehol en
gedraaf naar Olga’s bevelen niet zooveel aan, maar mama, als steeds
aangestoken door haar dochters buitensporige eischen, die maar al te
zeer de haren in de kaart speelden, beviel die oude koers beter. De
saaie, afgeloopen maanden hadden haar absoluut niet bevredigd; Olga’s
lang en veelvuldig afwezig-zijn had haar dikwijls gehinderd, evenals
het wel eens over-’t-hoofd-zien van mama, doch nu haar dochter weer van
allerlei met haar overleggen ging over aankoop van dit mooie en dat
onontbeerlijke, keerde de vroegere verhouding tusschen tante Sophie en
haar oudste van kibbelen met elkaar en ten slotte toegeven in gloeiend
eens-zijn weer terug, omdat beider ijdelheid en verlangen naar
hetzelfde doel streefden.
Loes interesseerde dit alles niet. Zij verweet zichzelve hoe langer hoe
meer onhartelijkheid en koelheid tegenover mama en Olga; laatst klaagde
ze met tranen in de oogen Mieke haar nood dit niet te kunnen helpen...
Was Olga ooit lief voor haar als een zuster?... Liet mama zich half
zooveel aan haar gelegen liggen als aan de beide anderen?... Kon zij
het helpen, dat ze maar een doodgewoon meisje was en niet hield van al
die opschroeverij?... Zij kwam, als Mieke zat te naaien aan het fijne
linnengoed of te borduren aan monogrammen, dikwijls bij haar zitten met
een studieboek, maar meestal werd dit al gauw ter zijde geschoven,
omdat er zich groote gesprekken ontsponnen tusschen de meisjes, die
allebei in den grond precies denzelfden kant opgingen... Loes wilde
naar Parijs, zoodra ze zoover met haar studie gevorderd was om in het
land-zelf de laatste hand aan haar studie te leggen. Ze had breede,
prachtige voornemens en hield vurige betoogen,—en Mieke voelde heur
eigen hart zwellen bij haar geestdrift, doch aarzelde nog om even
openbaar als Loes te toonen wat in haar omging. Doch allengs wierpen
ook haar schroom en zelfbedwang de bescheidenheid af en zaten de
meisjes menigmaal met gloeiende wangen elkaar te vertellen hoe zij haar
leven wilden inrichten op den duur.
Niet alleen tegen Loes sprak Mieke hierover. Nu-en-dan tante Sophie
eens voorbereidend, latende doorschemeren wat haar plannen waren,
coupeerde mevrouw Van der Hoeve echter altijd een positief gesprek,
wanneer Mieke dit onderwerp aanroerde. Een anderen keer weer hield ze
zich alsof ze haar nichtje niet begreep of verkeerd verstond, niet
kunnende nalaten er toch ietwat ongerust met Olga over te spreken,
tegen wie Mieke zich evenwel minder vaak uitte dan tegen tante. Met
Olga, vooral na haar huwelijk, had ze, meende Mieke, in dit geval niets
te maken en ook bracht Olga’s minder dan tante Sophie’s belang het mee,
dat zij bij haar voogd bleef, waar zij wist, dat men haar
huishoudelijke hulp niet gaarne miste, ’t geldelijk voordeel, dat haar
aanwezigheid daar verschafte en waarover ze eigenlijk nooit precies had
nagedacht, vermoedende, dat de verkapte tegenstand aangaande haar
mogelijk vertrek alleen voortkwam uit vrees voor minder gemak voor
tante en volstrekt niet om ’t beetje, dat ze hier betaalde. Praatte
mevrouw dus over de zaak heen, veronachtzaamde zij iedere, nog
bescheiden toespeling van Mieke op haar te hernemen vrijheid, scheen
zij van oordeel tegen dien tijd wel haar macht op ’t meisje te kunnen
toepassen om haar tot blijven over te halen wellicht te pressen, Olga,
geïrriteerd door de vele beslommeringen, die haar ’t hoofd deden
omloopen, door herhaaldelijke teleurstellingen, door overstelpende
drukte, en door het heimelijk verzet, dat ze oprijzen zag in Mieke bij
haar nu eens ongeduldige en dan weer achtelooze bevelen, die klonken,
alsof datgene wat Mieke voor haar deed een móéten was, Olga, bovendien
geërgerd door tante Sophie’s gezeur achter Mieke’s rug over het
inconveniënt van haar mogelijk heengaan-op-den-duur, juist nu ze wat
aan het kind begon te krijgen, juist nu ze Betje na den bruiloft wilde
opzeggen om bezuiniging,—Olga uitte die ergernis over dit alles weder
als vanouds in spot en ironische opmerkingen, in geestige hatelijkheden
nu en dan. Haar nerveuze en gejaagde gemoedstoestand maakte haar
woorden bijwijlen nog scherper dan in den tijd, toen Mieke
hiertegenover nog onbeslagen op ’t ijs stond. Nu kende zij de situatie,
doch eenigermate ontwend aan het twijfelachtig genoegen van Olga’s
interesse, trof haar deze nu weer pijnlijker dan ooit.
Mieke ook voelde, nu Olga zich door het vooruitzicht een plaats te
zullen bekleeden in de aanzienlijke familie Bogaerts, minder dan ooit
in tel te zijn bij haar nicht. Zij, nog altijd in Olga’s oogen het
eenvoudige buitenmeisje, het dood-gewone schooljuffrouwtje, bleef en
werd opnieuw, vooral nu ze weer herhaaldelijker en nauwer met haar in
aanraking kwam bij het installeeren van haar kostbaar intérieur, bij
het afwerken van het luxueuze uitzet, iemand, die haar alleen reeds
door haar persoon aan verschillende waarheden herinnerde, welke zij
veel liever wilde vergeten. Olga was daarbij menschkundig genoeg om op
te merken hoe Mieke haar beoordeelde op den juisten maat, en Olga
wènschte niet beoordeeld te worden en zeker niet op den juisten maat.
Zij wilde gevleid zijn en gevierd, zij wenschte te regeeren en geen
verantwoording te geven van haar doen en denken. Men moest niet
vragen—luid of met de oogen—: „Waarom doe je dit?” of „Waarom laat je
dat?” Evenmin als men slechts haar zin moest doen omdat zij, Olga, het
gebóód, dan wel, omdat men haar, de meeste, de koningin, niet anders
dan dienen wilde. En zij besefte héél duidelijk: Mieke diende haar
niet, net zoo min als Loes. Zij voelde, hoe er altijd dezelfde strijd
bleef tusschen haar en dat kind, dat haar nabij stond en dat ze toch
niet nabij duldde... Dit kon Olga natuurlijk wel niemendal schelen,
natuurlijk, ze gaf er geen ziertje om, maar wanneer er andere dingen
bij kwamen, die haar hinderden, dan herleefde de oude wrevel, en zocht
en vond een uitweg in haar gedrag van vroeger. En, sedert Mieke vaster
haar toekomstplannen omlijnde en erover sprak, werden dezen het punt
van aanval voor Olga’s toenemende prikkelbare stemmingen.
In die dagen bezocht Mieke zelden haar kleine dametjes. De keeren,
waarop zij bij ze kwam, vertelde ze echter nooit iets van Olga’s
schimpscheuten. Toch, de dametjes begrepen maar al te goed, dat er wat
onaangenaams haperde bij haar buurvrouwtje, en het vuur waarmede deze
over haar plannen na den bruiloft sprak overtuigde beiden, dat het
heden nu niet juist zoo buitengewoon rooskleurig voor haar was. Zij
deelden hartelijk in Mieke’s hoopvolle bespiegelingen; daarvoor hielden
zij van haar; en juist in wat Mieke verzweeg hoorden zij wat ze thuis
miste. Mieke’s eenvoudig persoontje kon niet aarden in dat milieu van
leege uiterlijkheid en luxueuzen schijn, van intellektueele
opgeschroefdheid en berekende vriendschap; haar klare, onopgesmukte
natuur móést zich wel zwervend voelen tusschen deze zoo van haar
verschillende elementen. Daarom juichte vooral juffrouw Roosje Mieke’s
zelfstandigheid toe. Zij moest geheel op eigen beenen leeren staan,
haar eigen kapitaaltje leeren beheeren, dat was ’t beste voor haar,
oordeelde de juffrouw onomwonden. Mieke was er verstandig en praktisch
genoeg voor om spoedig, met haar voogds voorlichting, hiertoe in staat
te zijn en dan haar eigen, zelf gekozen weg te gaan.
Juffrouw Roosje had nooit over haar eigen levensondervindingen
gesproken dan over zulke als het reciteeren in het
pijpenbroekje-toilet. Maar als zij Mieke aanspoorde van het leven te
nemen wat het haar bieden zou voor schoons en mogelijkheden, dan dacht
Mieke wel eens of juffrouw Roosje misschien zelve niet te weinig ervan
had genoten, te weinig had gewaagd. En toen het oude dametje, eens met
haar alleen zijnde, Mieke’s handje vatte, zeggend: „Het is zoo
heerlijk, dat tegenwoordig een meisje het leven mag aandurven, het niet
geheel langs zich behoeft te laten gaan,”—toen wist het jonge meisje,
dat ook juffrouw Roosje nog andere en diepere ervaringen had opgedaan
in de vele jaren vóór haar gezichtje zoo rimpelig was en heur haar zoo
grijs als nu, dat ook juffrouw Roosje’s herinneringen niet stilstonden
bij den bolwangigen rijksdaalder, Mance’s gestorven geliefde en de
dames in crinolines en met tournures op de verbleekte portretten in het
album. Juffrouw Roosje had óók haar geschiedenis, wellicht door niemand
gekend dan door haarzelve.
Mieke werd deze waarheid duidelijk door de trillende aandoening, die
over het lieve, vervallen gezichtje vaagde en door den innigen druk van
het kleine, magere handje.— —
Oom Egbert, grijzer geworden het laatste jaar en verouderend, trok zich
tijdens de drukte in huis zeer terug. Soms waagde hij nog een poging om
aan te sporen tot bezuiniging, maar zóó eendrachtig beweerden mama en
Olga, „dat dit nu de slotuitgaven waren en vader nu eens bedenken
moest, dat dit nu werkelijk het allerlaatste was, wat hij aan z’n
dochter ten koste behoefde te leggen,” dat vader eindelijk maar zonder
opmerkingen betaalde, zichzelf paaiend met de geruststellende
verzekering: „Ze hebben eigenlijk gelijk.”... ’t Duurde immers nog
bijna een jaar vóór Mieke meerderjarig zou wezen en verantwoording kon
vragen over het financieel beheer van haar bescheiden vermogen?... Oom
Egbert suste zichzelf in slaap met de gedachte, dat het tegen dien tijd
in de zaken wel weer beter zou gaan dan nu in den crisistijd.
Bovendien, Olga’s toelagen zouden dan zijn opgehouden, van den zorg
voor haar was hij dan heelemaal bevrijd; Erik zou wellicht ook een eind
opgeschoten zijn met z’n werk, wat ernstiger wezen en minder uitgeven
dan nu; Loes, die lieveling, bleef sober genoeg in haar eischen,—en
verder zou, na Olga’s huwelijk, de heele huishouding ook veel
eenvoudiger worden, Sophie had het hem immers uitdrukkelijk beloofd?...
In vredesnaam, nu dus nog maar niet opnieuw zich muizenesten in ’t
hoofd halen; de komende tijden zouden ongetwijfeld veel vergoeden, en
al wat hij de laatste maanden soms weer van Mieke’s geld gebruikte zou
zij terughebben, zèker,—hij was een eerlijk man! Hij stond haar borg,
dat hij een eerlijk man was.