Na de schitterende verlovingspartij braken er voor Olga en Bogaerts
drukke weken en dagen aan van logeeren en visites, maar voor de familie
Van der Hoeve ging het gewone leven toch weer z’n oude gangetje. Dus
ook voor Mieke.
Olga was den eersten tijd na het publiek worden van haar engagement
veel van huis geweest, zoodat haar groote schare kennissen zich minder
ten huize der familie vertoonde. Wel kwam hierin eenige verandering
toen zij de colleges weer regelmatig volgde, omdat zij van den zomer
nog haar candidaatsexamen wenschte te doen, maar het leek toch alsof
zij niet meer zóó’n belangwekkend middelpunt was van haar kring als
vroeger. Trouwens zij verlangde dit ook niet meer te zijn; haar
wenschen gingen nu meer-en-meer in een andere richting.
Het was daarom na de groote gebeurtenis van het engagement veel saaier
geworden bij Van der Hoeve, want ook Erik kwam slechts sporadisch
opdagen, zeer tot z’n moeders grief om zooveel onachtzaamheid. Maar hij
verontschuldigde zich om drukke studie.
Mieke betreurde die kalmer entourage niet, daar de bereddering van den
aanloop grootendeels op haar neerkwam, en ook al omdat ze nu minder dan
voorheen, door Olga’s vake afwezigheid, haar opmerkingen te verwerken
kreeg. En Loes betreurde het evenmin.
Tante Sophie evenwel klaagde steen en been te zullen doodgaan van
verveling nu haar eigen kinderen haar zoo aan haar lot overlieten en nu
Egbert altijd zoo gejaagd weer òf naar kantoor moest òf op z’n kamer
ging zitten pennen als hing z’n leven af van al de mogelijke en
onmogelijke brieven, welke hij zat te schrijven of niet te schrijven.
Want van dat „werken” van Egbert geloofde tante Sophie niet veel. Als
zij hem onverwachts verraste deed hij dikwijls niets... Hij werd ook
zóó zeurig tegenwoordig, óúd... Tante Sophie vond het een naren,
vervelenden boel in huis, en ze had nog al juist zooveel meerder
gezelschapsleven verwacht. Maar neen, ieder ging tegenwoordig z’n eigen
kant uit, en wat kostte dit handenvol geld! Zelfs mama zou, als het zóó
voortging, maar blij wezen als Olga goed-en-wel de studie had vaarwel
gezegd en nog een poosje rustig thuis kwam om dan aan de inrichting van
haar huis te beginnen... Egbert had er laatst eens heel ernstig met
haar over gesproken en after all moest ze hem nu eigenlijk gelijk
geven... Zeker, (mama keek hoogst serieus), ze waren nu eenmaal geen
menschen van groot kapitaal zooals de Bogaertsen. Het kantoor ging
uitstekend, dat zei Egbert uitdrukkelijk, ofschoon natuurlijk soms wel
eens iets minder, doch dat kwam door omstandigheden, die zich wel weer
herstelden mettertijd. Maar overleg moest er zijn!... Dit beaamde
mevrouw volkomen, te meer nu ook haar kas leemten vertoonde, die nog
nooit zóó groot waren geweest als thans... En zij zegde Egbert beslist
meerdere zuinigheid toe, tevens beloften om ook Olga terecht te wijzen
met het oog op de aanstaande enorme onkosten bij haar huwelijk. Want
dit moest toch de kroon zetten op alles! Dat was dan ook het laatste...
Niettemin het maakte mevrouw Sophie wel zéér nerveus, al dit gezeur...
Ze hield maar weer eens voor een poosje wat langer ’s morgens haar
kamer, nam een rustkuur.
Er kwam na den neerval, die volgde op den zoo glorieusen tijd, echter
eenige opleving toen Olga slaagde voor haar candidaats en toen Bogaerts
promoveerde, wat weer ettelijke dinertjes tengevolge had. Tante Sophie
werd die dagen weer geheel de oude... Loes’ overgang naar de vierde van
de H. B. S., evenals Mieke’s bevordering naar een hoogere klasse,
raakten op den achtergrond bij deze veel beduidender gebeurtenissen.
Mieke-zelf en Loes verblijdden zich echter zeer, en ook oom Egbert
toonde zich hoogelijk tevreden. Mieke schreef een verheugden brief naar
juffrouw Wije, zich verwonderend, dat ze daarop maar geen antwoord van
de boerin kreeg. Tot het haar op een goeden morgen in ’t begin van
September gebracht werd.
Betje had „een meneer voor juffrouw Mieke” in het salon gelaten.
Met kloppend hart meende het meisje dominee Rensen te zullen ontmoeten,
maar diep blozend stond ze tegenover de groote gestalte van Geert Wije,
die in de stad moest wezen en nu zijn moeders groeten en gelukwenschen
kwam overbrengen.
„Je bent groot geworden, Mieke, slanker en langer,” vond Geert, haar
monsterend, en z’n zware stem klonk vreemd sonoor in het volgepropte
salon, evenals zijn gestalte er wat eigenaardig aandeed. Hij keek eens
rond met een vroolijk: „En leef jij nu hier, in zooveel deftigheid en
pracht? Ben je nou niet héél erg de lucht in gegaan, meisje? Wil je je
eenvoudige buren nog wel aankijken, zeg?”
„O, meneer Geert,” riep Mieke met tranen van vreugde in de oogen, „dat
moet je niet zeggen. Ik ben toch zoo blij weer eens iemand van thuis te
treffen,” geheel sprekend in den trant van vroeger. Zij voelde zich
weer heelemaal kind naast Geert, niet de jonge dame, die men in haar
had willen doen ontwaken,—die ook ontwaakt wàs, successievelijk.
„Zoo, zoo,” zei Geert, veel bedaarder opeens en langzaam, niets
spottend meer, „nou, dat is dan best. Ik ben er wel eens bang voor
geweest, moet ik je eerlijk zeggen, dat we niet goed genoeg meer voor
je zouden zijn als je zoo schreef van al die deftige menschen.”
Zij mat hem eens: z’n hooge gestalte in ’t donkerblauwe pak, ’t bruin
verbrande, open gezicht met de klare, blauwe oogen, die haar zoo
vriendelijk, doch ook wel wat wantrouwend aanzagen,—en ze stak hem
spontaan heur hand toe, ontroerd.
„Jullie hoeft nooit bang voor me te wezen,” zei ze. „Ik heb geleerd van
veel hier te houden, maar ik blijf een buitenmensch, altijd.”
„’t Is waar,” zei Geert, „zoo ging ’t ook mij. Ik ben en blijf een
boer, ik kan er niks aan doen.” Het leek alsof er een verontschuldiging
in die woorden klonk. Ze troffen Mieke niet aangenaam.
„Maar,” vervolgde hij, „ik praat over mezelf. Ik zal je vertellen van
moeder en mevrouw Bos.”
Mieke’s gezichtje glunderde van interesse. Nu kwam ze eerst geheel op
dreef, zoo echt op dreef als in geen jaar... Was Jans nog op de
boerderij en Trijn?... Allebei nog?... En oude Thijs?... Ook?
Maar nu vroeg Geert naar háár leven... Wat moest Mieke daarvan zeggen?
Het was heel gewoon: elkeen was goed voor haar, zei ze... En ze kwam
ook nog bij twee aardige, oude dametjes, met wie ze vriendschap had
gesloten...
Ja, dat wist Geert allemaal... En wat dacht ze te gaan doen als ze het
volgend jaar door haar examen kwam? Bleef ze dan in de stad?
„Dat zal afhangen van ’tgeen oom Egbert vindt. Tante wil mij voorloopig
wel graag hier houden, denk ik.”
„Voorloopig? Wat is voorloopig?” vroeg hij.
„Tot ik meerderjarig ben en doen en laten kan wat me zelf ’t beste
lijkt.”
„En dan? Daarna? Wat begin je dan?”
„Dan...? Dan wil ik eerstens oom vragen mijzelf het beheer over mijn
geld te geven.”
„Natuurlijk. Je krijgt daarvan zeker nu nog geen verantwoording, is ’t
wel?” hij vroeg het onderzoekend.
„Neen,” antwoordde zij, eenigszins verwonderd over de wijze, waarop hij
de vraag stelde. „Dat hoeft nu natuurlijk nog niet. Maar zoodra ik
een-en-twintig ben wil ik heelemaal onafhankelijk zijn om mij te
vestigen, en zóó te vestigen als ik mij dat voorstel. Ik zou het liefst
buiten in een mooie streek een school zoeken en me daar aardig een
kamer inrichten bij vriendelijke, eenvoudige menschen. Ik zou dan Loes
bij me te logeeren vragen en de kleine dametjes, en dan echt willen
meeleven met de kinderen.”
„Zoo,” zei Geert, belangstellend luisterend. Hij knikte haar
glimlachend toe, zooals een verstandige, oudere broer een jonger zusje
toeknikt, dat hij tot-nog-toe volstrekt niet als volwassen beschouwde
en dat hem nu opeens komt herinneren, hoe de tijd voortgaat en ook zij
haar plaats in het leven verlangt te gaan innemen. Hij stond bij die
plotse ontdekking er een oogenblik wel wat vreemd tegenover, maar toen
gaf hij zichzelf toe een beetje onnadenkend hieromtrent te zijn
geweest. „Nou zie ik toch,” ging hij voort met een glimpje meerder
respekt en wat minder gemeenzaamheid, „nou zie ik toch, dat je wel erg
gegroeid bent, Mieke. Je bent anders geworden dan toen ik je in de
tilbury naar het station bracht.”
„Anders?” vroeg ze verschrikt. Zij kleurde.
„Zelfstandiger en met zulke grootsche wenschen!”
„Vindt u?” ze trok wat terug, een beetje bekoeld door zijn nuchtere,
spottend klinkende opmerking. Vond hij haar overdreven? „Grootsche
wenschen!”... Zij kon het niet helpen, dat zij naar haar
zelfstandigheid verlangde met geheel haar hart.
Het gesprek begon eenigszins te hokken, en toen even daarna tante
Sophie binnenkwam, die „dien Geert Wije toch ook eens wilde zien,”
verliep het heelemaal. Ondanks het weinig conversabele van ’t
onderhoud, dat zoowel Mieke als den bezoeker drukte, viel hij tante
Sophie toch bijzonder mee, naar ze later beweerde. „Hij was volstrekt
niet lomp,” prees zij „en lang niet zoo ongelikt als ze zich een boer
voorstelde. Wel den echten buitenman zag je aan hem, maar niettemin
iemand met tamelijk goede manieren en niets verlegen in haar salon.” En
èven moest Mieke nu fijntjes glimlachen om tante Sophie’s aanmatiging.
Zij dacht aan de prachtige modelboerderij en aan juffrouw Wije’s
porcelein, dat ze vergeleek bij tante’s verscheidenheid van modernen
smaak en wansmaak in „haar” salon.
Loes, die juist bij het afscheid Wije nog trof, verheugde zich
hartelijk eens een van Mieke’s oude vrienden te ontmoeten.
En toen Geert vertrokken was stond Mieke alleen in de gang met zeer
gemengde gevoelens: blijdschap om het weerzien, maar ook kwam er in
haar ontevredenheid met zichzelf, omdat Geert zeide haar „anders” te
vinden dan vroeger... Zouden àllen daarginds iets in haar verloren
hebben zooals hij? Dat vond ze akelig, bedroevend. Uiterlijk mocht ze
dan al eenigermate verschillen bij een jaar geleden, zij drukte zich
thans misschien wat minder ongekunsteld en onduidelijker uit dan toen,
haar wil toonde zich misschien sterker geworden en heel haar persoon
verried waarschijnlijk de meerdere ondervinding sedert ze vertrok van
het dorp,—maar ànders? neen anders was zij niet geworden, dat wist ze
héél zeker! Het leek haar, alsof ze met die uitspraak wederom iets
verloor van ’t lieve van vroeger, dat weer niet door het tegenwoordige
te vergoeden was... Het bezoek had haar niet die onverdeelde vreugde
gegeven, welke zij er wel eens van had verwacht, al verheugde ’t haar
Geert gesproken te hebben, alleen al om de onvoorwaardelijke
goedkeuring waarmede hij met haar plan instemde, om na haar
meerderjarigheid geheel onafhankelijk haar weg te gaan.—
Hoe meer zij hierover nadacht en hoe meer deze wensch vasten vorm ging
aannemen, hoe sterker zij naar die onafhankelijkheid en dien tijd van
zelfstandigheid ging verlangen. Doch ook begon zij duidelijker en
duidelijker in te zien welk een menigte bezwaren haar in de naaste
toekomst zouden verhinderen ongestoord haar vleugels uit te slaan en de
wereld in te vliegen. Een jaar geleden nog voor een groot deel der
familie min-of-meer een hinderpaal, was zij de afgeloopen maanden voor
het gezin en vooral voor tante Sophie een steun geworden, dien deze
niet graag zou willen missen. Men sprak er reeds nu-en-dan en nog
losjesweg over zich na Olga’s huwelijk slechts met één dienstmeisje te
vergenoegen en Mieke de bepaalde functie te geven van
hulp-in-de-huishouding, desnoods met een kleine toelaag, die dan
verrekend kon worden met het kostgeld. Vooral gedurende tante’s
veelvuldiger voorkomende ongesteldheden, nu ze weer vaker last kreeg
van haar oude kwaal, zouden allen met een dergelijke regeling zeer
gebaat zijn. Ook kon die wellicht leiden tot eenige bezuiniging,—maar
van deze laatste beweegreden hoorde Mieke niet. Wèl van opkomende
plannen omtrent haar toekomst. En hoewel ze nog een jaar ongeveer voor
den boeg had vóór ze haar onderwijzeres-akte kon halen, toch zag ze in
nog een harden dobber te zullen hebben om haar rechten te verwerven,
haar recht op vrijheid bovenal. Doch des te moeilijker zou ze dit
verkrijgen, nu men haar somtijds merken liet erop gesteld te zijn, dat
ze blijven zou, ook later... Had zij tegenwoordig nog te klagen?...
Neen immers... Men vitte zelden meer op haar: Mieke was Mieke, blééf
Mieke desnoods. Men nam haar in zekeren zin zooals ze was, zelfs Olga,
die tegenwoordig zulke ontzettend gewichtige dingen aan ’t hoofd had,
dat ze Mieke nauwelijks meer zág. Dat de zachte kracht eener warme
liefde in dit gezin ontbrak, een kracht, die Mieke steeds nog noode
miste, daarover mocht ze niet morren: alle huisgenooten konden het
blijkbaar zonder deze stellen, of legden zich bij het gemis ervan neer.
Waarom zij dus niet?... Zij had bovendien nog Loes en de dametjes en
een paar sympathieke schoolkennisjes, èn oom Egbert’s tersluiksche
genegenheid, die haar toch nu-en-dan eens herinnerde in hem een
familielid te hebben.
Van oom Egbert echter, ondanks die genegenheid, voorzag ze nochtans
evenveel tegenkanting als van tante Sophie zoodra de tijd dáár zou zijn
dat ze vrij het leven in wilde gaan om te trachten te bereiken wat ze
zoo vurig hoopte. Hij zei het haar laatst duidelijk genoeg: „Wij kunnen
je niet meer missen, Mieke. Je moet in ’t vervolg maar altijd bij ons
blijven, zooals nu,” en gadeslaande haar stille bedrijvigheid, streek
hij haar over ’t haar, zich dan in gepeins afkeerend.
Dit alles verontrustte Mieke menigmalen met betrekking tot haar
vooruitzichten. Maar veelal dwong zij zich geen zorgen voor tijd te
scheppen. Het duurde nog een jaar ongeveer vóór ze onderwijzeres kon
zijn en nog ruim twee vóór ze meerderjarig was.
Doch heelemaal geruststellen kon ze zichzelve niet.
Zoo verliep er nog een jaar en vierde Mieke voor den tweeden keer haar
geboortedag onder oom Egbert’s dak.