Begin Januari werd Mieke achttien jaar. De verjaardag ging in alle
stilte voorbij, en behalve door eenige cadeautjes en brieven, welke ze
kreeg, was er weinig verschil merkbaar tusschen dezen dag en andere.
Toch verheugde zij zich om enkele dingen. Loes had haar verrast met een
aardig boekenstandaardje, en oom Egbert met „Armoede” van Ina Boudier,
iets wat tante Sophie erg duur en overdreven vond. Mieke had van haar
toch al zes zakdoekjes! Zoo’n boek er nog bij was heusch onnoodig, vond
ze. Maar ze bedacht, dat Mieke tijdens en na haar ziekte eigenlijk
heelemaal geen aardigheidje van haar gekregen had—ofschoon Mieke een
feitelijke belooning indertijd min-of-meer verspeelde dien avond van
haar „redding van drenkelingen”, zooals Olga haar hulp aan juffrouw
Roosje spottenderwijs betitelde—dus maakte mevrouw Sophie haar man maar
geen al te groot verwijt van die „maltentigheid”, die ze bij hem voor
het nichtje waarnam de laatste dagen. Met dat al hinderde het haar toch
eenigszins te gelooven, dat hij Mieke bijwijlen eenigszins scheen te
willen voortrekken. Hij kon soms zoo bespottelijk belangstellend naar
haar oordeel luisteren en later, op ongelegen oogenblikken, terugkomen
op wat zij gezegd had... Enfin, daar maar niet te veel notitie van
nemen was het beste. Mevrouw, van haar kant, was blij met Januari het
driemaandelijksch kostgeld van Mieke te ontvangen bij het gewone
huishoudgeld, nu ze met Olga’s verloving zulke groote onkosten had, die
ze daarmee wel nog lang niet heelemaal kon bestrijden, maar dat haar
toch heel aardig hielp bij de allerdringendste uitgaven. Vandaar dan
ook haar toegevendheid op den verjaardag bij vaders lichtelijk
verwennen van Mieke.
Juffrouw Wije schreef haar ex-buurvrouwtje een hartelijken brief over
alles wat haar belang kon inboezemen. Haar korte zinnen waren duidelijk
en welsprekend, zooals geheel haar persoon. En Mieke frischte op van
dien brief als van een blijden voorjaarsdag.
Haar lessen waren nu ook weer begonnen en haar dagen zouden weer hun
gewonen gang van vóór tantes ziekte zijn gegaan, wanneer niet
langzamerhand haar hulp in velerlei thuis weer dienstig werd bevonden.
Boodschapjes in allerhande richtingen werden noodzakelijk naarmate de
groote dag naderde van Olga’s receptie; massa’s kleinigheden, die tijd
en vaardigheid vereischten, moesten worden afgedaan, en in heel wat van
deze tegemoetkomingen bleek Mieke, gewend als men geraakt was aan haar
vlugheid van begrip en handigheid, niet te vervangen. Dus keerde, na
eenige weken van betrekkelijk gemak, de drukte weer voor haar terug.
De receptiedag werd een ontzettend ingespannen. Mieke vroeg zich af
waarom men zichzelf eigenlijk die penetentie oplegde van uren achtereen
te staan en te glimlachen, terwijl ieder, die tot de familie behoorde,
toch onomwonden verklaarde het afschuwelijk te vinden. Allen te samen
vormden een schitterenden stoet van fraai gekleede menschen met Olga
als brillant middelpunt, en elkeen leek zich, niettegenstaande zijn
eigen tegenspraak, zeer verheugd en prettig te gevoelen... Mieke
begreep dat weer niet... Zij stond nevens allen, on-thuis, verlangend
naar het einde, moe van het langstrekken dier vele bekende en onbekende
gezichten, met hoofdpijn van de zoete geuren in de met bloemen
overladen suite.
Olga in heur soepel wit zijden japonnetje, op heur gezichtje een trekje
van hooghartige minzaamheid en zegevierenden trots, was sprookjesmooi
naast Bogaerts, den in stille verrukking haar bewonderenden prins, z’n
knap, wat onbeduidend gelaat in stereotiep welwillenden glimlach naar
de gelukwenschenden gekeerd. De pa’s spraken gemeenzaam doch uiterst
correkt en met beschermend handgebaar van bezadigde mannen tot de
gaanden en komenden. De ma’s, meer gereserveerd, meer-of-minder
innemend hoofdneigende onderhielden zich met de diverse bezoekers naar
hun aanzien of rang op eveneens meer-of-minder vriendelijken toon. De
gasten zeiden lieve en vleiende dingen en bewonderden om strijd de
prachtige bloemen, en algemeen vernam men ’t oordeel, dat het „een
magnifique dag” was, hoewel met een zucht van verlichting hunnerzijds
de huisdeur zich achter hen sloot.
En des avonds volgde een diner.
Mama had dit, ook al op uitdrukkelijk verlangen harer oudste dochter,
buitenshuis gewild, en vader stond voor een fait-accompli toen hij
hieromtrent bezwaren maakte. Bijna ontstond daarover een zóó groot
meeningsverschil tusschen meneer en mevrouw als de kinderen nog nooit
hadden meegemaakt. Oom Egbert toonde zich nog zelden zóó ontstemd omdat
er nu niets meer aan te veranderen viel... Was een partijtje aan huis
niet goed genoeg? Waarom zulk handen vol geld weggegooid voor noodeloos
vertoon? De tegenwoordige tijd was er waarlijk niet naar om zulke
uitgaven, reeds bij een verloving, klein te achten. Wat dàn als Olga
trouwde?
Doch tante Sophie bepleitte haar goed recht met niet onverdienstelijke
scherpheden. En Olga liet mama dezen keer maar alleen de kastanjes uit
’t vuur halen. Zij had haar zin. Waar diende ’t voor zich nog verder te
verontrusten?
Mama betoogde, dat dit dinertje heusch zooveel kostbaarder niet was dan
een partijtje thuis. Slechts petit-comité inviteerde men... Loes, als
zusje, kon niet gemist, maar op Mieke bij voorbeeld had men niet
gerekend... En méér zoo... Zag Egbert nu niet in, dat men op die manier
op stellig de helft minder uitnoodigingen kwam?
Maar oom Egbert scheen hardleersch, dien keer. Hij ontstak in toorn.
Tante Sophie, gewend aan z’n goedige lijdzaamheid en zijn afkeer voor
onaangenaamheden en gekibbel, stond eenige oogenblikken verslagen.
„Dus eigen moet wijken voor vreemde snoeshanen?” viel hij uit, tante
Sophie herinnerend door dien uitval aan de dagen in het begin van haar
huwelijk, toen Egbert nog zoo weinig gepolijst was en zoo dwars tegen
den man in kon gaan. Zij ergerde zich onzegbaar. Foei, hoe ruw en grof!
„Vreemde snoeshanen?” en in haar toon lag Olga’s korte ironie.
„Dat kind,” ging hij voort, „dat zooveel gemak in huis geeft en ons
zooveel diensten bewijst en dat toch ook betáált...”
„Cht! Cht! Wat ik je verzoeken mag,” sprak mevrouw Van der Hoeve met
krachtig afwerend handgebaar. „Ik begrijp heusch niet wat je mankeert
opeens, Egbert. Ik heb heel goed bemerkt, dat je den laatsten tijd wat
zenuwachtig bent, maar nu kan ik dat toch werkelijk niet langer tot een
excuus aanvoeren, als je zóó begint... Het zou wat moois zijn als wij
eens niets dan last hadden van Mieke. Waar ze genoeg bezit zou het wel
méér dan dwaas wezen haar rente op rente te laten leggen en haar niet
haar eigen onkosten te laten dekken. Blijft haar daarna niet nog genoeg
over om hier te waardeeren? Of houdt dat eenig verband met haar
presentie op ’t diner?... Ik geloof zelfs niet, dat je er haar een
dienst mee doet zoo voor haar in de bres te springen op zoo’n
allerongelukkigst moment. Ze wil niets liever dan thuisblijven. Vráág
het haar!... En dan: onderhield ze bij je moeder niet het heele huisje?
Ze doet gráág wat in de huishouding.”
Oom Egbert zag reeds heel spoedig na tante Sophie’s beginnen het
nuttelooze in van zijn tegenwerpingen... Was het waar, dat hij Mieke
geen dienst bewees met zoo te spreken?... Mevrouws positieve woorden
verrasten als altijd zijn immer dralende beweegredenen en verdreven die
weder successievelijk naar den achtergrond, hoewel niet zoo vlug en
gemakkelijk als gewoonlijk. Het ging hem aan ’t hart het kind te moeten
achteraf-zetten, waar hij kort tevoren zoo een overgrooten dienst van
haar ondervond,—zij het er dan ook één door haarzelve en door anderen
ongeweten... Had een deel van haar kapitaaltje, door hem beheerd, hem
onlangs niet uit een hoogst penible geldverlegenheid gered, nadat hij
eenige dagen met de handen in het haar gezeten en over een veilige
oplossing afmattend had zitten piekeren? Maar dat kon hij natuurlijk
aan niemand vertellen, dat behóéfde hij ook niet aan iemand te
vertellen, want de zaak was al lang weer in orde: hij had het geld
onmiddellijk weer aangezuiverd, toen de slimme dagen voorbij waren...
Doch dat men dit kind, dat hen allen—onbewust, maar nochtans—eigenlijk
gered had, dat men haar niet alle vergoeding gaf, welke haar daarvoor
toekwam, het begon hem te steken, te verwijten, het vergrootte ook zijn
angstgevoel voor een niet onwaarschijnlijke herhaling van een nieuw
tekort, dat wederom dreigde. Moest Mieke’s onvoorwaardelijk vertrouwen
dan wederom den tol betalen voor hen, voor hen-allen? Ach, als eerst
Olga maar goed-en-wel getrouwd was en Erik afgestudeerd dan zouden z’n
uitgaven zeker tot de helft verminderen, maar den laatsten tijd leek
het alsof men dacht, dat hij het geld maar van een boompje schudde,
terwijl men toch eens begrijpen moest hoe moeilijk het zaken-doen werd
tegenwoordig.
Z’n hoofd vol bezwaren op allerlei gebied, werd hij inmiddels
gecomplimenteerd door allen, die prijs stelden op Olga’s gunst. De
Bogaertsen muntten uit in voorkomendheid, wat zéér diende te worden
geapprecieerd. Olga pakte allen dan ook onweerstaanbaar.
En op het diner, te midden harer aanstaande familie, harer vrienden en
vriendinnen, zwaaide Olga gracieus heur tooverstaf. Zoo geestig en
opgewekt, zulk een buitengewoon begaafd gelukskind kreeg men zelden te
vereeren. Wèl vond Tilly Mertens haar wat medelijdende neerbuigendheid
ongewoon en eenigszins pijnlijk toen ze vroeg, „of het werkelijk waar
was, dat ze plan had haar studie op te geven om de kinderen van haar
gestorven zuster op te voeden?”
Tilly’s leelijk gezichtje straalde toen ze deze vraag bevestigend
beantwoordde en zei ’t heerlijk te vinden een doel te krijgen om voor
te leven.
„Je lijkt Mieke wel,” lachte Olga een weinig spotachtig. „Wel zielig
voor je om er je studie voor te moeten laten varen.”
„Zielig, o neen,” weersprak Tilly blijmoedig.
„’t Is toch zonde van je knappe werk. Je hadt al zooveel bereikt.”
„Beklaag me maar niet,” verdedigde de ander vroolijk haar voornemen;
Olga’s manier-van-spreken drukte haar even, maar opgewekt herstelde zij
zich. „Wie weet bereik ik nu niet veel méér dan een doktoraal.”
Olga gaf haar een tikje op den arm, echter op minder amikale wijze dan
toen Tilly gold voor „de meest eminente” onder de vriendinnen.
Dégradeerde Tilly zichzelve niet tot een doodgewoon sloofje?... Jammer.
Niets in Olga’s geest. Ze hield nu eenmaal niet van menschen, die
beneden een zeker niveau, wat haar niet aanstond, leefden of
terugvielen. Als zij het vooruit geweten had zou ze Tilly maar liever
in plaats van op dit diner op het onder-onsje thuis hebben geïnviteerd.
Tilly informeerde belangstellend naar Mieke. Zelf nu van gansch andere
gedachten vervuld dan tijdens haar vroegere bezoeken bij de Van der
Hoeve’s, voelde zij zich bij het noemen van Mieke’s naam deze
plotseling naderkomen.
„Zij bleef liever thuis,” zei Olga met afdoende beslistheid. „Ze houdt
niet van festiviteiten als deze.”
Loes, die wat achteraf stond, ze was knorrig en had het land ondanks de
grapjes van Bogaerts’ jongsten broer, dien ze „een mispunt” vond, Loes
schamperde ertusschen: „Ze is ook niet gevráágd. Ze is immers onze
Asschepoester.” Haar oogen toornden. Toen werd ze heftig even. „Maar
als er ooit,” flapte ze uit, „een glazen muiltje verloren is, zal ’t
háár passen. Háár voet is de kleinste,—ze is de beste van allemaal!”
De heer Van der Hoeve, die in de nabijheid het gesprek onwillens
verstond, keerde zich wat gejaagd en met een korte wrevelbeweging af...
Hij was wat bleek geworden... Was het Asschepoestertje in zijn oogen
niet reeds verheven boven den schoonen schijn van dit feest? Wist hij
het niet allang, dat het muiltje haar paste?... Wat haperde er toch in
hem?... Waarom was hij niet even verheugd als Sophie, als iedereen?...
Was Olga dan z’n trots niet meer, zijn bewonderde oogappel?... Behoefde
hij zich nog om gepasseerde kleinigheden ongerust te maken? De kleine
som, die hij van Mieke’s kapitaaltje leende, stond immers reeds weer
voor haar vast? Alles was nu toch weer in orde, goed, deugdelijk in
orde?... Nu dan! Wat behoefde hij dan zoo te malen over glazen muiltjes
en Asschepoestertjes?... Buitendien, ’t kind zei toch zelf niet eens
graag te willen naar het diner.
Hij keek rond en zag hoe allen zich sterk voelden en hoog, vol
eigendunk en trots, en hijzelf ook deed mede, trotsch en vroolijk en
eigendunkelijk. En mama knikte hem van verre toe, omdat hij toch wel
een goede, beste man was, als ’t erop aankwam, en vreeselijk
inschikkelijk... Maar met dat al bleven Loes’ woorden dreinen in zijn
hoofd, ondanks toosten en gelach.
En Asschepoestertje zat welbehaaglijk bij haar oude tooverkolletjes,
met doodgewone, waterdichte laarzen aan en ze dàcht niet aan glazen
muiltjes, die haar konden passen en de eerekroon konden doen verwerven.
Zij luisterde weer naar het verhaal van den rijksdaalder met het bolle
gezicht en den tijdigen zondvloed, en naar nog eenige dergelijke
jeugdvertelsels, en ze bekeek portretten uit de oude doos, van dames
met crinolines en meisjes met tournures, ze amuseerde zich best en
voelde zich tevreden en veilig en heelemaal bijkomen na den
vermoeienden receptiemiddag. Haar linkeroor gloeide niet eens, zoodat
ze zelfs geen flauw vermoeden had, dat men zoo gedurig over haar
nadacht als oom Egbert deed, dien avond. Zij had er niet het minste
idee van hoe hij met herhaaldelijke zelfkwelling zich haar eenzaamheid
herinnerde, niets vermoedend van haar tevredenheid.
Pas bemerkte zij dat ze niet vergeten was, toen ze, reeds in bed
liggend en half in dommel, gewekt werd door Loes, nog in partijjurk,
zittend op den rand van haar ledikant. Zij had het licht aangestoken en
spreidde nu op de deken alles uit wat ze meebracht.
„Hier, voor jou; allemaal voor jou. Ik heb zooveel gekaapt als ik kon
van ’t dessert, chocolaadjes en bonbons,” zei ze.
„Loes, táárt?”
„Ja, natuurlijk, taart ook. Gevraagd aan den kellner, een piekfijne met
een kuitenbroek, geloof ik. Hij heeft het zelf voor me in een papiertje
gedaan, toen ik zei, dat ’t voor een vriendin van me was. Zoo’n lieve
man! Voor niets nog al. Ik had niet eens een fooitje.”
„Maar Loes!”
„Eet nou op. Alles... Lekker?”
„Ja, fijne dingetjes.”
„Was ’t aardig bij de Totebelletjes?”
„Ja... En bij jullie?”
„Ze vonden ’t allemaal dol.”
„En jij? Was ’t heerlijk?”
„Och... heerlijk? Neen... niet heerlijk.—Is vader niet ongedurig,
Mieke?” ze vroeg het angstig opeens.
Mieke schrok van Loes’ plotse onrust.
„’k Heb niet gemerkt,” zei ze, even ontsteld. „Hoe zoo?”
„Ik weet niet...”
„Niet tobben, Loes. Je hebt je wat druk gemaakt vandaag.”
„Dat zal ’t zijn,” bevestigde Loes, hangerig. „Dat iemand zooveel
inspanning nu noodig vindt bij de liefde, hè?” Ze gaapte, en Mieke
gooide een chocolaadje in den geopenden mond.
Toen lachten ze allebei.
„Als wij es gaan trouwen moeten we niets van dien rompslomp hebben, is
’t wel?” vervolgde ze, alweer monterder, grappig gesticuleerend,
opstaande van den bedrand met het restje van haar lust.
„Ik denk van niet,” stemde Mieke in. „Als... àls... misschien nooit.”
„’t Wordt kritiek, ’t onderwerp. Laten we maar gauw ’t licht uitdoen,
anders gaan we nog blozen... Hèb je je neus al in ’t kussen, Miek?...
Nu dan, wel te rusten, lief Asschepoesje.”
„Waarom Asschepoesje?” Mieke draaide ’t hoofd naar ’t uitploffend gas.
Loes kwam nog even met een vaartje naar haar toe en een zoen verdwaalde
op Mieke’s haar.
„Daarom,” zei ze,—en ze ging.