Met dat al sliep Mieke evenwel niet slecht dien nacht. Jong en gezond
en vermoeid zegeviert het lichaam spoedig over den geest, als men op
een koud kamertje warmpjes onder de wol ligt en het geweten niet
bezwaard is. Door haar verbanning vroeger dan anders in haar mandje
gekropen, (want na rijp overleg had ze zich maar niet beneden gewaagd
uit vrees weer een flater te begaan) ontwaakte zij dan ook verkwikt na
een flinke nachtrust. Doch niet lang zou dat gevoel van welbehagen
duren. Met het opklaren van haar geheugen kwamen ook de vele
wederwaardigheden van den vorigen dag haar herinneren wat haar
vermoedelijk te wachten stond, en met looden schoenen daalde ze de
trappen af om beneden voor ’t ontbijt te zorgen. Loes had haar
gisteravond ook gauw nog eventjes om een hoekje verteld, dat de heele
familie den eersten Kerstdag tijdig bij de hand wilde zijn, omdat de
heeren Bogaerts met de koffie en met ’t middagmaal verwacht werden;
bovendien rekende men op veel visite. Dus haastte Mieke zich zooveel
mogelijk om de familie van tegemoetkoming te dienen, in de hoop ook
daardoor wat clementie te verwerven bij de te verwachte veroordeeling.
Die dan ook niet uitbleef, n.l. de veroordeeling.
Was de Kerststemming bij Mieke dezen morgen nog steeds niet de ware,
zij verloor geheel haar karakter bij ’t binnenkomen van Olga. Met
enkele vinnige woorden slechts teekende deze het voorval van
gisteravond.
Mieke zweeg. Zij dacht aan den blik, die haar de kamer had uitgekeken
met zoo onweerstaanbare macht. Zij verdroeg al ’tgeen Olga haar nu kort
toevoegde als een opmerking, doch scherp als een mes. Zij verweerde
zich niet, Mieke, omdat de woorden haar nog niet over de lippen wilden,
omdat zij te overbluft nog was. Zij kón het zich niet begrijpen hoe
iemand over zóó iets kleins kon spreken, terwijl toch zooveel
machtigers haar wezen vervullen moest.
Nu verscheen ook tante Sophie. Zij had slecht geslapen, vertelde ze, na
al de emoties van gisteren; zij leek fanée en kribberig, en Mieke
ziende, luchtte zij haar prikkelbaarheid in een positief standje over
al de schandelijkheden van den vorigen avond... Met welk een ongeduld
wachtte men op de boodschappen!—Mieke kwam maar niet!... Om acht uur
nóg geen Tenback! Zoodat Johanna er weer op uit moest worden
gestuurd... De heeren waren er stellig reeds een half uur, toen men
eindelijk wat presenteeren kon, want de helft had Mieke op de theetafel
vergeten... En natuurlijk waren er geen koekjes, die Johanna óók nog
moest halen... Het was meer dan erg... Daarenboven, zwart lint ook had
Mieke mee moeten brengen, nietwaar? Tante wachtte en wachtte. Ze móést
’t hebben voor haar zwarte japon... Ten laatste had ze haar groene aan
moeten doen; het duurde te lang voor Mieke verscheen!—Verwijt op
verwijt werd ’t meisje naar ’t hoofd geslingerd. Maar tante’s
verontwaardiging bereikte haar toppunt bij het spreken over Mieke’s
binnenkomst, waarvan Olga haar verteld had... Zóó’n verschijning! Zóó
een nichtje te moeten presenteeren aan iemand als Henri’s vader, aan
menschen, aan wie je geparenteerd zult raken! Zij zouden een fraai idee
krijgen van de familie, een héél fraai idee... Ze hàd al weinig
meegevends, Mieke, maar als ze zóó voor den dag kwam...!
Mieke boog ’t hoofd. Zacht verontschuldigde ze zich, deed een kort
verhaal over de dametjes.
Olga keek haar verwonderd aan.
„Bij de Totebelletjes?” riep ze. „Ben je bij de Totebelletjes geweest?”
„Bij de dames Ravenhorst,” zei Mieke verbeterend.
„Ik noem ze de Totebelletjes.”
„Ze zijn heelemaal geen totebelletjes.”
„Haha, bij die karikatuurtjes! En om zóóiets liet je ons wachten? ’t Is
meer dan erg... Had andere menschen voor haar laten zorgen. Waarom
moest jij je juist opwerpen als beschermster?”
„Ik kon de arme juffrouw toch niet in de modder laten liggen,”
weersprak Mieke, zich warm voelende worden.
„Komen er bij zoo’n gelegenheid niet dadelijk dienstvaardigen genoeg?
Die barmhartige samaritanigheid van jou! Hoort dat ook soms bij je
roeping of zooiets? Ons kan je wel zonder gewetensbezwaar in
verlegenheid laten.”
Mieke, tot-nu-toe beheerscht, joeg met snelle drang weer de drift naar
’t hoofd. Dus had ze juffrouw Roosje maar in de modder met pijnlijken
voet hulpeloos op straat moeten laten liggen, om vooral niet later
thuis te komen met die onnoozele boodschappen, of om ’t melkkannetje op
de theetafel te vullen? want dat was ’t eenige, wat ze vergeten kon
hebben... Deelde Olga dan niets, niets aan anderen mede van haar geluk,
zelfs geen medelijden, zelfs geen uurtje tijd aan degenen, die toch
voor haar vlogen?—’t Kookte in Mieke als op dien eersten middag, toen
zij meende, dat Olga zich voor haar schaamde. Toen echter was ze
verontwaardigd, nu leed ze; niet om eigen vernedering, maar omdat ze de
ander zoo innig graag wat geven wilde van het rijke liefdegevoel, dat
in haar leefde, maar dat de ander afwees als iets minderwaardigs. De
tranen schoten Mieke in de oogen bij Olga’s koele woorden over het
kleine dametje.
„O!” riep ze in vervoering, „hoe kàn je zoo spreken, als je zelf pas
alles gekregen hebt wat je hoopte, zóóveel geluk!” Een snik ontsnapte
haar.
„Verbeeld je,” lachte Olga spottend. „Zou ik soms in tranen moeten
baden om een totebelletje? Je bent wèl veeleischend, zeg.”
„Geen dispuut asjeblieft,” bitste tante Sophie tot Mieke, ziende hoe
deze naar woorden zocht tot bescheid. „Zóó is ’t welletjes voor ’t
Kerstfeest. Het ligt anders niet in de lijn hiervan, deze manier van
doen van jou.—En is dit ook je felicitatie?”
Toen werd Mieke stil, heel stil. Heur handen trokken samen met
klemmende vingers, heur oogen sloeg ze neer; heur mondje, op ’t punt
van schreien, vertrok bevende... Kerstfeest!—En Olga’s verloving!...
Zij had nog geen woord van verblijding gezegd... In drommen omsingelden
ze haar weer, de zelfverwijten. Ze had gefaald; en in plaats van dit te
bekennen verweerde zij zich in het wilde met de ongebonden drift, welke
haar sedert haar verblijf hier zoovaak nu reeds overmeesterde...
Beschaamd en bedroefd stond ze daar weer tegenover zichzelve... Zij
schreide vanbinnen. Haar drift brak.
Ze stak Olga langzaam, aarzelend, de hand toe.
„Heel veel geluk,” zei ze zacht, bijna ootmoedig... O, àltijd won Olga
den kamp, altijd moest zij, Mieke, zich weer overgeven. Zou ze dan
nooit leeren boven zichzelf uit te komen? Nooit een àf mensch worden,
wetende wat ze wilde en zeide, en willende, zeggende slechts datgene
wat ze zeker wist? Wànneer kende zij nu eindelijk zichzelve? Ze was
toch geen klein kind meer, dezer dagen toch reeds achttien. Nog één
jaar en ze zou al onderwijzeres zijn, zelfstandig... En nóg beheerschte
zij zichzelve niet... O, Mieke had het zoo moeilijk bij ’t innerlijk
vechten.
„Ik hoop,” vervolgde ze mat, overwonnen, „dat je nog heel veel goeds
wacht.”
„Dank je,” nam Olga de toegestoken hand met een flauw drukje.
Ook tante feliciteerde ze, en oom Egbert, die verstrooid scheen.
Loes stoof lawaaierig binnen, monsterde eens de gezichten en kwam tot
de juiste conclusie dat afleiden niets meer baten zou, want dat de bom
al gebarsten was vóór zij, langslaapster, arriveerde. In vredesnaam dan
maar verder zooveel mogelijk de gevolgen der botsing bemantelen.
„Wanneer ging Olga nu naar Henri’s familie? Wanneer zou er receptie
zijn?” vroeg ze belangstellend en met zeer veel geanimeerdheid.
Olga antwoordde buitengewoon omstandig. Er ontstonden uitgebreide
beraadslagingen over kaarten, visites, de verlovingspartij... En Olga’s
jonge, sterke schoonheid ontplooide weer ten volle haar overbluffenden
glans met groote onweerstaanbaarheid. De koude, dwingende blik,
snerpend als een najaarswind, was gansch-en-al opgelost in trotsche
satisfaktie, heur koele, zelfbewuste houding in buigzame
lieftalligheid.
Na de onaangenaamheden, dien eersten Kerstmorgen, werd de nasleep
hiervan niet zoo groot als Mieke eerst wel vreesde. Elkeen had het te
druk met zichzelf of de jong verloofden om zich nu lang bezig te houden
met een onbeteekenend persoontje als zij. Men had wel wat anders aan ’t
hoofd.
Er kwam veel visite, van wie de meesten zoo’n beetje en sommigen een
heeleboel begrepen van de belangwekkende familiegebeurtenis. De
fluistergesprekken op mevrouw Van der Hoeve’s ziekenkamer hadden hun
uitwerking niet gemist en het publiek geheim veroorzaakte allerhande
zijdelingsche grapjes en quasi-vergissingen, zeer tot genoegen der
betrokkenen. Ook bij ontstentenis van bezoekers bleef echter nog die
roezemoezigheid in huis. Honderderlei dingen moesten bedisseld worden,
over niets anders werd gesproken dan over receptie, logé’s,
verlovingsfeest, waarover Loes vijf-en-twintig maal achtereen zuchtte.
„Als ik ooit een vrijer krijg,” riep ze één keer uit, toen ’t haar te
machtig werd, „als ik ooit een vrijer krijg, laat ik hem aan niemand
kijken, een partij geef ik nooit, kaartjes krijgen ze niet en naar een
receptie laat ik iedereen fluiten!”
Mama vond Loes ontzettend onbehoorlijk, en Olga ergerde zich méér dàn
aan dat „vrijer”—Henri, een vrijer!—doch Loes bereikte niets, want noch
mama noch Olga stoorden zich aan de jongste, die nu eenmaal niet in tel
was. Mama dacht wel eens zoo bij zichzelf, ’t leek soms of Loes geen
kind van haar was, zoo vreeselijk als zij verschilde met de twee
anderen, zoo totaal zij al haar moeders lessen in den wind
sloeg;—vreemd.
De voorbereidingen schenen eindeloos,—doch hoezeer men den laatsten
tijd ook Mieke’s hulp bij alles produktief maakte, thans bleek men van
deze niet gediend. Weerde men haar diensten eenigszins om vrijer te
kunnen handelen? Heimelijk beschouwde tante Sophie Mieke altijd
min-of-meer als een pottenkijkster... Mama kende ook de licht geuite
verbazing van dergelijke meisjes. Op een onverwacht moment verspraken
zulke kinderen zich en bedierven de zaak. En Egbert keek toch al zoo
verschrikkelijk zuinig, den laatsten tijd, alsof hij op ’t punt stond
raad te geven om wat te menageeren. Natuurlijk zou je hem wel
onmiddellijk van je praktisch overleg kunnen overtuigen, maar
kleingeestig gehaspel hierover kon ze nu wel het allerminst gebruiken.
Onbekrompen moest men de familie Bogaerts tegemoet treden. Egbert
diende te begrijpen hoe heel Olga’s toekomst nauw aansloot bij den
eersten indruk, welken de Bogaertsen zouden ontvangen. Olga moest in
geen enkel opzicht behoeven onder te doen, voor niemand. Dat had zij
nooit gedaan... En mevrouw, met koortsachtige haast en interesse,
bereidde den glorieusen tijd, den tijd, waarop ook zij vieren zou den
triomf van haar streven. Olga, haar mooiste, haar trots, zou rijk
worden en zeer aanzienlijk; ook háár eerzucht en ijdelheid vonden voor
eenige oogenblikken hierin volkomen bevrediging... Daarom geen
dwarsdrijverij! Het was vrij wat beter, dat Mieke van het fijne van den
grootschen opzet niet alles afwist, dan kon zij zich meteen niet
vergissen, en behoefden papa of Loes—welke laatste men er ook maar
buiten hield met haar geflapuit en haar gezeur soms, „dat vader maar
voor de lasten opdraaide”—zich niet noodeloos ongerust te maken.
Mieke werd intusschen dus meer aan zichzelf overgelaten, en als ze zich
niet met haar jongste nicht verpoosde op een wandelingetje of in een
lees- of babbeluurtje, daardoor weer geheel gerakend in haar
levensmanier van vóór tante’s ongesteldheid en „de” merkwaardige
gebeurtenis, maakte zij haar vacantiewerk.
En ééns ook, op een avond—de dames Ravenhorst hadden een boodschap
gestuurd om haar te inviteeren—was zij bij de dametjes geweest.
Juffrouw Roosje, met geheel genezen voet, die slechts verstuikt bleek
te zijn geweest, liep gelijk van ouds als een vlug, trippelend
poppetje. Zij kuste Mieke en gaf haar het beste plaatsje aan den haard.
Hoe’n kwiek, aardig vrouwtje was zij nu, nu geestig en vroolijk haar
oogen twinkelden, vol vreugde het meisje weer te zien. Bij de ergste
pijn had ze geschertst, thans, dankbaar voor haar herstel, kwam ze
Mieke voor als de levende blijmoedigheid.
Had reeds dien malaise-avond de intimiteit van de omgeving haar invloed
op Mieke niet gemist, nu ze zonder onrust van deze genieten kon, was
het haar bijna of ze hier hoorde. Zij zei het, en de oude dametjes
vonden het heerlijk.
Mieke vertelde haar van thuis, van grootmoeder, en met stroomen ging
heur sympathie naar de beide bedaagde vrouwen, die luisterden met warme
belangstelling... Zoo blij voelde Mieke zich, als eens, in den goeden
tijd, zoo vrij en onbevangen. Van geen enkel woord behoefde zij den
klank te bedenken, geen zinsbouw werd bekritiseerd, en—eigenaardig—heur
handen beziende, bemerkte zij, dat die volstrekt niet rood waren als op
de avondjes bij tante.
Zij vertelde ook van ’t mooie dorp, van de groote boerderij van Wije,
van het voorjaar en de wijde luchten, waarover ze vroeger nooit zoo
gedacht had, over de ruime vlakten, waarvan ze nooit zóó onbegrensd had
genoten als nu, tusschen de hooge huizen in de overvolle straten. En
toch, nu zij hier eenmaal was, nu ze het leven van zoo een geheel
anderen kant leerde bekijken, kwam er ook hier veel wat haar trok.
Indien ze hier weg zou moeten, zou ze gaan met opoffering van veel...
Ze sprak over haar bekenden daarginds, die ze nu zoo anders zag dan
vroeger. Ze zag ze soms nobeler dan de menschen hier, meer waar en
oprecht,—maar ook wist zij, dat zij ze toch nooit weer kon beschouwen
als eens, tenminste de meerderheid niet, omdat ze nu wist wat ze, bij
hun grootere natuurlijkheid, ook weer misten, en wat ze toch wel gaarne
met die grootere ongekunsteldheid vereenigd zou hebben gezien. Niet
juffrouw Wije, of dominee Rensen, of Geert,—zij hadden altijd begrepen,
wat Mieke nu pas léérde begrijpen, maar Mieke meende de dorpelingen, de
meisjes uit de plaats, met wie ze schoolging, en zooveel anderen. Maar
dat alles kwam, omdat zijzèlf zoo veranderd was. Zij was zoo half
geworden: geen buitenmensch meer en daarentegen toch ook totaal geen
stedeling...
Hoe kwam het, dat zij zoo sprak tot deze dametjes? Zelfs met Loes had
ze hierover nooit gesproken.
Maar juffrouw Roosje begreep haar heel goed. Juffrouw Roosje beter dan
juffrouw Hermance, die maar zoo’n beetje sentimenteel zat te kijken.
„Dat komt allemaal wel terecht,” zei de eerste, „als je maar door deze
moeilijke periode heen bent gegroeid. Er komen in ’t leven nu eenmaal
vóór en na van die gedeelten, die je worstelend moet overwinnen, zoo
goed en zoo kwaad het gaat, vooral ook onmin met jezelf. Maar je moet
nooit wanhopen, al begrijp je ook niet waarvoor al die strijd noodig
is,—tót je nu-en-dan stilstaat en terugblikt op den afgeloopen weg van
een hoogte, die je bereikte. Dan pas overzie je duidelijk wat je
geleerd hebt, en je bent blij met wat je verwierf. Je hebt leed gekend
en strijd, maar je bent grooter geworden in begrijpen en gevoelen; je
zoudt toch niet weer terugwillen. Je zoudt niet alles wat je leven
breeder maakte en rijper willen missen, zoo je het maar gemakkelijker
hadt gehad. Je bent gegroeid: als mensch.”
Juffrouw Hermance zat maar vriendelijk te knikken. En juffrouw Roosje
vervolgde na een poos van stilte: „Als je maar eerst zoover bent, dat
je onafhankelijk kunt doen en laten wat je wilt. Je vertelde me
zooeven, dat je oom je kapitaaltje beheert. Nu, zoodra ik een plaats
als onderwijzeres gevonden had en meerderjarig was, zou ik zelf willen
doen; ik zou heelemaal vrij willen staan, en dan den weg volgen, dien
ik meende, dat ik volgen móést. Maar voorloopig moet je niet anders
doen dan trachten te houden van alles wat in je omgeving daarnaar
vraagt. Je bent nu in Amsterdam en nu moet je ook van Amsterdam
houden.”
„Ja,” sprak juffrouw Hermance, „dat zeg ik ook.”
„Wij,” vervolgde juffrouw Roosje op haar zachten, zekeren toon en op
haar vriendelijke, doch zeer gedecideerde manier, „wij, Mance en ik,
zijn hier vastgegroeid, geboren en getogen, maar toch zijn we daarom
niet bevooroordeeld voor deze stad. We hebben er niet alleen gewoond,
maar ook geleefd: genoten en geleden. En overal waar je dat gedaan hebt
is de omgeving je dierbaar. Zoo moet jij het ook leeren beschouwen. Dat
is moeilijk als je jong bent, heel moeilijk, maar je moet ’t toch
probeeren.”
„Ja,” zei Mieke, schuchter instemmend, „het is heel moeilijk.”
„Liefje,” vervolgde juffrouw Roosje, haar mager, gelig handje op
Mieke’s blank, roze pootje leggend en dat drukkend, „je moet niet
slechts zien, maar ook bewaren. Als wij van ons huisbezoek in de
achterbuurten thuis kwamen heeft al het moois, wat we daarna zagen, ons
dikwijls zóó versterkt, dat we wel eens tot elkander zeiden: „Goddank,
dat het zien van zooveel schoons ons lust en moed geeft tegen het
leelijke te blijven strijden.”
„O, dikwijls heeft ons dat versterkt,” beaamde Hermance met een ernstig
mondje.
Mieke herinnerde zich heur blijde avondwandeling, en het werd zéér
licht in haar.
„Zooals jij houdt van je dorp, zoo houden wij van onze stad, omdat wij
haar kennen zooals jij je dorp kent, kind. Niet om de groote
modepaleizen of de restaurants, niet om de prachtige gebouwen of breede
verkeerswegen houden wij van haar, maar we houden van alles erin, van
de groote en kleine grachten, waarlangs wij al liepen met onzen goeden
grootvader, van alles en alles in deze stad houden wij, omdat we ermee
zijn samengegroeid.” Juffrouw Roosje raakte in vuur. „Ik houd ook van
de achterbuurten,” ging zij voort, „omdat ik houd van de menschen, die
daar werken en lijden, en die ik maar zelden zoo’n héél klein beetje
helpen kan.”
„Wij zijn Menist,” sprak Mance verduidelijkend. „Hoofdzakelijk is ons
huisbezoek bij Menisten, maar ook toch wel bij anderen.”
Roosje maakte een afwerend gebaar. „Wat doet het ertoe wat we zijn, als
we maar doen wat we kunnen, misschien verkeerd, misschien goed. Wie kan
’t zeggen?... Maar wáár je bent, leef daar met je hart, en overal zal
’t dan goed wezen, voor jezelf en anderen.”
De drie zwegen weer eenigen tijd. Mieke vond „haar eigen dametje” toch
zoo best! Zij kwam Mieke voor de meest verstandige te zijn van beiden,
de leidster. Juffrouw Hermance leek meer passief, minder levendig
ook... „Och,” zei juffrouw Roosje zacht, toen haar zuster even buiten
’t bereik was, „zij heeft ook zooveel geleden, Hermance.” Juffrouw
Roosje sprak zéér teeder over de ander nu, wier klein gezichtje inzonk
bij ’t luider ophalen der verdrietige herinneringen. Toch liet juffrouw
Roosje haar het verhaal doen van haar leven, wat Mance gaarne scheen te
willen... Mieke wist nog niet dat dit het eenige verhaal was, dat
juffrouw Mance ooit vertelde. Zij wist nog niet, hoe juffrouw Roosje
steeds elkeen trachtte te bemoedigen met een opsomming van ’t schoone
van ’t heden, terwijl juffrouw Mance als tegenstelling gaf het lieve
van ’t voorbijgegane.
Zij was de bruid, juffrouw Mance—heur schor stemmetje leek nog meer
omfloersd dan anders—en juffrouw Mance was een-en-twintig jaar, toen
haar liefste stierf en zij de bruid blééf... Arme juffrouw Mance!
Benijdenswaardige ziel, die vier-en-vijftig jaren lang het ideaal bleef
behouden, dat ze thans de gelukkigste vrouw ter wereld zou zijn
geweest, zoo niet de wreede dood die hoop had vernietigd... Want niets
gebeurde er in haar leven sindsdien. Zij teerde nóg op dat geluk,
teerde nóg op dat verdriet, het eenig ingrijpende in haar leven.—Jaren
en jaren was het nu reeds verteerd, juffrouw Mance kon zich bijwijlen
niet eens goed meer een voorstelling maken van den dierbaren
afgestorvene, maar ze zei dit nooit. Het zou haar heiligschennis
geleken hebben. Z’n portret was verbleekt, z’n stem uit haar geheugen,
de pijn om z’n gemis weg uit haar hart,—maar toch, zij treurde,
koesterende haar vergaan ideaal met uitgedoofd verlangen. Roosje hielp
haar, treurde mede op dagen van herdenken, luisterde altijd weer
opnieuw met even groot geduld... En om de beide oude vrouwtjes spon de
tijd een lieflijk waas van zachte romantiek.—
Juffrouw Roosje meende nu Mieke ook wat te moeten opvroolijken. Wel
foei, den heelen avond moraal en treurige geschiedenissen ging niet
aan! Dan zou Mieke wellicht nooit terugkomen!—En nu kwam er een ander
bedrijf uit beider jeugd... Pas naderhand ervaarde Mieke, hoe ook dit
verhaal een wederkeerend was,—doch het deerde haar niet.
Toen zij verteld had van dominee Rensen, sprak ook juffrouw Roosje van
haar godsdienstonderwijs. Hoe jong reeds leerde zij heele
Bijbelhoofdstukken en teksten, psalmen en gezangen op haar grootvaders
uitdrukkelijk verlangen uit het hoofd. Nergens stelde de oude heer
zóóveel belang in als in deze lessen betreffende de grondbeginselen des
Christendoms bij z’n kleinkinderen. Des Zondags moesten juffrouw Mance
en juffrouw Roosje haar wijsheid bij hem komen luchten om beloond te
worden met gaven in den spaarpot, waar, zooals juffrouw Roosje zei,
heur hart als braaf kind, niet naar uitging... Heel heur gezichtje zag
guitig en kwam vol oolijke rimpeltjes onder ’t grappig vertellen uit
haar kindsche jaren... Ja, zij was heusch een zóét kind geweest, èn
zich dit bewust. Ze had niet voor niets Van Alphen’s versjes van buiten
geleerd, en voelde zich diep doordrongen van: „Geen geld bekore ons
jong gemoed, maar heiligheid en deugd...” Ach, tóén werd men misschien
dikwerf wat met deugdzaamheid overladen, nu mist men ’t streven ernaar
wel eens noode!... Maar enfin... Juffrouw Roosje zei dan, dat ze
werkelijk een braaf meisje was geweest en niet dàcht aan grapjes,
wanneer ze bij grootvader haar wekelijksche proeve aflegde van
kinderlijke stichting. Maar, zooals kinderen vaak op den klank nazeggen
wat zij hooren, zonder zich rekenschap van den zin te geven, had ook
zij met de mede-leerlingen op school den meester nagesproken het
godsdienstig gezang, ’twelk die week aan de orde was... Daar stond zij
op zekeren Zondagmorgen voor grootvader, de kleine meid, in het korte
jurkje, waaruit het lange, gesteven pijpenbroekje met het fijne
borduurseltje getuigen aflegde van moeders keurigheid; helder witte
kousjes had zij aan en zeer, zéér glimmend gepoetste knooplaarsjes.
Daar stond zij, het gezichtje opgeheven, de handjes op den rug, en na
diep te hebben adem gehaald begon zij ernstig:
„Rijksdaalder met een bol gezicht,
De zondvloed tijdig neder...”
En de arme, brave Roosje werd in den hoek gezet om zóóveel
goddeloosheid! Wel foei, zùlk een scherts!
Nóg lachte het oude dametje. Ook juffrouw Hermance lachte, maar van
juffrouw Roosje’s kleine gezichtje was niet één centimetertje zonder
rimpeltjes of deukjes, en traantjes drupten op haar pensée japonnetje.
Ach, haar godvruchtig zieltje had niets dan zoet-zijn en leerzaamheid
gewild, en het gezang:
„Reeds daalt met een omwolkt gezicht
De zon vroegtijdig neder...”
had toch waarlijk ook in den uitspraak van den rijksdaalder met het
bolle gezicht en den tijdigen zondvloed haar plechtig en verheven in de
ooren geklonken.
Mieke schaterde. In lang had zij zoo hartelijk niet gelachen. „O,”
vroeg zij, „zou Loes ook eens mogen meekomen en wilde de juffrouw het
haar dan ook eens vertellen?”
De dametjes-zelf genoten niet het minst van dit succes. Welk een
dankbaar gehoor! Zoo weinigen hadden tegenwoordig tijd om naar oude
menschen te luisteren; iedereen had zoo’n haast... Ze vonden het een
kostelijken avond.
Toen Mieke naar huis ging was ze voldaan en héél blij. Ze zou dolgraag
terugkomen... Zou ze niet blij zijn? Ze wist nu zeker, dat ze twee
vriendinnen rijker was geworden en al waren dit nu een paar heel oude,
ouderwetsche dametjes, wat hinderde dat?
Loes vond ’t éénig ook eens mede te mogen.
„Wat hebben zulke kinderen nu bij mogelijkheid dáár!” riep Olga
minachtend. „Eéns ben ik per ongeluk bij de Totebelletjes boven
geweest, maar ik hield ’t er geen vijf minuten uit. Je besterft het van
verveling.”
Mieke antwoordde niet. Zij dacht erover hoe eigenaardig die
kennismaking tot stand kwam, door hindernissen en onaangenaamheden. En
dikwijls, heel dikwijls nog zocht ze de vriendschap der dametjes, vond
ze bij haar evenwicht en raad. Maar over dien raad later.