EIGENAARDIGE TOESPELINGEN.

Het liep tegen Kerstmis; de donkere dagen waren donkerder dan ooit, en

guurder en triester. Tante Sophie, wat verkouden en influenza-achtig,

hield het grootste deel van den dag het bed. Haar ongesteldheid gaf

veel drukte, en Mieke, op wie de extra bediening van ziekesoepjes,

warme kruiken, heete melk met poedertjes, en drankjes hoofdzakelijk

neerkwam, hoopte van harte op de aanstaande kerstvacantie. Mocht tante

dan nóg ziek zijn, zoo zou ’t voor Mieke in ieder geval toch

gemakkelijker wezen, omdat ze haar dag dan minder behoefde te verdeelen

en slechts de veelvuldiger huishoudelijke bezigheden te verrichten had

zonder daarbij nog zorgen te hebben voor schoolgaan en lessen-leeren.

Nu liep haar hoofd dikwijls om van de massa’s ongelijksoortige

beslommeringen, en spreekt het vanzelf, dat Mieke hartgrondig verlangde

naar de vacantie, waarin ze tenminste van een gedeelte harer

veelzijdige plichten zou bevrijd zijn.

Ondanks de ziekte van mevrouw Van der Hoeve heerschte er in huis echter

niet de minste droefgeestigheid. Wel-is-waar waren vele van Olga’s en

Erik’s kennissen naar hun familie buiten de stad vertrokken, zoodat er

minder gasten kwamen dan vóór de studenten-vacantie, maar daarentegen

verschenen tante Sophie’s vriendinnen des te vaker om, naar het heette,

de zieke wat op te vroolijken. Zij hadden dan boven op de slaapkamer

langdurige en min-of-meer geheimzinnige conferenties, die, wanneer

Mieke onverwachts binnenkwam met thee voor de dames en ’t een-of-ander

voor de zieke, eensklaps overgingen in voor ’t meisje onbegrijpelijke

toespelingen en wonderlijke knipoogjes. Tante Sophie kon soms ook zeer

eigenaardige dingen tot Mieke zeggen over „een buitengewoon groote

verrassing” en „een groote, op handen zijnde verandering”, waarvan

Mieke geen syllabe begreep, iets wat tante dan blijkbaar niet prettig

vond, terwijl ze toch niet duidelijker mocht zijn naar haar zeggen,

omdat ’tgeen, waarop zij doelde, nog een geheim moest blijven,—het

geheim van anderen.

De mevrouwen echter schenen dit geheim toch allen te doorgronden. Zij

lachten althans met verstandhouding—sommigen ook wat gedwongen—en

stelden allerlei fluisterende vragen aan tante Sophie, die deze weer op

raadselachtige wijze beantwoordde en van eigenaardige lachjes deed

vergezeld gaan.

Bijwijlen liep Mieke over al die geheimzinnig-doenerij te prakkizeeren,

daar ook Olga vreemd deed, zéér tot ongenoegen van Loes.

„Kind, wat praat je toch gekke dingen!” riep zij eens geïrriteerd uit.

„Zeg dan wat je bedoelt,” en met verbazing keek Loes haar zuster aan,

stil wordend opeens. Want wat haar nog nimmer overkwam: de indruk harer

zusters uiterlijke bekoring trof haar eensklaps in hooge mate en

onverhoeds. Eigenlijk had zij nooit zoo precies op Olga gelet. Zij

hoorde wel haar schoonheid roemen, en bemerkte, hoe velen haar

trachtten te imiteeren, maar zij was groot geworden met haar zuster en

zag niets buitengewoons aan haar. Het verwonderde haar zelfs

menigmalen, dat velen Olga zoo zochten. Waarom?... Zij wist maar al te

goed, dat Olga’s vriendschap op-en-neerging met de omstandigheden harer

vriendinnen: het waren slechts gefortuneerde, voorname of eminente

meisjes, (of jongens) die mochten bogen op Olga’s sympathie. O, zeker,

Olga kon charmant en hartelijk zijn tegen hen op wie ze het begrepen

had, maar Loes vroeg zich wel eens af, of dan niemand in haar trekken

las hoe nukkig, hoe koel en hard zij wezen kon. Of zou dat hen allen

niet deren?... Háár deed zij dikwijls pijn en zij adoreerde Olga niet.

Ze kon het niet helpen, zij verweet ’t zichzelve soms, maar ze hield

niet van haar zuster, niet innig tenminste, zooals haar hart ’t

verlangde. Een zekere band van gewoonte en gemeenschappelijke belangen

bond haar-beiden, ook vaders liefde voor z’n twee meisjes, die Loes

zich verplicht voelde te moeten deelen,—maar tevergeefs zocht de

jongere naar een teeder sentiment, een sterk vertrouwen als ze aan de

oudere dacht, en zij voelde daarin maar al te vaak gemis, verdriet

zelfs somtijds.

Nooit hadden de zoo algemeen geroemde gaven harer zuster dus in die

mate indruk op haar gemaakt als op buitenstaanders. Thans evenwel kwam

ook zij eenige oogenblikken onder de macht ervan, werd ook zij voor een

korte wijle geboeid door Olga’s nog nooit zóó overbluffend uitkomende

schoonheid en houding als nu. Voor de eerste maal zag zij haar zooals

anderen haar zagen, en Loes’ blik ging één moment in sterke bewondering

langs haar zuster. Zij was onthutst. Evenals Mieke gevoelde zij zich

nietig worden; maar ook in háár kwam die felle onwil als in Mieke, toen

deze nog vocht om haar standpunt van gelijkheid met het bevoorrechte

nichtje... Doch dit alles duurde slechts kort. Loes werd spoediger

nuchter dan Mieke; zij had zich ook niet voor ’t vervolg te beveiligen,

gelijk deze. Zij ging zich afvragen, waaróm Olga haar zoo opeens

getroffen had. Hoe kwam het, dat zulk een overweldigende triomf van

haar afstraalde?... Loes verdiepte zich in mogelijkheden, meer nog dan

Mieke, wier aandacht door honderderlei andere kleine en groote

beslommeringen in beslag werd genomen. Loes had een hekel aan die

geheimzinnige apartjes van Olga met mama... En papa deed net of hij van

den prins geen kwaad wist, maar z’n jongste geloofde daar niets van.

Doch hij zag nu niet zoo buitengewoon glorieus, integendeel; door z’n

aan de slapen reeds grijzend haar woelden dikwijls, terwijl hij in

blijkbaar niet zeer opgewekte gedachten verzonken was, z’n vingers,

afglijdend langs z’n voorhoofd om lang de gesloten oogen te bedekken.

Dan deed Loes jolig, aaide eens over z’n hoofd, en zei: „Vertel eens,

wat eraan scheelt? Wat mankeert jullie toch allemaal?”

En vader herstelde zich, deed ook jolig, luchtig zelfs. „Ach,” zei hij,

afwerend, „je droomt een beetje. Wat zou ons mankeeren?”

Na een ongesteldheid van omstreeks veertien dagen kwam in mevrouw Van

der Hoeve’s toestand (als je ’t zoo noemen wilt) schielijk een

onverwachtsche beterschap. Het verwonderde Mieke reeds verscheidene

dagen, dat tante Sophie nog maar steeds niet naar beneden ging en haar

kamer bleef houden, want naar haar meening was de verkoudheid en de

lichte influenza-aandoening reeds lang geweken. Zij zag er best uit en

at met smaak, maar liet zich nog altijd bedienen en Mieke het vuur uit

de sloffen loopen. Tante bleef echter nog wat pruilen van pijntje-hier

en pijntje-daar, totdat eensklaps, een week voor Kerstmis ongeveer, zij

besloot naar beneden te gaan, welk plotseling besluit Mieke met

bevreemding maar ook met een zucht van verlichting vernam, hopende nu

eens een paar uurtjes voor zichzelf te zullen krijgen.

Hoeveel inniger en vromer echter ging zij andere jaren het Kerstfeest

tegemoet, als in de pastorie of in het vriendelijk kerkje de Kerstboom

brandde; hoe hadden haar dan de tranen over de wangen geloopen van

vreugde om aller blijdschap. Wat hadden de warme woorden van den ouden

predikant haar zulke uren ontroerd en hoe vaak had zij zich—dagen van

heel jong kind doemden op in haar herinnering—niet voorgenomen beter te

worden dan zij was, zich waardig te toonen, dat ook om háár het groote

Licht geboren werd, dat gansch de menschheid het duister zou

verhelderen en den weg zou wijzen naar liefde en vrede, zoo men dien

weg maar gaan wilde met zelfverloochening, volharding en geestdrift. En

hoe menigmalen had Mieke het hart van zulk een geestdrift geklopt!

Altijd, àltijd had haar vóór het groote feest die stemming van wijding

en vrede beheerscht, kwam haar, vooral de laatste twee jaren, altijd

opnieuw het krachtig voornemen doordringen zichzelve te volmaken naar

het welbehagen van den Schepper, Die het Licht gezonden had. Thans

echter, afgetobd en zonder groote blijdschap, hoopte zij slechts op

eenige kalme uurtjes, alleen aan zichzelf te zijn overgelaten, om èven

te kunnen nadenken over wat haar andere jaren zoo spontaan en innig

verheugde, en wat haar nu wel niet onverschillig, nochtans zonder diepe

ontroering liet. Iets van vroeger wilde ze trachten terug te vinden

boven, tusschen grootmoeders oude meubeltjes op ’t scheeve kamertje.

Doch, leek het of eenige verpoozing voor haar niet uitgesloten was,

spoedig begon die vreemde stemming in huis, welke ze al sedert eenige

dagen waarnam, die geheimzinnigheid, over te slaan naar toenemende

agitatie.

Tante, gedurende haar ziekte vrij geduldig en niet onvriendelijk voor

haar verzorgster, bleek meer-en-meer nerveus te worden, en ook Olga’s

hoog gespannen zelfbewustheid scheen te verslappen tot prikkelbaarheid

en ongedurigheid. Zij zag er nu moe en kribberig uit, en om een

haverklap bitsten er meeningsverschillen tusschen mama en haar.

Tot eindelijk, twee dagen vóór ’t Kerstfeest, de onrust in huis haar

toppunt bereikte. De meiden werden gejacht, de suite moest, op Olga’s

uitdrukkelijk verlangen, geheel-en-al worden uitgehaald en opgepoetst.

Het werd een gestof en gewrijf en gedraaf, waaraan de heele

dames-familie, behalve Loes, die met een sierlijken wuif éclipseerde,

deelnam. En Mieke merkte geen ziertje van haar inmiddels aangebroken

vacantie.

Olga voerde de leiding, totdat bij een tijdelijke viering der strakke

teugels de werkpaardjes herademden.

De suite kreeg, onder deze geduchte behandeling, echter een aspekt van

weelde en van zeldzamen glans; de zenuwachtigheid der beide dames leek,

na deze prestatie van buitengewone netheid, eenigszins bekoeld,

verslapt bijna. Ze schenen mat en lusteloos, hoewel toch den volgenden

dag beider agitatie weer toenam.

Men zou dien dag zeer vroeg aan tafel gaan. „Er wordt bezoek verwacht,”

zei mama, en Loes, die zich door al die vreemde toespelingen in het

hoofd had gezet: „Er komt zeker een Kerstboom, dat is de verrassing,”

liet teleurgesteld die hoop varen... Bezoek!... Was dat alles?

Mieke zei bij zichzelf, dat ze blij zou wezen als dit zoo

onrust-barende bezoek nu maar goed-en-wel achter den rug was, wanneer

dit althans ’t einde beteekende van de inspanning der laatste dagen en

van dat eigenaardig gefluister, ’twelk haar een gewaarwording gaf van

onbehagen, alsof ze heimelijk in ’t ootje werd genomen, wat echter,

wist ze, toch volstrekt niet ’t geval was.

Olga zat vreeselijk te drijven aan tafel: men moest zoo vlug mogelijk

af-eten om tijd over te houden zich te verkleeden; en ondertusschen

ontdekte zij, dat, in de overgroote drukte van gisteren en vandaag, men

er niet op had gelet, dat de banketbakker de kersttaart niet had

gebracht, die besteld was voor vanavond en morgen, terwijl er ook nog

eenige kleinere boodschappen vergeten waren af te doen. Dit werd een

chapiter voor nieuwe onrust... Betje kon onmogelijk gemist worden. Zij

moest opendoen, bedienen en dergelijks. Johanna, ’t keukenmeisje, mocht

niet binnenkomen. Zij was veel te lomp en had roode winterhanden.

Bovendien bestelde mevrouw voor den eersten Kerstdag een uitgebreid

menue, daar de gasten dien dag ook nog zouden blijven, dus was

Johanna’s arbeid zóó noodig in de keuken, dat...

Olga’s doorgaans zoo beheerschte, bijna flegmatische manier van doen

sloeg over naar zenuwachtige gejaagdheid en spanning. Mieke echter, hoe

moe ook, sprong dadelijk bij. Ze voelde, hoe dit ook van haar verlangd

werd.

„Laat mij maar gaan,” onderbrak zij de kijverige bespiegelingen van

Olga en tante Sophie, die elkaar verweten, dat zij dit-en-dat konden

vergeten. „Zeg maar waar ik naar toe moet en wat ’t wezen zal.”

„’t Is ’t eenige wat erop zit,” oordeelde mevrouw verlicht.

„Maar zóó wil ik Mieke vanavond niet presenteeren,” bleef Olga

recalcitrant nog hindernissen speuren.

„Dat begrijp ik wel; dat begrijp ik wel,” viel Mieke haastig bij, uit

vrees dat aan dit onderwerp weer uitbreiding zou worden gegeven. „Ik

verkleed me, zoodra ik thuiskom, in een wip. En ik zal wel hard

loopen.”

„Of laat mij gaan,” stelde Loes, hoe anders ook ’t land hebbende aan

boodschappen-doen, gewillig voor, ziende de donkere kringen om Mieke’s

oogen.

„Welneen,” weerde Mieke af, wetende, hoe dit niet in tante’s bedoeling

lag.

„’t Is beter dat Mieke gaat,” vond tante Sophie dan ook. „Want jij moet

nog een ceintuur op je jurk naaien.”

Nu luwde de onrust wat bij die bevredigende oplossing en tante begaf

zich naar boven om haar toilet te maken, waar ze gewoonlijk nogal veel

tijd voor noodig had en Loes ging naar haar kamertje om zich zuchtende

op de visite te prepareeren, want ze had nu eenmaal een gruwelijken

hekel aan visite.

Olga draaide intusschen de elektrische kroon op in het salon, en in het

sterke, schitterende licht gaf het volle vertrek wederom dien glans van

overdadige luxe, welke Mieke zoozeer trof dien eersten dag van haar

komst hier in huis. En terwijl zij nog gauw even alles in gereedheid

bracht voor de thee, zoodat, als het water kookte, men maar behoefde op

te schenken, legde Olga de laatste hand aan het salon door ’t met wat

door vader meegebrachte bloemen te verfraaien en vervroolijken, haar

nichtje ondertusschen diverse commissies opdragende. In de eerste

plaats moest ze dus de koekjes halen, die Tenback vergeten had te

bezorgen, en vooràl de juffrouw een standje geven over de taart!...

Uitdrukkelijk diende zij te zeggen, dat die vanavond nog bezorgd moest

worden. „Verder...” en nu volgden er nog een viertal andere

boodschapjes... Zou Mieke die maar niet liever even noteeren?—En Mieke

noteerde.

Olga, ten laatste klaar met haar opgaven en het bloemen-schikken, sloot

de schuifdeuren, het verlichte salon dus van de huiskamer scheidend,

wat Mieke verwonderde... Deed Olga dit per ongeluk? Altijd, als er

gasten kwamen, stond de suite open. Ze maakte er haar attent op.

„Het licht brandt nog in de voorkamer,” zei ze.

Doch Olga, geheel bekomen van haar wrevel om de vergeten boodschappen,

lachte. Ze lachte overmoedig. „Ja,” riep ze, „de schuifdeuren blijven

éérst gesloten.” Er was nu geen ironie in haar manier van doen, niet de

minste geringschatting ook. Integendeel zag zij Mieke bijna vroolijk in

’t verwonderde gezicht, en eensklaps klonk daar voor deze, in die

schertsend uitgesproken woorden, èven een klankje van gemeenzaamheid;

zij voelde zich verward een oogenblik. Maar dan scheen zij de ander

nader te komen, zag zij een slagboom opgeheven tusschen haar-beiden,

een heel smal bruggetje, dat een kloof overspande. Er ging iets van

Olga tot haar uit, dat moment, wat Mieke aandeed als een

vriendschappelijk hand-reiken, terwijl tot-nog-toe al Olga’s uitingen

haar hadden beroerd als aangezichtslagen. Mieke beefde; zij kreeg een

lichten schok... Kon ’t dan tóch misschien ééns zoo worden, dat zij

elkander waardeeren zouden als gelijken, elkander niet meer bestrijdend

in heimelijke tournooien, maar achtend, zij ’t dan ook niet

liefhebbend. Mieke’s zoo door haar gevreesde en bestreden

zelf-onderschatting verdween gansch bij deze toenadering, welker

grondslag echter waarlijk toch zoo groot niet was als zij meende in het

blijde opleven harer verwachting. Want die grondslag werd er op verre

na niet één, waarop ooit een gebouw van vriendschap zou kunnen

rijzen,—de vermeende toenadering werd gansch verkeerd uitgelegd. Zij

hief geen slagboomen op, evenmin als zij kloven overbrugde. Twee

elkander geheel vreemde naturen, twee tegenstrijdige sentimenten vinden

nergens de slagboomen geheven, vinden nergens een overbrugging om

elkander te bereiken. Olga dacht geen seconde aan Mieke. Maar zij

vergat haar ditmaal, en wel totaal. Haar eigen verwachtingen deden haar

zelfs zichzèlve vergeten, en bij het in spanning tegemoet zien van wat

komen zou liet zij, onbewust evenwel, haar laatdunkendheid varen, haar

spot- en geringschatting, doch trad daarvoor in plaats een onbeteugelde

vreugde om datgene, wat Mieke nog maar niet begreep. Deze vreugde

overschaduwde de door Mieke zoo gevreesde eigenschappen en belichtten

daarentegen Olga’s onbetwistbare bekoorlijkheden, onder welker invloed

zelfs Loes onlangs zwichtte. Laat staan dus Mieke... O, hoe innig

hoopte deze steeds op wèrkelijke verbetering in beider verhouding, niet

een schijnbare voor welke zij toch steeds op haar hoede moest zijn...

Eensklaps meende zij daar nu het begin van te ontdekken! En het

verheugde haar. Het verheugde haar buitengewoon... Zij sloeg dadelijk

over in een toon van vroolijke verrassing en vroeg, wat het dan toch

wel wezen mocht, dat Olga zoo opgewekt maakte? Zij was wel zeer

benieuwd naar het geheimzinnige bezoek.

Olga, zeldzaam lief in haar grootere natuurlijkheid, riep, dat ze daar

onderweg maar eens goed over denken moest, en dat ze maar gauw terug

moest komen om zelf te zien! „De hooge gasten,” en heel Olga’s

persoontje tintelde van overmoed, „komen omstreeks half acht. Dan moet

je kant en klaar beneden wezen, denk erom. Prakkizeer maar eens heel

flink, wie er dan zijn zullen!” Lachende gleed zij de kamer uit.

Mieke zag haar na, onwillekeurig meelachend,—maar toen begon ze te

peinzen... Doelde de verrassing misschien op háár?... ’t Bloed vloog

haar naar de wangen... Zou Geert soms komen?... of dominee Rensen?...

of misschien juffrouw Wije?... Maar neen, dat zou onmogelijk wezen.

Mieke · 第 18 / 36 题