Verscheidene weken verliepen sedert Mieke’s komst in het huis harer
familie, en waren de eerste dagen rijk geweest aan emoties, gedurig
meer werd haar verblijf thans een gewoontezaak.
Natuurlijk hinderde Mieke Olga nog in massa’s kleinigheden, bleven
ironische en geringschattende opmerkingen niet uit, bijzonder tegen
maatschappelijke uiterlijkheden en ongekende vormen, één keer echter
bekritiseerd zou Mieke zich niet nogmaals schuldig maken aan dezelfde
fout. Dit gaf der familie een groote geruststelling inzake nichtjes
gedrag tegenover de vrienden en vriendinnen.
Ook werd ’s meisjes garderobe wat veranderd naar stadschen smaak, en
zoo gaf haar kleeding niet meer dien aanstoot als in ’t begin. Dit,
plus het ter harte nemen van tante Sophie’s lessen en Olga’s scherpe
kritieken, daarbij Loes’ handig gemanoeuvreer om op het juiste moment
Mieke bij te springen, veroorzaakte een betrekkelijk spoedig „wennen”
der heterogene elementen in den huize Van der Hoeve, een „wennen” ook
in den zin van elkander onverschillig zijn en in den vorm van negeeren
van elkanders persoonlijke interessen, vooral van Olga’s kant. En daar
er juist van dien kant het meest te duchten viel, was het wel van zeer
groote beteekenis voor de nieuwe huisgenoote om te ondervinden, dat
haar oudste nicht hoe langer hoe minder op haar lette, ja, haar zelfs
dikwijls totaal over ’t hoofd zag of schéén te zien.
Sedert dien eersten morgen na het hoogloopende gesprek der beide
meisjes, waarover Mieke nog dagenlang zichzelve verwijten maakte,
vermeed zij ’t weer in te gaan op eenig onderwerp. Haar hart begon
reeds luider te kloppen zoodra Olga maar een stelling opperde, dikwijls
uitlokkend tot discussies, voornamelijk wanneer zij, Olga, uit haar
humeur, zich zocht te bevredigen in spottend tarten. Doch Mieke’s
zelfvertrouwen was niet groot genoeg om nogmaals een woordenstrijd te
wagen. Dien eersten keer had ze geantwoord naar de ingeving van haar
warm, opstandig hart, en onvoorzien; thàns zou ze zich
rustig-verstandelijk moeten verweren tegen de zich zoo twijfelloos
zeker voelende nicht,—en zij waagde ’t niet Olga’s verkapte uitdagingen
te aanvaarden, zelfs al kwam meermalen heel heur hart in ontroering op
tegen Olga’s brutale beweringen. Doch juist door dan te zwijgen won zij
onbewust veld: Olga kreeg geen vat op haar en verdroeg dit gemelijk,
genoegdoening nemend in haar overbekende geringschatting. Maar Mieke
verdroeg die, zij ’t somtijds met gebalde vuisten. Zij was verstandig;
haar ontwakend begrip vormde haar tot een stille opmerkster, en de
enkele weken van haar verblijf in de groote stad en in dit milieu
hadden haar meer geleerd van „wereldsche zaken” dan tien jaren op ’t
dorp.
Al droeg de verhouding in huis dus successievelijk den schijn van
wel-overweg-kunnen-tezamen, dit was nog geenszins een bewijs, dat Mieke
zich gelukkig gevoelde in haar nieuwe omgeving. Zij hielp er zooveel
zij kon, gedienstig en ijverig. Oom prees haar laatst zelfs, en ze had
gebloosd, zich één oogenblik wel beloond wetend voor haar ernstig
willen om allen te toonen, dat ze de goedheid der familie haar te
huisvesten wel waardeerde,—maar nochtans leek ’t of de blijdschap, die
ze gehoopt had te zullen voelen bij een prijsje, làngs haar ging.
Erik zag zij slechts zelden. Den laatsten tijd kwam hij dikwijls ook
niet thuis om te eten.
Loes vertelde, hoe hij sedert Mieke’s komst buitenshuis was gaan
wonen... Dit gaf Mieke weer een schok... Had hij zóó tegen een
samenwonen opgezien? Vond hij haar zóó akelig?
„Neen,” haastte Loes zich uit te leggen, „maar nu jij hier kostgeld
betaalt, kon vader Erik toestaan kamers te nemen. Mama heeft dat voor
Erik bedisseld, weet je. Hij is nu eenmaal haar lieveling,” iets wat
Mieke eenigermate geruststelde, n.l. wat dat „kostgeld” betrof.
Ofschoon góéd begrijpen deed zij de zaak nog niet, ook niet toen Loes
haar uitlachte om haar benauwd gezicht. „Hij ging toch heen voor zijn
eigen plezier!” riep zij uit. „Hij is zielsblij met z’n grootere
vrijheid, want hier lag hij toch altijd min-of-meer aan banden. Hij
moet je dankbaar zijn! Olga was flink jaloersch op hem.”
Erik betoonde zich gewoonlijk niet onvriendelijk voor Mieke. Hij
informeerde wel eens naar Geert Wije en naar diens rijkdom, waar Mieke
dan hoog over op kon geven. Later kreeg ze daar meestal spijt van en
het onaangename gevoel gesnoefd te hebben. Maar een onverklaarbare
mededeelzaamheid beving haar zoodra Erik over de Wije’s begon. Zij
voelde, in weerwil van zijn belangstelling, ook z’n néérzien op „die
boerenmenschen”. Dat kon zij niet verdragen, dus zweepte zij de
grootheid der Wije’s op, wilde hen per se plaatsen op de hoogte, die
zij hen waardig achtte en, voelende hoe zijn interesse voornamelijk hun
rijkdom gold, ging ze bluffen daarop, druk, lang uitgesponnen, véél te
lang,—tot het hem verveelde en hij niet meer op haar lette.
Evenals tegenover Olga bij dergelijke gelegenheden kwam hierna een
inzinking, een reactie, onderging ze dat gevreesde gevoel van
zelfverkleining, wat ze nooit geheel tegenover deze menschen vermocht
te overwinnen... Waarom, vroeg zij zich af, waarom had zij ook nu niet
liever gezwegen?... De Wije’s behoefden niet door haar te worden
opgehemeld. Zij waren immers wie zij waren: goed en aanzienlijk. Zij
deed hun volstrekt geen dienst met haar gebluf om Erik van hun waarde
te overtuigen. En na zulke gesprekken voelde zij zich zéér onvoldaan.
Oom Egbert sprak ze niet veel. Des morgens naar kantoor gaande, kwam
hij eerst tegen zessen terug. ’s Avonds namen haar de normaallessen,
het schoolwerk of de hulp aan tante zóó in beslag, dat er maar zelden
tijd tot vertrouwelijkheid overschoot. Dat kon oom Egbert wel eens
spijten, want diep in z’n hart hield hij van ’t eenvoudige kind, dat
hem aan z’n moeder en z’n jeugd herinnerde. Innerlijk gevreesd hebbende
voor botsingen om ’t overgroote verschil tusschen Mieke en z’n eigen
kinderen, voelde hij zich verlicht, toen hij zag hoe de onvermijdelijke
onaangenaamheden van den beginne zich oplosten in Mieke’s meegaandheid
en aannemelijkheid, al zou hij nooit openlijk hebben willen beweren,
dat hij somtijds dit vreedzaam verloop toeschreef aan Mieke’s takt.
Iets teeders, als voor Loes, sluimerde in hem voor dit kind van z’n
eenigen broer. Juist als z’n jongste, zij ’t op andere wijze, bracht ze
hem nader tot z’n ware zelf, maar hij verborg dien invloed angstvallig
voor z’n gezin en ook voor z’n eigen verstand, ’t dwaasheid noemend.
Slechts in stille oogenblikken gaf hij er zich aan over, of wanneer hij
met haar alleen was.
„Hoe bevalt het je hier nu, Mieke?” vroeg hij haar eens, een week of
zes na haar komst, toen ze, na den eten, toevallig samen alleen in de
kamer waren en eenige oogenblikken gezwegen hadden in afwachting van
het een-of-ander. „Voel je je hier nu gelukkig, kind?”
Dit moment werd één van de weinige, waarop Mieke ondervond toch niet
geheel een vreemde te zijn in dit huis. Er welde iets warms in heur
hart, en de moed om de waarheid te zeggen ontbrak haar, de moed om te
zeggen, hoe zij, veel meer nog dan in den beginne, vervreemdde van
allen, omdat zij tóén nog hoopte aller genegenheid te kunnen winnen,
terwijl zij nu zeker wist hier nooit toe in staat te zullen zijn. Ze
sprak deze ervaring dan ook niet uit, want tegelijkertijd kwam er
werkelijk verheugenis in heur hart om zijn welgemeende poging tot
hartelijkheid... Zij kon hem niet teleurstellen, want ze had medelijden
met hem, omdat ze voelde hoe hij, zielig, eigenlijk een ontkennend
antwoord vreesde. Ze nam reeds vaker dezen schemer van medelijden voor
oom Egbert, die toch zoo’n man van gewicht was, in zich waar, zonder de
herkomst ervan precies te kunnen verklaren. Ze strekte heur hand uit en
zei heel vriendelijk: „O ja, oom, ik ben hier heel tevreden.”
Dit scheen hem voldoende. „Zoo, kind, zoo,” antwoordde hij opgeruimd,
ook wat verstrooid en gejaagd. „Dat doet me plezier.”
Er viel een stilte, waarin een verder vragen hing. Maar toch bleef hij
zwijgen.
„Ik houd zooveel van Loes,” vervolgde Mieke met ontroering. „En...
en... met Olga kan ik nu ook heel goed overweg... heel goed.”
„Kom?... Zoo?... Kom?” oom Egbert’s gezicht, gespannen eenigszins in
luisteren, verhelderde zeer.
Nu sprak Mieke heel levendig. „Ja, uitstekend,” ging ze meer-en-meer
prijzen, terwijl haar medelijden onverklaarbaar groeide.
Oom Egbert lachte. Dan leek hij veel op grootmoeder en zag er zoo
gansch anders uit dan wanneer hij fungeerde voor aangenaam, gemakkelijk
gastheer. Nu was hij Mieke zoo sympathiek.
„Op les begin ik ’t ook veel prettiger te vinden, leer ik nu de meisjes
beter kennen. Ze zijn wel heel anders dan ik, héél anders ook dan die
meisjes, waar ik vroeger mee schoolging, maar ’t went, heusch. Er is
één bijzonder aardig meisje bij; zij is niet zoo druk als die andere.
Zij komt ook van buiten, maar ze is hier al bijna drie jaar.”
„Dat is aardig voor je, heel aardig... Mis jij buiten erg, Mieke?”
Thans trok de levendigheid weg van haar gezichtje, een trek van
bekommering kwam om heur mond.
„Ik zou natuurlijk veel liever buiten wonen, dat wèl,” en heur blik
dwaalde ’t tuintje door, waar de heesters, kaal en dor, sidderden in
den tocht, die striemde door de lange open streek tusschen de hooge
huizen.
Er viel een oogenblik een stilte vóór hij aarzelend verder vroeg: „En
mis je grootmoeder nog altijd?”
Het duurde lang vóór ze hem antwoord kon geven.
„Ach,” zei ze zacht, „grootmoeder zou ik overàl missen.”
Oom Egbert kuchte, scheen iets te willen zeggen, doch sloot z’n mond
weer. Toen stond hij op, wat stijf zich rekkend, als wilde hij een
onaangename gedachte verdrijven. Hij begon eroverheen te praten, om
successievelijk weer in zijn vroegeren toon van bezadigde deftigheid te
vervallen.
„Men moet maar niet te veel aan ’t oude hangen; vooruit zien, Mieke,
altijd maar vooruit zien, niet achterom... Ik ben blij, dat je je
plaats hier in huis nu duidelijk begint te kennen en ik geen spijt
behoef te voelen je gastvrijheid te hebben verleend.” Hij praatte zoo
nog een poosje door met toenemende gewichtigheid. Mieke luisterde
gehoorzaam, zonder evenwel veel ervan in zich op te nemen. Haar
medelijden week langzaam, evenals de verheugenis om zijn genegenheid.
En toen oom Egbert opstond wisten beiden, dat er één moment tusschen
hen geweest was van gelijkgestemdheid als van twee elkaar ontmoetende
sympathieën, maar dat dit alles weer verliep in den gewonen toestand
van allen dag.
Nu men bij de Van der Hoeve’s niet meer zoo angstvallig behoefde te
vreezen voor hinderlijke mankementen aan het uiterlijk van het inwonend
nichtje, noch voor inslaande flaters, nu de meeste vrienden en
kennissen gewend raakten dat Mieke daar thuis lag, had de familie
langzamerhand zelfs gaarne, dat zij op de vele entre-nousjes en
partijtjes, die men organiseerde, niet achterwege bleef, hoewel minder
om haar persoon dan om de diensten, welke ze er bewees. Zij zorgde er
beter voor dan de dienstboden om alles in orde te brengen bij de komst
der gasten, dekte keuriger tafel dan deze, deed accurater de
voorbereidende boodschappen, zorgde handiger en gezelliger voor de
thee, het klaarzetten van glazen en het op ’t best maken der kamers.
Zoo’n avond ging Mieke dan meestentijds wel warm en moe naar bed, maar
als tante Sophie tevreden was dacht ze daar maar niet verder over na.
Er waren onder de gasten dikwijls menschen, die haar welwillend in de
conversatie zochten te betrekken, opmerkend met waardeerende gevoelens
haar stille, onopgesmukte bedrijvigheid. Maar ze vermeed het op hun
vriendelijkheden in te gaan, niet wetende in hoeverre de familie dit
wenschte, en ook zichzelve hier weer niet vertrouwend. Dat maakte haar
in de oogen dier menschen schuw en verlegen, niet toeschietelijk, zóó
zelfs dat Olga één keer eens in een groot gezelschap lachte: „Maar,
Mieke, je kon wel eens wat liever zijn! Je bent altijd zoo nurksch,” en
stralend kwam naast Mieke’s teruggetrokkenheid haar opgeruimde,
gracieuse bekoorlijkheid naar voren.
Bogaerts, die sedert zijn eerste bezoek, den dag van Mieke’s komst, een
vaak en gaarne geziene huisvriend werd, gedroeg zich steeds voorkomend
tegenover het meisje. Hij behandelde haar altijd uiterst beleefd en
welwillend, ofschoon Mieke zich wel eens verbaasd afvroeg hoe ’t kwam,
dat een mensch zoo wonderlijk de woorden uitsprak en zich zulke vreemde
gebaren had eigen gemaakt—niettemin door de familie om strijd als
„hoogst gedistingeerd” geprezen—in niets gelijkend op wat zij kort
geleden nog voor natuurlijk en gangbaar had gehouden. Zij stelde z’n
voorkomendheid toch zeer op prijs, voelende, dat deze voortkwam uit
welgezindheid. Ze mocht hem wel lijden. Liever dan de meeste van
tante’s en Olga’s vriendinnen. De eersten vereerden haar gewoonlijk
slechts met genadige knikjes en karige woorden, in haar hart Sophie
beklagend altijd met zoo’n kind opgescheept te zitten... Olga’s
vriendinnen echter waren niet onaardig voor haar, sommige zelfs heel
lief, maar allen, zonder onderscheid, behandelden haar min-of-meer als
iemand, die niet meetelde. Mieke voelde duidelijk hoe zij, een
aanstaand onderwijzeresje, een onbeteekenend buitenmeisje, nu eenmaal
door den „intellektueelen kring” van Olga’s kennissen (’t woord was van
Olga) niet voor vol werd aangezien. Men gaf zich hier geen rekenschap
van, volstrekt niet, men dàcht er zelfs niet over, omdat het de
natuurlijkste zaak ter wereld was. Men bemerkte immers onmiddellijk hoe
Mieke geheel naast aller levenswijze, studiebelangen,
kunstbeoordeelingen en idealen stond. Wat zou zij daar ook van
begrijpen?... Zij kende niet eens de bekendste namen, de meest
vooraanstaande personen, om wie alles draaide in die sfeer; geen
proffen, schrijvers, noch filosofen of artisten,—niet de „chic” en de
„flirts” onder de jongelui. Neen, hóógstens kon je een praatje met haar
aanknoopen over onbenulligheden als haar lessen en het huishouden, over
’t weer of ’s zomers buiten,—en dat geschiedde dan steeds op den toon
van nederbuigende vriendelijkheid met een supérieur airtje van
luisteren als van een goedig groot mensch, dat zich een beetje
verveelt, naar een klein kind. Mieke kende deze manier, en haar trotsch
hartje verfoeide die in stilte. Zij antwoordde daarom meestal schaars,
en men vond haar na zoo’n gewoonlijk slecht vlottend discours niet zoo
bijster aardig en bewonderde Olga’s takt om met een zoo weinig
toeschietelijk, spaarzaam sprekend meisje om te kunnen gaan.
En onopgemerkt vergleden voor Mieke de dagen, veel tijd voor haarzelve
schoot er niet over, want menigmaal ook werden haar vrije oogenblikken
door tante Sophie geëxploiteerd om haar te laten mazen en stoppen, iets
waarin ze heel bedreven was, en waarvoor tante haar onlangs uit
overloop van tevredenheid, toen ze een berg kousen en jaegergoed in
orde had gebracht, een paar handschoenen cadeau maakte.
De uurtjes met Loes doorgebracht werden de grootste lichtpunten voor
Mieke, doch deze waren niet zoovele als de meisjes graag hadden gewild.
Beider schooltijden liepen vrijwel uiteen, zoodat er maar slechts
enkele uren tot samenwerken overschoten. Maar vooral op de
Zondagmiddagen hoopten zij. Eenige malen hadden ze bij goed weer een
wandelingetje gemaakt langs den zelfkant der stad, waar voor Mieke de
herinnering opleefde aan thuis en ’t dorp. Loes meende haar daarmee een
plezier te doen, maar ’t stemde Mieke nameloos weemoedig. Ze had zóó
wel weg willen loopen, ver weg van de uitgestrekte huizenmassa, die den
ganschen horizon afsloot! Torens, schoorsteenen, huizen, muren, een
groot, onmetelijk groot gevaarte, die stad, die haar den gezichtskring
afsloot en waar zij moest leven haar bestaan van plicht en
gehoorzaamheid. Hoe benauwde haar de gedachte hier straks weer in te
moeten terugkeeren, tusschen het tjingelen der trams en het gejacht der
menschen. Altijd, àltijd voelde zij er zich alleen, zelfs ondanks de
liefderijke voorkomendheid van Loes, die haar gevoelens in deze toch
nooit geheel zou kunnen begrijpen en tot wie ze hierover dan ook maar
liever niet eens sprak. Zij was er zeker van, Mieke, dat ze, indien ze
er met grootmoeder, met dominee Rensen, met de Wije’s ware, zich wèl
zou hebben thuis gevoeld, omdat ze dan geweten had te midden van hen
iets eigens te vinden. Met het vooruitzicht evenwel straks weer naar de
familie te moeten, werd haar zulk een wandeling een marteling op den
terugweg. En zij verzocht haar nichtje maar liever met haar door ’t
park of langs de havens of in de stad te gaan, en Loes, in de
verbeelding dat dit Mieke meer interesseerde dan buiten, wat goed
beschouwd eigenlijk geen buiten was, sleepte haar mee door de
Jodenbuurt, voorbij de entrepots, langs nauwe, oude straatjes en
grachtjes, naar stille, antieke hofjes, of wel naar de musea, wat Mieke
allemaal bijzonder veel belangstelling inboezemde, wat ze prachtig vond
en overweldigend, maar veelal ook ontzettend vermoeiend,—behalve dan de
hofjes, waar ze de voorkeur aan gaf, evenals Loes, die daar rijkelijk
heur fantasie liet weiden in grijze jaren, Mieke meetrekkend in haar
romantische bespiegelingen.
Dit alles bezorgde Mieke langzamerhand ook een zekere gemakkelijkheid
van bewegen. Zij verbaasde zich niet meer zoo spoedig en over allerlei
als in ’t begin. Zij gewende aan bijzonderheden, al trof haar van veel
wat ze zag de schoonheid méér dan Loes, die erbij was opgegroeid. Mieke
had hiervoor een open oog en oom Egbert, die plezier kreeg in beider
genoegens, gaf routes aan en raadgevingen om nu dit dan dat te gaan
bekijken en zou gaarne de meisjes vergezeld hebben als tante Sophie en
Olga zoo’n uitsloverij niet dwaas zouden hebben gevonden.
Zoo zwierven ze dan op Zondagmiddagen van het eene stadsgedeelte naar
het andere en Mieke’s voor indrukken nog zoo vatbaar gemoed werd
hiermede overstelpt.
Soms was het haar alsof zij twee levens leefde, het ééne nog dat van
vroeger, van de eenvoudige Mieke uit het mooie, vredige dorp, de Mieke
met de rustige, regelmatige geaardheid, de kalme, blijde wenschen voor
de toekomst, strevend naar zelfverloochening en rechtschapenheid,
tevreden met haar lot en dankbaar voor het vele goede—en dan weer zag
zij zich reppen om klaar te komen in ’t deftige huis met de vele
visite, of ze zag zich dwalen door de onbekende stad in geheel
veranderde kleeding, voelde daarbij de gejaagdheid in heel heur wezen.
Haar vroeger zoo onbewuste natuur verdiepte zich opnieuw in
zelfbeschouwingen, en ze zag zich achterhoudend, gehoorzamend maar uit
nood, heur eigen aard verloochenend en niet strevend naar recht,
slechts zwijgend om niet in botsing te komen, smachtend naar vrijheid
van bewegen voor ziel en lichaam, opgesloten in een groot, mooi huis,
waar geen enkele dier fraaie vertrekken haar toebehoorde, in een stad,
die haar nog niets zei, omdat ze er nog niets in liefhad. Zij streden
met elkaar deze beide Miekes, en ze maakten haar leven onwezenlijk en
tweeledig.
Overdag had ’t meisje het te druk om hierover na te denken, ondervond
ze deze sensatie slechts, afmattend soms. Maar wanneer allen des avonds
ter ruste waren gegaan, kon zij vaak nog urenlang wakker liggen en
peinzen met een vreemd, zwaar gevoel in haar hoofd, alsof alle
geregelde gedachten ’t hadden verlaten... Hoe wàs ze nu eigenlijk?...
Wat wilde zij?... Wat hoopte ze?... Alles lag verward dooreen...
Vroeger had ze nooit nagedacht over idealen, maar nu hoorde ze hierover
zooveel spreken, dat ook zij over de hare ging nadenken, en tegelijk
datgene, wat wellicht onbewust een innig ideaal was geweest, totaal
voor haar verloren ging door er zich één te willen scheppen... Maar wàt
voor een?... Ze wist het niet... Had Olga idealen?... Had Erik ze?...
Bij dozijnen, geloofde Mieke... Loes niet, maar wat Loes gaarne wilde
vond Mieke ietwat gelijken op haar eigen doodgewone, simpele verlangens
van lang vervlogen dagen. En zeker wist zij, dat, zoo men deze aanviel
of belachte en ze niet voor werkelijke illusies houden wilde, zij ze
tot ’t uiterste zou verdedigen als grootsch en belangwekkend, terwijl
zij ze toch nimmer als zoodanig had beschouwd.
Zij was nog absoluut niet opgewassen tegen ’t machtige, dat op haar
aandrong met overdonderende veelzijdigheid; zij kon zich nog niet vrij
maken uit die bestorming van dat heirleger van duizenderlei
aandoeningen; daarvoor was zij nog te onervaren en was haar geloof aan
de eerlijkheid van ’tgeen ze hoorde en zag nog te groot, haar
vertrouwen op wat ze waarnam nog te sterk. En niettemin wist zij
instinktmatig zeker, dat er iets haperde aan dien schoonen schijn,
omdat zij ondanks deze zich niet gelukkig gevoelde en onrustig; omdat
heur trots herhaaldelijk pijn leed en omdat ze niet zeggen kon noch
zeggen mòcht, wat ze vóór dezen nog nimmer had verzwegen: datgene wat
ze voelde als liefderijk recht.
Eenige uren evenwel was zij toch voor een korte wijle de Mieke geweest,
zichzelve bewust, levend en ademend naar den drang harer jeugd en harer
liefdevolle, verlangende ziel: grootmoeders kind.—Dat was op een avond,
toen ze thuiskwam van de school. En dien avond, véél meer dan op haar
wandelingen met Loes buiten de stad, beving haar het oude, heerlijke
gevoel, dat zij kende van vroeger op ’t dorp: de volmaakte
tevredenheid-in-het-heden en de onomstootelijke zekerheid eenmaal te
zullen omvademen het reine, voortdurende geluk, waarvan elk
menschenkind op gezegende momenten de kiem in zich voelt... Heur jonge,
sensitieve, groeiende ziel, den laatsten tijd als verbijsterd in
opgeschroefden schijn, scheen tot dat uur gansch haar natuurlijke
geneigdheid te hebben verloren tot zij, haar vrijheid verwervend als
een te lang gevangen vogel, haar vleugels breidde en wegvloog in de
richting van haar trouw Tehuis, gedreven door de onfeilbare macht van
haar instinkt.
De lessen waren regelmatig verloopen en, zich meestal weinig met haar
medeleerlingen bemoeiend, ging zij, evenals anders, alleen langs de
stille kade, die ze gewoonlijk des avonds terugliep, huiswaarts.
Het was één dier avonden, welke meestal voorafgaan aan een periode van
vorst, een avond met helderen maneschijn. Een opgewekte, wijdingvolle
atmosfeer hing roerloos plechtig tusschen de hooge huizen; de kale
boomen etsten in fijne graveering langs den kant van ’t kanaal, dat,
glashelder, den zilver gestarnden hemel weerkaatste, met trillend een
streep manezilver dringend als tot in den bodem der onbewogen gracht.
In zuiver-klare omlijsting stonden de groote gebouwen als donker,
scherp afgeteekend silhouet tegen de wonder stralende lucht, en
rythmisch en klankrijk klonk Mieke’s vlugge voetstap op de droge
straat. Het werd haar bij die pracht en dien rijkdom als ontvloden haar
de dagelijksche beslommeringen met tooverslag; heur hoofd werd licht en
heur hart werd blijde. Heel heur gezichtje werd overtogen met een glans
van verrukking, heur oogen glansden van vrome vreugde en waren
opgeheven in devotie. Zij veerde en liep met lichten tred, en hoewel
gansch alleen in den wijden avond langs den doodstillen weg, voelde zij
zich toch zóó verre van verlaten, en wel zóó één met den verrukkelijken
avond om zich, dat er een reine weelde in heur ziel kwam, slechts te
vergelijken bij de onuitputtelijke weelde van de reine zilverstralen
der maan. Menigmalen had zij deze sensatie slechts ondergaan, daarginds
op haar dorp, maar nu, na zooveel verdriet, vernedering en eenzaamheid,
doorleefde zij het genot van zorgeloos op te gaan in ’tgeen God haar
schonk, al ’t wereldsche afschuddend. De tranen stroomden haar uit de
oogen van mateloos geluk, om dit beleven na zooveel tijd van smart, van
heerlijke blijdschap om ’t licht na zoo langen tijd van duisternis,—en
’t was haar, stilstaande nu in die wijdte van den lichten avond, in den
onbezoedelden glans van het zuivere zilver, alsof grootmoeders ziel
haar beroerde... En op dat moment schoten haar dominee Rensen’s woorden
te binnen: „Want weet, m’n kind, je gaat niet alleen. God is altijd met
je, Mieke.”
Zij was vroom genoeg opgevoed om te weten hoe thans de adem Gods haar
vertroostte, en zij had het groote, onvergelijkelijke voorrecht genoten
te leeren luisteren naar die vertroosting. De zekerheid van God’s
nabijheid voelde zij zegenend in de overgave en het vertrouwen van haar
moede, zoekensmoede ziel, en zij vond eenige oogenblikken de rust en de
kracht, die zij behoefde morgen, straks wellicht reeds, om opnieuw den
strijd te kunnen strijden, die noodig was... Alles leek haar nu zoo
klein en nietig, zoo gemakkelijk te overwinnen: haar trots bovenal.
Zij kwam zoo tevreden thuis! Heur smaller geworden gezichtje (men vond
dat zij langer en schraler werd den laatsten tijd) had een zacht
kleurtje. Ze zag er zoo aardig uit, teertjes een beetje en
stil-gelukkig.
Tante Sophie zei: „Wat is je overkomen, Mieke?” heel verwonderd en wat
bits.
Oom Egbert lachte even, blij verrast. „Wat zie je er goed uit,
kind,”—’t deed hem blijkbaar plezier, ofschoon ’t hem eveneens scheen
te bevreemden.
Olga monsterde Mieke van ter zijde, ietwat achterdochtig, heur houding
niet veranderend dan door een korte opheffing van ’t hoofd. Toen las
zij zwijgend verder.
Doch Loes legde zachtjes en streelend heur wang tegen Mieke’s gezichtje
en zei: „Wat ben je warm, zeg,” haar pal in de oogen kijkend, vragend,
wat beangst.
„’t Is zulk heerlijk weer,” sprak Mieke met een stem, hoog van
ontroering en met een blik vol liefde haar arm om Loes’ schouders
slaande.
Toen vroeg tante Sophie iets huishoudelijks op onaangenamen toon en was
opeens al ’t heerlijke weg,—maar op den bodem van Mieke’s hart lag de
onmetelijke schat van dezen schoonen avond, die Mieke helpen zou meer
dan eenig mensch vermocht.