IN DE STAD EN DE NIEUWE OMGEVING.

Doch in de stad moest ze wel weer aktief worden. Geert kon het paard

niet alleen laten, dus, nadat hij haar hielp uitstijgen en het valies

overgaf, diende zij voor zichzelf te zorgen.

Heel hartelijk nam hij afscheid, haar nog allerlei goeden raad gevende

voor haar aankomst in Amsterdam, wat haar echter allemaal gemakkelijker

gezegd dan gedaan leek. Hulpeloos en onhandig voelde zij zich bij het

binnengaan van het station; zenuwachtig frommelde zij in haar beursje

bij het betalen van ’t spoorkaartje, en toen ze even daarna, van af het

open perron, Geert in het wagentje zag wegrijden, zonk haar de moed in

de schoenen.

Zij had nog ongeveer een kwartier den tijd, en zittend op een bank in

de kleine wachtkamer, onwillekeurig afleiding vindend in het gaan en

komen der reizigers, werd haar aandacht gaandeweg afgeleid van

persoonlijke bezwaren. De noodzakelijkheid van het heilig moeten dwong

haar wederom onherroepelijk tot meerdere innerlijke zelfbeheersching,

en zij werd kalmer. Het verleden lag nu gansch-en-al achter haar... Nu

niet weer week worden en lafhartig, nu dapper zijn en willen... Rechter

ging zij zitten; het hoofd richtte zij op. Zij deed er grootmoeder geen

dienst mee te treuren en zich telkens terneer te laten slaan. Zag

grootmoeder haar niet altijd gaarne opgewekt en hoopvol?... Wat hadden

zij samen niet al plannen gemaakt! Nu ging zij die ten uitvoer brengen,

alleen, maar tóch. Nu moest zij toonen wat grootmoeder haar geleerd

had, wat ook dominee Rensen haar zeide: te vertrouwen... En was ’t

onlangs onder juffrouw Wije’s invloed, dat zij haar vrees overwon, nu

behaalde zijzelve een overwinning op haar wankelmoedigheid.

Daar stoof de trein binnen, dampend en snuivend. Zij zocht en vond een

vrij goed plaatsje in een niet te volle coupé, en eenmaal op weg naar

de plaats harer bestemming zag zij zóóveel, wat haar boeide, zóóveel

wat afleidde, dat de reis haar veel draaglijker werd dan ze ooit had

geloofd.

Maar toen in Amsterdam!

Als verdoofd stond ze middenop het stampvolle perron. Van alle kanten

gedrongen en geduwd zag ze geen veilig heenkomen. Er was niemand, dien

ze kende of die op haar lette, aan wien ze vragen kon waarheen ze gaan

moest. Een onafgebroken stroom van menschen daalde de breede steenen

trappen van de perrons af. Zwijgend vragend staarde ze rond,—geen

sterveling, dien ze herkende. Zij was als verbijsterd.

Tot-nu-toe was haar voorstelling van Amsterdam geweest als van de

provinciestad, waar ze schoolging, op marktdag, en dan misschien iets

drukker. Maar zoo!... En heel alleen stond ze te midden van die

haastige menigte.

Daar voelde zij een tikje op den schouder. Een vriendelijk uitziend

meisje, haar hulpeloosheid bemerkend, vroeg: „Naar den uitgang?”

„Ja,” knikte Mieke gretig.

„De trap af,” onderrichtte de ander, inmiddels zelf dalende en in een

ommezien verdwijnend.

Mieke besloot dus maar den stroom, die reeds wat verminderde, te

volgen, en, komende in het sousterrein van het station, liep ze

denzelfden weg als de zich voortspoedende reizigers, de loketten langs,

waar ze haar kaartje moest afgeven.

Zij voelde een tochtige lucht van buiten komen bij het open- en

dichtflappen der groote glazen deuren, en zag daarachter het gewirwar

van trams op de straat, ’t af- en aanrijden van karren, en nogmaals

angstig rondkijkend hoorde zij zich opeens aanspreken door een bekende

stem, die zei: „Welkom, Mieke, in Amsterdam.”

„Oom! Oom!” riep ze, zich met een ruk omkeerende.

Hij nam haar ’t zwarte valies uit de hand en zette haar wat op haar

gemak, ziende hoe in de war zij was, rustig pratend met haar over de

reis.

In de tram zat ze maar stil. Honderderlei gewaarwordingen bestormden

haar, en af-en-toe keek ze naar het achterbalkon, waar oom Egbert, kalm

een sigaar rookend, stond te praten met een paar heeren, zich afvragend

of hij, die blijkbaar in het minst niet op haar lette, haar bestaan

niet vergat en zelf uit zou stappen zonder haar te waarschuwen.

Ondertusschen verdrong het ééne na ’t andere zich om haar interesse,

zoodat ze opschrok, toen oom Egbert haar onverwachts toeriep: „Hier

uitstappen, Mieke.”

Haastig oprijzend, geagiteerd, eensklaps overdruk pratend, legde zij

naast oom Egbert het korte eind af van de tram naar de woning der Van

der Hoeves. Het was een tamelijk aanzienlijk huis, wel niet dien

overweldigenden indruk makende op Mieke als de menschenmassa aan het

station, de drukke, breede straten en pleinen en de hooge gebouwen,

maar toch haar wederom intimideerend, wellicht meer door de gedachte

aan de bewoners dan door het imponeerende van den gevel, die trouwens

niet veel anders vertoonde dan wat men dienaangaande doorgaans in de

nieuwere stadswijken te zien krijgt: een deur ter zijde en twee ramen

ernaast, behoorende bij een suite gelijkvloers; daarboven twee étages,

elk met drie vensters aan straat, en een zolderverdieping.

Slechts een oogenblik duurde voor Mieke deze overval van nieuwe

beduusdheid. „Nu niet kinderachtig zijn,” dwong zij zichzelve, „maar

beleefd en vriendelijk, niet schuw en linksch en kortaf,”—en ondanks

een groote innerlijke spanning, gelukte het haar uiterlijk kalm en

beheerscht te schijnen, veel meer dan bij aankomst, al beving haar ook

een hevige ontroering bij het binnentreden.

Zij volgde oom Egbert in de breede, wit-marmeren gang, waar een dikke

looper de voetstappen dempte.

„Loop maar door, kind, loop maar door,” en oom Egbert opende, langs

haar heen reikend, de deur der huiskamer.

Ofschoon het buiten nog dag was, brandde hier de elektrische lamp reeds

en wierp haar vroolijk schijnsel door een hel-gebloemde kap op de druk

geornamenteerde meubelen in ’t ruime vertrek met z’n vele glimplekjes

van koper en kristal. De kamer stond overvol met kleinigheden, die

echter geen van allen den smaak der huisvrouw deden vermoeden, zoo

varieerden zij tusschen dansende Saksische poppetjes en streng belijnde

moderne vazen, tusschen Rozenburgsch en fijn Deensch porcelein. Olga

waren mama’s „bij-elkaar-raapsels” altijd een gruwel, maar mevrouw Van

der Hoeve verkoos nu eenmaal, als op zoovele punten, haar zin door te

drijven en wenschte haar huiskamer te versieren naar háár behagen en

naar háár wil, zonder zich te storen aan kritiek.

Maar Mieke, onoordeelkundig, getroffen door het in haar oog zoo

weelderige van het vertrek, overblufte deze impressie van glans zeer.

’t Flitste haar door ’t hoofd: „Hier moet je nu wonen in ’t vervolg,”

en tegelijkertijd moest ze vechten tegen den overweldigenden angst:

„Maar nooit zal je hier wennen. Nooit zal je je hier thuis voelen.”

Zij klemde de handen tot vuisten... Kom, nu moest ze zich groot houden,

praten, vriendelijk begroeten, glimlachen, niet bedeesd zijn, de tranen

in je oogen terugdringen...

Uit den rechtschen kamerhoek verrees langzaam een slanke dame van

middelbaren leeftijd, gekleed in een voyante blouse van gekleurde zijde

en onberispelijk gecoiffeerd in keurig modernen trant. Zij had

gemakkelijke, bevallige bewegingen en een mooi, hoewel reeds verwelkend

gezicht. Haar stem klonk wat krakend en voor dengeen, die haar voor ’t

eerst ontmoette, eenigermate geaffekteerd, maar daaraan wende men

spoedig; de intonatie ervan was niet onvriendelijk.

„Zoo, Mieke,” begroette ze ’t meisje, deze de hand reikend, „hoe gaat

het? Heb je een goede reis gehad?”

Wat haperend, zichzelf echter tot duidelijk spreken dwingend,

antwoordde Mieke, ofschoon met snel kloppend hart, rustig en

oogenschijnlijk op haar gemak.

Mevrouw Van der Hoeve, in de meening „aan het ongemanierde buitenkind

vermoeiend veel te moeten polijsten” werd eensklaps, bij het zien van

het volstrekt niet zóó ongeciviliseerd persoontje, als zij vreesde,

milder gestemd. Erik overdreef werkelijk, toen hij haar „boersch” en

„onbeschaafd” noemde. „Voorloopig onpresentabel,” was juister geweest.

Maar er zou nog wel wat van te maken zijn, geloofde tante Sophie

welwillend; en zij had meestal een goeden kijk op dergelijke situaties,

naar zij meende.

Buitendien het voordeel aan Mieke’s verblijf hier verbonden bleek niet

onaannemelijk na de opgaaf van den notaris. Wel viel de nalatenschap

van grootmoeder niet mee, maar ’tgeen Mieke van haar moeder erfde

overtrof verre aller verwachting. Egbert’s voorstel om alles van

grootmoeder maar aan Mieke te doen vervallen was dan ook te zot om op

te antwoorden. Zij, tante, had uitgerekend, hoe, na aftrek van Mieke’s

onderwijs- en kleedgeld, het overblijvende van ’s meisjes inkomen van

dien aard was, dat ze het er graag voor over had ’t kind in huis te

nemen, vooral wanneer ze tegelijkertijd hulp in de huishouding van haar

krijgen zou. Egbert had een flink inkomen, zeer zeker, maar den

laatsten tijd kostte het huishouden zooiets, en niet te vergeten de

kinderen, tenminste de beide oudsten, die geen notie schenen te hebben

van de waarde van geld, om te zwijgen van al de uitgaven, die mevrouws

zwak gestel veroorzaakte.

Met dit al kon mama evenwel Olga’s grieven in zake Mieke wel plaatsen:

natuurlijk was het niet plezierig elken dag aan tafel te moeten zitten

met een onmogelijk burgerkind en haar aan je vriendinnen als je nichtje

te presenteeren, maar je kon haar toch immers vervormen en er

voorloopig een mouw aan passen?... Olga moest ten slotte ook eens

bedenken, dat het nog vrij wat vervelender zou geweest zijn, wanneer

Mieke geen sou had bezeten en ze dan óók genoodzaakt waren voor haar te

zorgen. Maar dit zagen de kinderen geheel voorbij in hun zorgelooze

weelderigheid,—behalve Louise dan, die, hoe onbeteugeld ook somtijds in

haar oordeel en manieren, in zulk soort kwesties gauw toegaf.

Tante Sophie had alles rijpelijk overwogen; zij was een praktische

vrouw, namelijk waar het aankwam op eigen voordeel. Het deed haar

daarom veel plezier het vooroordeel der oudsten in zooverre overwonnen

te hebben, dat zij haar zin doordreef. En na het onderling gehaspel en

gewik en geweeg aangaande Mieke’s komst, viel het te begrijpen, dat zij

zich eenigszins triomfantelijk tegenover hen voelde bij de zooveel

gunstiger impressie van Mieke’s persoontje dan zij verwachtte. Vervuld

van deze tevredenheid werd ze voorkomend.

Wel week de beklemdheid daardoor niet van Mieke, doch haar bedeesdheid

loste zich op in toenemende ongedwongenheid, door oom Egbert met blijde

verrassing en een zucht van verlichting waargenomen, gevreesd als hij

had voor een wederzijds verkeerden indruk.

Hij was er nu eenmaal de man niet naar de meening zijner vrouw te

leiden, te weinig opgewassen als hij bleek te zijn tegen de handige

wijze waarop zij z’n wil wist te vervormen naar haar eigen wenschen.

Hij werd zelden weerstreefd, maar niettemin kreeg hij nooit, of bijna

nooit, zijn plannen—tenminste door vrouw en kinderen—uitgevoerd.

IJverig, begaafd met een flinke dosis gezond verstand en deugdelijke

handelskennis, schoot hij te kort in krachtige doortastendheid,

(wederom slechts in familieverband) en in z’n hart eenvoudig en

onopgeschroefd leidde hij voornamelijk in huiselijken- en familiekring,

door z’n al te groote toegevendheid eigenlijk een gekunsteld leven,

gansch anders dan waaraan zijn geaardheid behoefte had.

Hoevaak ook gebukt gaande onder den staat, dien zijn vrouw en kinderen

voerden, onder hun begrippen omtrent huishouden, opvoeding, vormen,

gemeenschapsverhoudingen en honderderlei kleinigheden, die hem

menigmalen met een zorgelijk gezicht voor z’n brandkast deden

staan,—heimelijk bepleitte hij dit alles toch in opgewekter

oogenblikken, zichzelf onder ’t oog brengend dat hij, een gewone

burgerjongen, dan ook maar niet zoo’n verwend, voornaam meisje als

Sophie had moeten trouwen, al bracht ze ook nauwelijks een uitzet mee

ten huwelijk. Men kon van haar niet verlangen haar leven sober in te

richten, zooals hij dat gewend was; evenmin van de kinderen, die zij nu

eenmaal had opgevoed naar ’tgeen zijzelf had geleerd.

Niet bij machte dus tegen den stroom op te roeien had hij, zij ’t

somtijds zuchtend, offers gebracht aan eigen persoonlijkheid, meening

en gevoel, wel niet steeds tot eigen best, vooral niet in moreelen zin,

maar schaduwen van zelfbeschadigingen doezelt men gewoonlijk graag

spoedig weg!... Sedert de vijf-en-twintig jaren van zijn huwelijk was

dat min-of-meer verwringen van zichzelf hem langzamerhand tot een

tweede natuur geworden, voornamelijk en ’t meest toen de kinderen

grooter werden. O, noch Olga noch Erik brutaliseerden hem, zij

respekteerden hem ongetwijfeld zeer, de wederzijdsche verhouding in

huis was die als van een geacht vader en tamelijk welopgevoede

jongeren, maar niettegenstaande dit waren zij hem toch boven het hoofd

gegroeid, stonden zij,—zij ’t correkt—zoo tegenover elkaar, dat er van

kinderlijke afhankelijkheid en liefderijk vertrouwen nauwelijks sprake

kon zijn.

Olga was z’n glorie, haar schoonheid z’n roem; Erik z’n trots;—maar

zelden had hij hun bezit, vooral in later jaren, gevoeld als een diepe,

onvergelijkelijke innigheid, hoezeer hij daarnaar soms ook hunkerde.

Loes alleen gaf hem heur hart, geheel en zonder voorbehoud; Loes alleen

bracht zonneschijn in zijn leven, al gold zij ook voor de minst

begaafde zijner kinderen. Zij, het kleine bijdehandje, werd de eenige,

die hem nader bracht tot zijn eigen, gaandeweg vergroeide natuur.

Oom Egbert in zijn omgeving scheen Mieke dan ook een heel andere man

dan in grootmoeders huisje... Waar was zijn openlijke hartelijkheid?...

Zij had zijn vormelijkheid met bevreemding waargenomen, tot plots, bij

tante’s toeschietelijkheid, zijn van vroeger bekende, voorkomende

manier-van-doen haar verheugd deed opzien.

„Kom, Mieke, doe eindelijk nu eens je manteltje uit. Je moet ’t je maar

gemakkelijk maken, is ’t niet, tante?” het klonk opgewekt, alsof hij

zich bevrijd voelde van iets, dat hem gehinderd had.

Tante Sophie keek lichtelijk verwonderd thans. „Ja zeker,” zei ze

niettemin vriendelijk, „zet je hoed af.” Haar groote, ronde, wat

uitdrukkingslooze oogen gingen vragend naar haar echtgenoot.

„Zij moet zich hier heelemaal thuis voelen,” ging oom Egbert ijverig

voort, zóó blij en enthusiast als gold het een feest, dat ’t nichtje

gekomen was.

Dit hinderde mevrouw... Hemel, zóó gelukkig behoefde Egbert zich nu óók

weer niet te toonen! Die overdreven familieziekte van dien man altijd!

„Tenminste,” antwoordde zij daarom, meer gereserveerd dan zooeven, „als

Mieke ervan overtuigd is, dat dit thuis-voelen van haar eigen gedrag

zal afhangen. Ze moet beginnen met niet eigenwijs te zijn, en

buitenmenschen zijn op dat punt hardleersch.”

Deze woorden troffen Mieke onaangenaam en oom Egbert’s gezicht betrok

een weinig. Hij hielp haar, zonder spreken nu, zich van haar mantel te

ontdoen, toen onverwachts, van uit het aangrenzend vertrek, een jonge

dame te voorschijn trad.

Oogenblikkelijk had Mieke haar herkend: Olga. Vele jaren waren sedert

de laatste ontmoeting verloopen, doch precies zooals zij leefde in

Mieke’s herinnering stond het meisje voor haar met al de overmoedige

schoonheid van vroeger, met dezelfde spottende, koele oogen van toen

zij kinderen waren. Verbluffend, evenals eertijds, werkte Olga’s blik,

die haar van top tot teen opnam, en eenige oogenblikken overheerschte

Mieke een bijna onoverwinnelijke verlegenheid. ’t Stereotiepe

glimlachje om den mond van het groote, mooie meisje verwarde haar

onbeschrijfelijk. Zij kende dit gevoel. Dit was dezelfde gewaarwording

als die, waarmee ze als klein kind reeds had geworsteld, toen

tevergeefs. Nu streed ze opnieuw, ze spande al haar krachten in om niet

als een dom, schuw wezentje het veld te ruimen voor de imponeerende

verschijning tegenover haar. Haar trots om zichzelve te handhaven

streed kort maar heftig en onverdroten. Zij wìlde zich niet in een hoek

laten duwen als vroeger! Zij wenschte volstrekt niet Olga op zijde te

streven, maar evenmin wilde ze onder den voet raken... En haar blik

hield den stillen spot uit, die haar onafgebroken vasthield vanuit de

mooie oogen harer schoone nicht.

Het ironisch lachschemertje op Olga’s fijn gezichtje werd intusschen

duidelijker, toen Mieke ook haar hoed afzette en ’t glad naar achteren

gestreken haar te zien kwam... Wat een coiffure!... En wat ’n chapeau,

dat geel strooien modelletje met wit zijden strikjes en stijve

margrietjes,—in Octòber!... Kon je je iets méér provinciaals denken? En

die mantel, wat een snit!... ’t Kind had gelukkig géén

groene-zeep-gezicht, dat op mijlen afstands al glom van de

frisschigheid. De arme!... Ofschoon dat horlepijpsche, zwarte valies

weer je reinste bagage was voor de Rivièra, andersom!... Eén voordeel

echter dat ze klein was en wat bleek zag. Zoo’n groot, kleurig

buitenmensch elken dag om je heen irriteerde ontzettend... Wat zij zich

van Mieke herinnerde was akeliger dan dit. En onbewust met mama

instemmend overzag ook zij: „Er viel misschien nog wel een snippertje

te fatsoeneeren aan ’t kind,”—want zóó zou ze in geen geval kunnen

blijven.

„Hoe maak je ’t, Mieke?” vroeg ze, langzaam haar hand uitstekend, waar

Mieke slap de hare inlegde. En op den haar eigen slependen toon

vervolgde zij: „Wij hebben elkaar in lang niet gezien.”

In ’t eerst haar stem nauwelijks meester, vermande Mieke zich, en

hoewel met moeite antwoordde ze vlot: „Ja, ’t is lang geleden. Ik maak

’t goed.”

„Zoo?” Met een wat loome beweging zette Olga zich in een lagen, grooten

stoel, spelend met de kwasten van ’t koord om haar middel. Dat antwoord

klonk niet praatziek! Zelfs geen wedervraag: „Hoe is ’t met jou?”—Zie

je, daar kwam al dadelijk dat lichtelijk onwellevende te voorschijn...

Toch vermakelijk ook, die blooheid, want daardoor ontstond dat

kortaffe. En weer vlogen spottende blikken langs ’t tengere figuurtje

aan den overkant der tafel.

Mieke had, ondanks zichzelf, Olga’s bewegingen gevolgd in open

bewondering. Dit óók voelde Olga, en ’t streelde haar ijdelheid te zien

hoe Mieke vocht tegen die bewondering, die haar zoo verlegen maakte.

O, dit rijzige, voorname meisje, mooier nog dan vroeger leek ze Mieke

thans in die rijke japon van donkergroen fluweel! Doch bij deze

bewondering ondervond zij niet de minste vreugde om ’t weerzien.

Integendeel, de bezwaardheid, zooeven bij tante’s voorkomendheid wat

lichter geworden, legde weer haar vollen last op haar van vrees voor de

toekomst, en het oude gevoel van vernedering en eigen kleinheid kwelde

haar opnieuw grievend, toen ze Olga’s kritiek over haar simpele

kleeding las in den voor-mal-houdenden blik, waarmede ze vroeg: „Of

Mieke haar blousjes altijd zelf maakte?”

Oom Egbert, na hoed en mantel der logée in de gang gebracht te hebben,

kwam weer binnen en schoof den stoel, waarvan Mieke bij Olga’s

begroeting opstond, nogmaals aan. „Ga toch weer zitten, kind,” drong

hij, moeite doende ’t gesprek, ’twelk dreigde te hokken, gaande te

houden. „Misschien heb je nog wel een kop thee voor haar, mama?”

„Als ze wil?” informeerde mevrouw. „Maar de thee zal afgeschonken

zijn.”

Mieke, strak nu ’t gezichtje, de lippen op elkaar geklemd, schudde ’t

hoofd. „Neen, dank u,” antwoordde ze met een onverklaarbaren drang tot

weigeren, ofschoon ze graag een kopje gedronken had.

„Dus niet?” verwonderde tante zich, vooral over de wijze van

refuseeren.

„Dank u,” bleef Mieke volhouden, later spijt hebbend van haar gedrag,

zich verwijtend, hoe dit weer dezelfde „stuursche koppigheid” was als

waarover grootmoeder haar eens berispte ten aanzien van heur ander

kleindochtertje. Deze „koppigheid” werd geboren uit dezelfde oorzaak.

Zij was ’t innerlijk, instinktmatig verzet tegen de machtige, spottende

bekoring, tegen de bevallige, laatdunkende ironie, die Olga zoo

pijnigend kon toepassen op menschen, die niet geraffineerd genoeg waren

om haar te doorzien of te weerstreven, en voor wie ze het niet de

moeite waard rekende haar gaven aan te wenden tot het kweeken van

sympathie. „Zij was nu eenmaal geen gevoelsmensch,” zei ze

vaak,—uitsluitend echter tot hen, die „buiten haar sfeer stonden,”

zooals ze ’t noemde. En waar Mieke nog niet in de verste verte die

„sfeer” benaderde, is ’t te begrijpen, dat Olga zich dus niet de

geringste moeite gaf te bekoren door de tegemoetkoming en

belangstellende vriendelijkheid, waarmede zij degenen, op wier oordeel

zij prijs stelde, zoo spoorslags kon betooveren.

Mieke’s kalm, effen bestaantje, zonder eenige ingrijpende emotie, had

haar levensontwikkeling in zeker opzicht tegengehouden. Des te forscher

schokten haar daarom nu al deze aandoeningen van ziel en geest, deze

ups en downs, maar ook des te sneller schoot haar zelfkritiek de hoogte

in, (ook al omdat ze met zichzelf te worstelen had) evenals haar

ontwakend begrip van anderer karakter-eigenschappen. Na uren van

schemering doet het ontstoken licht de oogen pijn, maar ook worden ons

de duistere hoekjes helderder dan ooit.

Tante Sophie schonk voor zich nu de thee, en oom Egbert ging juist weer

zitten, toen allen opschrokken door een luid gebel. Even daarna brak

een hooge meisjesstem de ingetreden, wat pijnlijke stilte. Olga’s

wenkbrauwen fronsten. Een trek van kribberigheid, die haar gezicht

overschaduwde, deed geen goed aan de schoonheid ervan.

„Dat onhebbelijke kind,” zei ze vinnig. „Aan mama stoort ze niets en

u, papa, is veel te toegevend... Hóór toch eens!... Wat is dat nu

weer?”

Meneer Van der Hoeve opende de deur.

„Wat is er toch, Loes? Val je?”

„Welnee,” en de jongste, warm van ’t harde loopen, ’t haar slordig om

de ooren, kwam in, klein, donker ding van een jaar of zestien, in de

verste verte niet op schoonheid kunnende bogen, in niets gelijkend op

haar zuster en wel ’t allerminst in voornaamheid. „Hè, die Betje laat

je soms toch zóó lang aan de deur wachten vóór ze open doet.

Geschrokken van me, vadertje?” en lachend, over z’n schouder heen: „Is

ze dat nou, je nicht?”

„Louise,” ergerde mevrouw zich.

Maar ze hield zich Oost-Indisch doof en bleef vroolijk doorbabbelen,

zoodat vader weer, ondanks zichzelf—wat Olga „gebrek aan prestige”

noemde—lachte. Zijn bestudeerde waardigheid van bezadigd, deftig man

moest het nu eenmaal herhaaldelijk afleggen tegen haar spontaniteit en

onontkoombare liefkozingen, en hoewel Mieke zich verbaasde, dat een

dochter zóó oneerbiedig als tegen een broertje tot haar vader spreken

durfde, zij glimlachte erom en voelde bij den vriendelijken blik van ’t

opgeheven, doodgewone meisjesgezichtje een straal van heerlijke warmte

in zich vloeien, die ze zoo noodig, zoo broodnoodig had, en die geen

van allen haar hier nog schonk.

Nu kwam de kleine druktemaakster op haar toe. Haar lachende, ondeugende

oogen hadden een zacht glansje, toen ze Mieke een stevige hand gaf.

„Ach,” zei ze, „ik vind ’t toch zoo naar voor je, dat grootmoeder

gestorven is. Zal ik je in ’t vervolg nu es een beetje gaan

vertroetelen?”

En opeens wist Mieke, dat ze hier één mensch in huis tenminste volkomen

welkom was, en de drukkende veronderstelling er nooit te zullen aarden,

verloor eensklaps voor haar de helft harer zwaarte.

Mieke · 第 10 / 36 题