DE ZEKERHEID.—EN ’T AFSCHEID.

Een week omtrent duurde Mieke’s verblijf op de boerderij nu reeds. Ze

was hulpvaardig en gedienstig, ze hinderde juffrouw Wije niet in ’t

minst, zelfs vond deze ’t wel aardig het meisje bij zich te hebben,

maar niettemin verwonderde ’t de boerin, dat tijding uit Amsterdam zoo

lang achterwege bleef.

Op een morgen had Jans met haar slag om iedereen werkjes op te draaien

Mieke aan ’t koffiemalen gezet. De deur stond wagenwijd open en vol

scheen de zon in de groote keuken, waar ’t, met ’t flink brandend

fornuis, verbazend warm was.

Mieke, den koffiemolen tusschen de knieën, draaide de stroeve machine

met flink wat routine, begeleidende daarmee den deun, dien Trijn, de

boerenmeid, in ’t waschhok aanhief, tot ergernis van Jans, die, zelf

niet kunnende zingen, ook geen zingen van een ander kon verdragen.

Trijn, een dikkerd met een onbenullig, goedig gezicht, kwam, de armen

dampend van zeepsop, uit ’t waschhok om een nieuwen pot water te halen,

die stond te koken. Lachende, met een zwaai, joeg ze de kippen de

keuken uit, knipoogend naar de ijverige Mieke: „Jans zal wel maken dat

je je niet dood verveelt.”—Jans en Trijn waren nu eenmaal vuur en vlam,

en de oorzaak hiervan lag bij de vrijers. Trijn, dom maar jolig, was in

trek; Jans, die een grooten neus had en vinnig leek, maar die zich op

een vrij wat hooger standpunt plaatste van „bijna huishoudster”, Jans

scheen zonder charmes. Dit werd een kritiek punt. Juffrouw Wije, van

allebei gediend, moest soms heel wat schipperen.

„Ik help wel graag,” zei Mieke vergoelijkend.

Jans triumfeerde; Trijn mokte... Háár best, als ’t kind dien spitsneus

naar de oogen keek!... Maar ze glunderde alweer tegen den postbode, nam

met een grap een brief van hem in ontvangst, deed moeite ’t adres te

ontcijferen, hoewel lezen niet behoorde tot haar „fort”.

Jans, fluks naast haar, keek over haar schouder, bitste: „Voor jou,

Mieke,” griste den brief de ander uit de hand.

Mieke, gereed met de koffie, stond haastig op, zette den molen op

tafel. Hoewel ze ieder oogenblik tijding kon verwachten kwam deze haar

nu toch nog onverwachts. Een beklemd gevoel overviel haar, toen ze den

brief aannam.

„Van je oom, Mieke?” veronderstelde Jans, Trijn geen tijd latend tegen

haar kattigheid te protesteeren.

„Ja,” antwoordde Mieke, huiverig om de enveloppe te openen en nochtans

popelend om den inhoud te weten... Maar niet lezen onder de speurende

blikken der nieuwsgierige meiden!... Langzaam liep ze de keuken uit,

vóór ’t huis om, en zich ten laatste vermannend scheurde zij het

couvert los en las, met knippende oogen, zenuwachtig den eersten

persoonlijk aan haar gerichten brief. Een uitdrukking van onzekerheid

teekende zich meer-en-meer af op haar gezichtje... Zij wist, toen ze

het epistel uit had, zelf niet of het haar plezier deed of tegenviel...

Lag dit nu aan haar?... Kon niets, niets haar dan meer schelen?... Zoo

leeg en zonder opgewektheid bleef zij... Wat heerlijk als je nog zoo

galmen kon als Trijn of als je je zoo hartstochtelijk in ’t zweet

poetste op ’t koper, iets waaraan Jans zooeven haar krachten wijdde,

meenende, dat er geen gewichtiger werk op de wereld bestond dan dat...

Eens had ook zij, Mieke, het hoogste lied uit gezongen, wanneer ze het

keukentje bij grootmoeder wit-schuurde, het plaatsje schrobde of de

ramen zeemde... Weg dit alles! Genadebrood zou ze eten, bij die vreemde

familie, zooals ze híér genadebrood at!... O, vriendelijk waren de

Wije’s voor haar, maar Jans had haar reeds een paar malen, als ze haar

allerhande karweitjes opdroeg, gezegd: „Hartelijk van de vrouw, dat je

zoolang kunt blijven. Je mag wel dankbaar zijn,”—en daarstraks had

Thijs, de goeie, oude sul, die voor den moestuin zorgde, zonder eenig

kwaad bedoelen gevraagd: „Ben je der nou nóg al, juffertje?”... En dat

was reeds nu!... Juffrouw Wije zou dergelijke dingen afkeuren, o,

zeker, maar zij, Mieke, voelde toch den grond dier vragen... Hoe zou ’t

dan in de toekomst worden?... Waarschijnlijk uitte familie zich anders,

oom Egbert sprak zelfs van „tweede vader” en „verplichtingen”, maar

Mieke’s hartje was zéér beducht. Deze brief bracht haar niet de hulp

van oom Egbert’s spontane beloften, de hulp, die men ontvangt van

hartelijkheid wanneer men eenzaam is. Deze brief bracht slechts

twijfel, onzekerheid, wantrouwen aangaande de toekomst.

Zij besloot juffrouw Wije op te zoeken en met haar te spreken.

Langs de stallen loopend vroeg ze Geert, die inspande om naar de stad

te rijden, waar z’n moeder was.

Druk bezig, vroolijk fluitend, zag hij op. „Achterin,” antwoordde hij.

Zijn knap, open gezicht straalde van zorgeloosheid, zijn heldere,

schrandere oogen van levenslust en vergenoegen. „Mooi weer, Mieke!”

riep hij haar vroolijk na; z’n jonge stem schalde.

Zij knikte, ongeïnteresseerd. Zij voelde niets van de heerlijk pittige

najaarslucht, ze zag niets van den warmen zonneglans, van ’t prachtig

donkergoud op het najaarsloover. Heel het opgewekte, krachtige der

frissche atmosfeer miste zijn invloed op haar, vervuld als zij was van

de aldoor weerkeerende zorgen, der aldoor weerkeerende zelfde

gedachten.

Na de verdooving door het groote verdriet veroorzaakt, leefde zij, al

de dagen dat ze nu op de boerderij logeerde, in een stemming van

lijdelijkheid. Ze wilde ieder zooveel mogelijk van dienst zijn, maar

het heele woelige leven op de drukke plaats deed haar niets, ging langs

haar. Juffrouw Wije bemoeide zich weinig met haar, eerstens omdat ze er

niet veel tijd voor had, tweedens omdat ze het beter vond Mieke

zichzelf te laten overwinnen. Zij hielp haar somtijds met een enkel

woord, maar niet met opgedrongen troost. Men moest het meisje niet

lastig vallen met goeden raad als: „Verzet je toch, kind.” Spoedig

genoeg zou het leven-zelf haar hier wel toe noodzaken.

Mieke trof juffrouw Wije bij het kippenhok. Zij had de handen vol

eieren, vijf in iedere. „Kijk eens,” riep ze verrast, „om dezen tijd

van ’t jaar nog tien. De kippen zijn in haar schik met den

zonneschijn.” Heur blozend gezicht was warm; ze had gebukt gestaan en

kwam juist uit den moestuin, waar ze de laatste boontjes plukte in een

mand, die ze op het hok had gezet. Voorzichtig legde ze daar de eieren

nu bovenop. „Maar wat is er, kind?” vroeg ze belangstellend verder.

„Heb je een brief?”

Mieke knikte. „Lees u eens.” Zij reikte haar den brief over.

„Kom even mee naar binnen; niet hier.”

Mieke volgde haar, droeg ’t mandje.

„Samen aan den wandel?” schertste Geert bij ’t langs-komen.

Juffrouw Wije wees op den brief in haar hand. „Nu zullen wij Mieke wel

gauw kwijtraken.”

„Kom?” vroeg hij ernstiger.

„Heel gauw,” knikte Mieke.

Zij liet het mandje met de boontjes en de eieren in de keuken, en

juffrouw Wije ging haar voor naar de huiskamer, zich zettend in haar

breeden armstoel aan ’t raam, lezende:

Amsterdam, 25 September 19...

Beste Mieke,

Na overleg met den notaris ontving ik dezer dagen opgave van de

som, die je van je moeder erfde, en van de grootte der

nalatenschap, waarvan wij beiden de erfgenamen zijn.

„Haha,” dacht juffrouw Wije, „wij beiden,”—en zij las verder:

Die van grootmoeder is slechts klein, doch wat je door je moeder

bezit vertegenwoordigt een niet onaardig kapitaaltje.

Tante en ik, die er eerst over dachten, met het oog op mijn vrouws

minder sterk gestel, een eenvoudige kostschool voor je te zoeken,

zijn echter na rijp beraad op dit plan teruggekeerd, overwegende,

dat ook jij liever te onzen huize wildet verblijven dan op een

pensionnaat. Indien wij kinderloos waren zouden wij er in ’t minst

geen bezwaar in zien je kosteloos tot ons te nemen, maar waar de

studie van Erik en Olga en ook de opvoeding van onze Louise ons

groote verplichtingen oplegt, is ons dit onmogelijk. Bovendien zou

een kostschool voor jouw middelen wellicht ook nog wel wat te

prijzig wezen en zal het beter voor je zijn, indien je bij ons een

klein kostgeld betaaldet veel minder groot dan op een pensionnaat,

om welke concessie jij je tante dan in de hand zoudt moeten komen

met de huishouding. Dat je intusschen voor onderwijzeres blijft

doorleeren spreekt vanzelf. Hierover mondeling nader.

Ik wil een-en-ander geheel aan jezelf overlaten, ofschoon ik

natuurlijk als je voogd je zou kunnen dwingen, maar dit wensch ik

in geen geval. Vermoedende dat je met ons voorstel accoord gaat,

zouden wij gaarne vernemen wanneer wij je mogen verwachten. Liefst

met den trein, die vóór vijven arriveert. Tante zal dan je kamertje

in orde laten brengen. Dit zal je wel plezier doen.

Doe mijn beleefde groeten aan de familie Wije en betuig haar

nogmaals mijn welgemeenden dank. Tot ziens dus, beste Mieke. Steeds

gaarne:

Je liefhebbende oom

Egbert.

Mieke stond tegenover de boerin aan ’t raam. In verwachting keek ze

naar de lezende, was ze toch wel zeer benieuwd en zenuwachtig.

„Wat dunkt u?” ze kon het oordeel ternauwernood afwachten. Nu bleef ze

niet lijdelijk meer. Alles aan haar was bevend uitzien.

„Wel, kind,” sprak de boerin langzaam terwijl ze ’t papier opvouwde en

weer in ’t couvert stak, „daar zit veel goeds in dien brief.” Hoewel

een egoïstisch doel vermoedend—juffrouw Wije’s gehoor had zich dus

onlangs niet bedrogen—wilde zij Mieke niet vooruit verontrusten. Zij

begreep hoe getroffen het meisje moest zijn nu voor het feit te zijn

gesteld, dat onherroepelijk verwacht werd, maar toch steeds nog mijlen

ver weg werd geloofd. Zij wilde niet spreken van alles wat haar bij het

lezen zoo onaangenaam had getroffen, hoe alleen de noodzakelijkheid (en

het winstbejag? juffrouw Wije kon dit niet gehéél constateeren, niet

wetende hoe groot Mieke’s middelen waren) aan ’t woord was en het

rechte welkom ontbrak. Zij mocht Mieke niet ontmoedigen. Integendeel

werd het nu zaak haar te helpen bij het begin van den moeilijken tocht,

dien het kind ondernemen ging.

Mieke’s angstig op haar gevestigd gezichtje ontspande zich na de

opbeurende woorden der oudere vrouw, wier oordeel zij niet alleen op

prijs stelde, doch dat zoo grooten invloed op haar uitoefende.

„Veel goeds? Vindt u? Vindt u dat werkelijk? Valt het u mee?” ze vroeg

het rad, weifelend ook, en blij half, met een wat bevend stemmetje, in

de blauwe oogen opkomende blijdschap, de bleeke wangetjes nu warm

gekleurd door een zachten blos, die haar innemend, kinderlijk gezichtje

iets roerend liefs gaf. Juffrouw Wije zag met warme sympathie naar

haar. Wat een onwetendheid met de wereld sprak er uit dit jonge

schepseltje!... Het was eigenlijk niet goed geweest van de oude vrouw

het meisje zoo heelemaal onkundig te laten met alles wat er in ’t leven

te koop was. Eenmaal moest een elk de moeilijke levensles leeren, en

waarom een kind daar niet reeds jong op voorbereid? Zeker, de

grootmoeder liet haar goed onderwijzen, wees haar den weg om op te

groeien tot een braaf mensch, maar van het verkeerde dat zij op dien

weg ontmoeten zou leerde zij haar niets... Doch ook, moest juffrouw

Wije verontschuldigen, zij had haar taak nog niet volbracht, toen ze

weggerukt werd. Men mocht daarover eigenlijk niet oordeelen.

Met dat al vervulde haar een diepe deernis voor ’t meisje, dat zoo

gansch onwereldkundig het leven in een groote stad tegemoet zou gaan.

Zij wilde haar echter niet beangstigen, zij mócht haar niet

beangstigen. Slechts een riem onder ’t hart was ’t, wat Mieke noodig

had en wat haar helpen kon de toekomst met moed te aanvaarden.

En juffrouw Wije zei: „Zeker valt het me mee. Je oom schrijft immers

heel aardig. Natuurlijk zal er veel zijn, wat je vreemd voorkomt,

waaraan je in ’t eerst niet wennen kunt, maar je moet er doorheen,

kind. Geen mensch zeilt door ’t leven zonder tegenwind, maar met Gods

hulp kom je in veilige haven... Is niet alles naar je zin geregeld? Me

dunkt. Je wilde liever bij je oom in huis dan naar een kostschool,—nu

kàn dat. Dus is ’t best!... Je oom is geen kwaje man, Mieke. En hij

blijft door alles heen de zoon van z’n moeder. Dat moet je maar goed

onthouden. Trouwens dat zal je ook altijd ondervinden.”

Mieke monterde geheel op. „Ja,” zei ze opgeruimd, „ik ben werkelijk ook

heel blij, nu ik zekerheid heb. U heeft gelijk, oom schrijft aardig;

vooral van mijn kamertje. Ik zal er heel netjes op wezen en ik wil

tante Sophie graag flink helpen in de huishouding.”

Juffrouw Wije sprak haar verwondering over dat behulpzaam-zijn ter

vergoeding van het kleinere kostgeld bij de familie dan op een

pensionnaat maar niet uit. Het klonk wel zeer vreemd na Van der Hoeve’s

genereus gebaar: „Mieke behoudt alles van grootmoeder. Ik wensch

daarvan niets.”

De boerin wist hoe Mieke de verklaring hiervan schuldig zou blijven, en

daarenboven, wat nut stak erin slapende honden wakker te maken? Zij zag

met voldoening den meerderen glans in de oogen van haar vriendinnetje,

ze zag hoe heur heele persoontje langzaam-aan weer ’t opgerichte,

veerkrachtige van de jeugd begon te krijgen. Tot-nu-toe had Mieke

onafgebroken haar leed en angst gekoesterd, aangekweekt bijna, niets

anders was er, dat sterk-overwegend haar belangstelling vroeg. Deze

brief echter zette haar aan tot dóórdenken, tot klaar doordenken aan de

toekomst, tot naderend handelen. Het leven dwong met z’n onverwachte

eischen: het vroeg haar volle aandacht en haar heele persoon...

Juffrouw Wije sprak juist van pas. En de gezonde, normale geest van ’t

meisje nam gretig aan de bemoediging, de voortstuwing van het ernstig

optimisme en de meerdere ervaring der rijpere vrouw. Mieke begon nu

zelfs een weinig belang te stellen in daarginds; het trok haar

langzaam-aan met al de kracht van ’t onbekende nieuwe. De apathie

week,—met kloppend hart dacht ze aan het vele, dat haar begeerlijk ging

lijken, en ze had niet nog maar zeventien jaar moeten zijn om zich niet

illusies en voorstellingen te maken omtrent alles wat dat nieuwe nog

voor schoons voor haar verborg... Deze ommekeer overmeesterde haar heel

plotseling. Nog passief toen ze bevende den aanhef: „Beste Mieke” las,

zelfs nog onzeker nadat ze den heelen brief gelezen had, ontwaakte ze

eerst ten volle bij het besef, door juffrouw Wije helder belicht, om nu

het komende niet angstig tegemoet te zien maar met vertrouwen en

blijmoedigheid te aanvaarden.

En toen dit besef eenmaal doordrong, goed tot haar doordrong, was het

met snel groeiend verlangen, dat ze op de toekomst zelfs hóópte.

Juffrouw Wije bemerkte het met vreugde, al overzag zij daarbij ten

volle de onvermijdelijke teleurstellingen voor Mieke... Maar geen woord

hierover! Waar ’t kind zelf den moed herwon bleef haar niets anders te

doen dan dien te versterken.

Alles wat ze aan kleeren bezat, zoowel zomer- als wintergoed, laadde

Mieke in den grooten koffer, dien ze van Geert ter leen mocht. Om elf

uur kwam de bode de bagage halen. Er was ruimte in overvloed, want veel

garderobe bezat ze niet, ofschoon Mieke-zelf haar bescheiden

bezittingen uitgebreid genoeg vond. Terwijl ze zenuwachtig opvouwde en

bergde en weer verlegde, leken haar die eenvoudige spulletjes lang niet

onaanzienlijk. Vuurrood van agitatie, de handjes bevend, had ze eerst

al haar kleinigheden ingepakt: doosjes, vaasjes, portretjes en wat

boeken. Verleden week bracht ze alles, wat ze uit grootmoeders boeltje

wilde behouden, naar hier. Van de meubels, waaraan ze bijzonder gehecht

was, had ze bij den notaris een lijstje moeten inleveren, en deze

meubels waren opgestuurd geworden naar Amsterdam om daar haar kamertje

te completteeren.

Mevrouw Van der Hoeve behield voor zich slechts, zooals de notaris

zeide, de antieke kast en de oude klok. En omdat er van de rest niet

zooveel overbleef, wat Mieke begeerde, zou er veel bestemd zijn om

verkocht te worden... Als ze daaraan dacht schrijnde ’t haar. Leeg het

lieve, gezellige huisje, zoo grootmoeders trots!... Wat waren ze er

gelukkig en tevreden geweest! Nooit had ze dit beseft vóór ze die

onbezorgdheid verloor.

Bij deze gedachte beheerschte haar wederom een overweldigende weemoed.

Het mooie, groote, lichte dorp met zijn vriendelijk kerkje, de

uitgestrekte weiden en de schaduwrijke boomgaarden, de vruchtbare

bouwlanden en den breeden straatweg, en niet ’t minst het overbekende

landpaadje met het onvergetelijk tehuis, de prachtige hoeve harer

hartelijke buren,—hoe zou ze dit alles missen tusschen de torenhooge

huizen in de stad, in de straten, waar de menschen elkander verdrongen

en waar je nooit zien kon of het zomer of winter was. O, het werd haar

zoo moeilijk te scheiden! Eenige dagen geleden, toen ze pas den brief

ontving, dacht zij, dat ze nu wel voorgoed zoo dapper en opgemonterd

zou blijven, had ze bij zichzelf reeds allerlei plannen gemaakt,

voorstellingen van genoegens, waarover ze dikwijls gelezen had, die

haar opwonden en deden haken naar het nieuwe leven,—maar nu, onder het

inspannend zich reisvaardig-maken, nu nog maar enkele uren haar

scheidden van die vreemde toekomst, nu werd het haar wederom zeer bang

te moede en bekroop haar weer dat gevoel van hopelooze verlatenheid,

dat sedert grootmoeders dood haar zoo herhaaldelijk overviel.

Zij kende de geslotenheid van haar karakter, dat zich heel moeilijk en

schuchter uitte. Haar aanhankelijke, liefderijke natuur gaf gaarne en

veel, maar ze gaf niet gemakkelijk en meer in zelfvergeten en gestadig

hulpbetoon dan in spontane, licht te begrijpen hartelijkheid. Daardoor

onderschatte men dikwijls de grootte en de zuiverheid harer oprecht

gemeende bedoelingen. Zij wist, dat veel menschen haar wat stug vonden,

koel zelfs, en maar al te goed voelde zij, hoe’n moeite ze vooral den

eersten tijd zou hebben om zich daarginds aan te sluiten en aan te

passen. Al de luchtkasteelen, sedert de ontvangst van den brief

opgebouwd, vervaagden, terwijl ze daar nerveus zwoegde aan ’t ongewone

werkje van kofferpakken. O, het zou haar onmogelijk zijn dadelijk al

innemend te doen, veel te praten en te lachen en belangstelling te

toonen. Ze zou niet genieten van al hetgene, dat ze in die onbekende

omgeving te zien kreeg; altijd zou ze voelen, dat ze er toch niet

tehuis hoorde... Wanneer zij terugdacht aan vele jaren geleden, toen

zij nog maar een jong kind was en oom Egbert nog wel eens Olga

meebracht bij grootmoeder op zijn korte bezoeken aan het eenvoudig

ouderlijk huis, wanneer zij terugdacht aan het mooie, sierlijke meisje

met heur groote, donkere oogen en glanzende, lange krullen, aan heur

opgerichte houding en vlugge, bevallige bewegingen, aan de fijne

jurken, die zij droeg, en de groote strikken in ’t prachtige haar, dan

prangde er iets in Mieke’s borst van angst om dat meisje weer te

ontmoeten, om met haar te moeten samenleven. Oom Egbert had het vaak

genoeg gezegd, hoe mooi en hoe begaafd Olga geworden was! Mieke

luisterde altijd naar die verhalen met verwondering en eerbiedige

belangstelling, maar ook als naar iets dat, veraf en onbereikbaar,

slechts als een merkwaardigheid voor haar gold.

Zij herinnerde zich hoe Olga’s aanwezigheid de enkele keeren, dat zij

bij grootmoeder geweest was, haar had geïntimideerd en gehinderd,

onverklaarbaar gehinderd. Nóg kon zij zich dien vreemden indruk op haar

jong kinderzieltje herinneren, het gevoel van onvoldaanheid en van

verzet om zich niet door het nichtje te laten overheerschen. O, die

duidelijke herinnering aan de gewaarwording half van vijandschap, half

van overmachtigen eerbied, waartegen haar kindertrots zich altijd

verzette. Jarenlang sluimerde deze ondervinding,—slechts wanneer oom

Egbert in later tijd eens over zijn kinderen sprak schemerde ze haar

vaag voor den geest. Thans echter beklemden die herinneringen haar zóó

sterk, dat ze even de handen moest laten rusten en de verslapping, die

haar overviel, moest laten wijken om opnieuw voort te kunnen gaan. Nu

wist ze ’t plotseling, dat dit ’t geweest was, waar ze het meest

tegenop had gezien. Niet de nieuwe omgeving noch de groote stad waren

’t, niet enkel het afscheid van haar oude vrienden en van ’t vele

liefs, dat zij achterliet, noch de gedachte gedeeltelijk afhankelijk te

worden van voor-haar-zoo-goed-als-vreemden, dat alles bedroefde en

bezwaarde haar, zèker,—doch wat haar nu eensklaps verklaarbaar werd,

het was het gevoel van onoverkomelijkheid van iets, dat haar in de

toekomst wachtte, en dit „iets” was de wetenschap in ’t vervolg elken

dag te moeten samenleven met het nichtje, dat eens, als kind, haar

onder haar sterken, overheerschenden wil bracht en een overmachtigen

invloed op haar uitoefende, wier schoonheid Mieke overschaduwde met al

de kracht eener indrukwekkende, opvallende persoonlijkheid. Het werd

Mieke glashelder: die antipathie benauwde haar bij vlagen tot stikkens

toe. Mieke wist, hoe zij naast Olga tot niets zou worden, en hoewel zij

nooit begeerde ook slechts eenigermate op den voorgrond te treden, ze

kende te goed het gevoel van achteruitzetting zoodra de ander met heur

stralende gaven haar op zijde drong, om het niet te duchten. Want zij

kende het leed erom. Zelfs grootmoeder, bekoord en gestreeld door het

bezit van zulk een kleindochter als Olga, bevoorrechtte deze eenmaal.

Dat gebeurde, toen Mieke, bemerkend hoe men háár wat linksche

voorkomendheid over ’t hoofd zag, háár pogingen tot liefheid en

gehoorzaamheid totaal veronachtzaamde, zich stug terugtrok en

grootmoeder haar daarna om „koppigheid” en „stuurschheid” berispte. En

iemand—wie wist Mieke zich niet meer precies te herinneren—sprak toen

schouderophalend van „jaloezie.” Dit had het kind gegriefd, zóó

onmeedoogend en onuitwischbaar (misschien omdat ze de waarheid ervan

doorvoelde, die haar fel kwetste), dat, hoewel door de jaren

verdoezeld, dit heftig gevoel van vernedering haar nu nog pijn kon doen

en vrees aanjagen voor een herhaling.

Zij sloot den koffer, warm en moe van inspanning, het blonde haar, dat

over heur voorhoofd viel, wegstrijkend naar achteren in de gladde

vlecht. Heur handen en armen, bevend van onnoodig reppen, gleden slap

langs haar lichaam... Wat nu?... Zij kon er zich niet indenken nu klaar

te wezen; de onrust dreef haar tot allerlei overtollige schikkingen.

Zij zette nog wat recht en ruimde nog wat op, maar dan zakten weer de

armen, stond ze in bevreemding bij het weten: „Nu heb ik hier niets

meer te doen.”

Zij besloot nog eens voor ’t laatst op dezen schoonen najaarsmorgen de

boerderij rond te loopen. Alles wat zij vroeger nauwelijks opmerkte en

wat toen langs haar ging trof haar thans als een verrassende

merkwaardigheid... Wat een bedrijvigheid en wat een rijkdom!... Kijk

dat begeerig gepik der kippen, die Jans aan ’t voederen was!... Even

lachte Mieke om de hoekige bokkesprongen van den sik, die, vastgebonden

aan een paal, het kleine bleekveld afgraasde achter het wagenhuis...

Trijn hoorde ze galmen bij ’t regelmatig geschuur der melkemmers en

somtijds luide lachen om de kwinkslagen der knechten, die op de

korenzolders bezig waren en haar door een openstaand venster

beschreeuwden.

Als je een oogenblikje stilhield en luisterde, waren het honderdlei

klanken, die je opving: gepraat, gezang, geklop, geschuur,

dierenstemmen op eigenaardige menschengeluiden lijkend, het ruischen

der boomen, getok en getjielp van vogels, waarvan de meesten

wel-is-waar reeds vertrokken waren, doch welker achterblijvers ook hun

stem, zij ’t gedempt, verhieven in het harmonisch lawaai, dat je

onwillekeurig tot een glimlach dwong om de veelheid en de

eigenaardigheid der instrumentatie. Nog nooit had Mieke daar zoo bewust

en intens naar geluisterd, nog nooit had zij de boerderij zoo vol en

rijk gezien als thans, nu ze op ’t punt stond er een vreemdelinge te

worden.

Alles was hier met haar jeugd en herinnering saamgegroeid, en eenzaam

en bedroefd sloop zij rond, tot ze in de verte de torenklok hoorde

slaan... Ze wilde nog naar mevrouw Bos en naar dominee Rensen; ’t werd

tijd als ze vóór het middageten om twaalf uur terug wilde zijn. Ze nam

haar hoed en gaf aan Jans de boodschap waarheen ze ging.

Mevrouw Bos deed koel. Ze meende Mieke had haar niet de eer gegeven,

welke haar toekwam. Juffrouw Wije’s bereidwilligheid deed haar zich

gepikeerd terugtrekken. Zij was wat stekelig tegen ’t meisje en dit

speet Mieke, want al had ze nooit erg van mevrouw Bos gehouden, ze had

gaarne aan elk-een-hier een prettige herinnering bewaard. Maar mevrouw

Bos sprak bits en terechtwijzend, zoodat Mieke zeer ontmoedigd bij

dominee Rensen kwam.

Hij was een bejaard man, al over de zestig. Menig groote smart gaf hem

die opbeurende blijmoedigheid, waarmee hij de menschen in hun verdriet

kon steunen door zich te beroepen op eigen ervaring in leed. Men voelde

niet slechts zijn medeleven, maar meer nog en troostrijker vaak zijn

medebegrijpen. Hij had zijn vrouw ten grave zien dragen en aan het

sterfbed zijner eenige dochter gestaan, doch hij had in vrome overgave

het leven leeren overwinnen en liefhebben na harden, innerlijken

strijd. Nu stond hij dan ook op de hoogte van zijn vertrouwen, kende

hij de waarde van het leven, dat hem zooveel ontnomen had maar daarvoor

in plaats had gegeven het diepe geluk der aanvoeling van Gods

nabijheid, ’twelk vreugde en kracht schenkt ook in den zwaarsten rouw.

Als hij daarover sprak tot de menschen waren het geen phrases, geen

mooi klinkende woorden, die hij verkondigde, maar zelf ervaren vreugde,

die den moeden steun gaf en den bedroefden hoop en troost.

Hij nam Mieke’s hand in de zijne en zei aan ’t eind: „Ik weet, kind,

hoe eenzaam je je zult gevoelen dikwijls, hoe nameloos leeg, als daar

niemand is om je hartelijk lief te hebben en van wien je zelf het

meeste houdt op de wereld. Maar wanhoop nooit. Wanhoop ook nooit aan

jezelf. Je gaat den levensweg niet alleen: God is altijd met je, Mieke.

En altijd, àltijd, m’n kind, komt er de groote uitkomst, in welken vorm

dan ook... Je schrijft je ouden leeraar nog wel eens, nietwaar?”

Mieke knikte. Ze zou hem zoo missen, haar ouden vriend.

Bij haar terugkeer op de boerderij was de koffer gehaald geworden.

Nu schoot haar tijd op.

Het middagmaal verliep vlug. Toen telde iedere minuut. Geert had

beloofd haar zelf naar het station te brengen in het gele wagentje,

waarmee hij haar voor eenige weken geleden uit de school naar huis

bracht. En nu leidde oude Thijs het reeds naar buiten.

„Heb je alles?” vroeg juffrouw Wije, oogenschijnlijk heel bedaard, maar

innerlijk toch zenuwachtig. Ze had ’t nooit gedacht zóó aan ’t kind

gehecht te zijn. Goed, dat ze nog maar wat lekkere appels en van die

zachte peren in ’t valies had gestopt! Schááp!...

Juffrouw Wije vond ’t eigenlijk, wel beschouwd, mal van zichzelf haar

zoo te beklagen. Kreeg Mieke ’t niet goed?... Maar als ze naar haar

gemoed te werk ging zou ze zeggen: „Blijf maar hier, lieverd.”—„Och

kom, die onzin,” verweet de boerin zichzelve. Ze deed heel opgewekt en

riep schertsend: „Als je ons nou maar niet gauw vergeet, meisje!”

„O neen, juffrouw Wije,” zei Mieke, vuurrood wordend bij die

veronderstelling, ’t klonk overtuigend, „ik zal u nooit vergeten, en

meneer Wije ook niet.”

„Kom, Mieke, nooit?” deed Geert vroolijk. Hij plaagde haar weer een

beetje, maar ’t lukte niet best, omdat hijzelf ’t ook jammer vond haar

te zien vertrekken. Ze was zoo’n aardig, stil, klein ding met haar

groote, vragende oogen en haar zachte stem. Hij zette z’n hoed op en

nam ’t zwarte valies, Mieke’s handbagage. „Ziezoo, gaan we?”

Hij liep vast vooruit.

Juffrouw Wije en ’t meisje volgden. In de keuken zei ze Jans nog eens

goeiendag; de anderen had ze daarstraks al allemaal een hand gegeven.

Jans deed heel luidruchtig. Mieke luisterde nauwelijks.

Geert zat al op den bok.

„Nou, kind,” sprak de boerin hartelijk, haar arm om Mieke’s schouder,

„je moet ons dikwijls wat van je laten hooren. Ik wil je ook nog wel

eens schrijven en zal je vertellen, wie er nou in jullie huisje gekomen

is. Goeie reis en goeie moed! God zegene je, Mieke.”

Mieke kon niet spreken. Het kropte in haar keel; een floers kwam voor

haar oogen. Ze knikte maar en trachtte te glimlachen,—en later bedacht

ze, hoe ze heelemaal vergeten had te bedanken.

Geert gaf haar een hand bij ’t instijgen... Met een langen blik nam ze

alles nog eens in zich op. Het paard trok aan en aldoor maar wuifde ze

naar juffrouw Wije, wier struische, groote gestalte, hoog opgericht,

sterk en positief, haar nog lang bijbleef, zooals zij daar vóór het

huis stond, terwijl zij, Mieke, zich zwalkend schip zonder roer

voelend, klein, zonder bestemming, zonder idealen, dacht: „O, zóó te

zijn als de boerin, zoo zeker van jezelf.” Frisch en kloek scheen haar

alles wat zij achterliet. De boerderij lag zoo breed, zoo zelf

behaaglijk schier. En zijzelve, wat was zij?

Langzaam reed het wagentje ’t erf af, draaide den straatweg op. Ze keek

met een haastige hoofdbeweging nog eenmaal om de bekapping van het

rijtuigje, toen het langs het landpaadje reed, waar ze, door de

lindeboomen heen, voor het laatst en in een oogwenk grootmoeders huisje

zag schemeren. Dan ging het paard in draf met kletterend de hoeven op

de groote keien van den breeden straatweg.

Mieke leunde naar achteren tegen het bankje; ze sprak niet. Haar hoofd

was leeg van al het gepieker... O, nu eens eventjes niet meer behoeven

te denken! niet aan vroeger en niet aan het komende... Straks moest ze

weer voort... nu èven rusten. Ze zei maar ja op alles wat Geert haar

vroeg en vertelde.

Mieke · 第 8 / 36 题