De eerste dagen waarop het Mieke duidelijk werd dat hoop op herstel
voor grootmoeder uitgesloten was, leefde zij als in een droom. Geen
eigenlijk verdriet beheerschte haar, eerder een soort verdooving. Zij
hielp de verpleegster, zij deed de gewone huiselijke bezigheden van
school thuisblijvende, zij stond allen, die haar iets vroegen,
duidelijk te woord, maar als zij later wel eens terugdacht aan dezen
tijd, konden slechts vage herinneringen alles, wat zich toen zoo
ongeloofelijk vlug achtereenvolgens afspeelde, doen herleven. Slechts
het groote, diepe heimwee-gevoel, dat haar beheerschte, vooral na het
oogenblik waarop zij wist dat grootmoeder voorgoed was heengegaan,
voelde zij als een schrijnende realiteit, nog jaren daarna.
Oom Egbert reisde, onmiddellijk nadat hij het telegram ontving, af. Hij
scheen oprecht bedroefd door den dood zijner moeder, die hij zeer had
liefgehad, al eischten de zorgen voor zijn gezin en zaken steeds het
leeuwenaandeel zijner interesse en al zag de oude vrouw hem zelden
sedert zijn huwelijk. De kring, waarin hij leefde, zoo hemelsbreed
verschillend van dien, in welken hij als jongen op het dorp opgroeide,
had de levens van moeder en zoon zeer uiteenloopend gemaakt, doch op
den bodem van beider hart vonden zij toch altijd weder de oude liefde,
die de enkele dagen in ’t jaar waarop zij elkander zagen nog zeer
duidelijk door hen beiden werd gevoeld. En of het alleen om de smart
van het oogenblik dan wel het bewustzijn van verschuldigde verplichting
tegenover z’n moeder was, oom Egbert had op grootmoeders sterfdag zijn
jong nichtje vaderlijk in de armen gesloten en gezegd: „Nu moet je in
’t vervolg in mij een tweeden vader zien, Mieke. Er staat je op de
wereld niemand zoo na als ik en ik beloof je, dat ik zal trachten je
veel te vergoeden van wat je verloor.”—Oom Egbert zei dit uit den grond
van zijn hart.
Bij zulke droeve gelegenheden, evenals op hooge vreugdedagen, belooft
men wel eens meer in een beneveling van innig leed of overmatig geluk
iets, welks uitvoering men niet steeds vermag te volbrengen, want ach,
het dagelijksch leven eischt zooveel kleine plichten, waaraan men op
zulke momenten nooit denkt. Men wil iets edels doen in ’t aanzicht van
’s levens grootsche uitersten, smart of blijdschap. Het is iets echt
goed-menschelijks om die oogenblikken, waarop dit eerbiedwaardig hooge
in ons leven tegenover ons staat, óók iets hoogs en roerends te willen
geven, en wij beloven plechtig, o, allerlei nobels. Dit is geen
huichelen, al drijven de kleinheden in ons bestaan ons later ook in een
andere richting, al vergeten wij door duizend nietige beslommeringen
ook de edele leuze, die ons eens, op dat gewichtig moment, zoo vanzelf
sprekend uit den mond vloeide, een leuze, die wij zoo gemakkelijk te
volvoeren hoopten en waarmee het ons heilige ernst was. Slechts
weinige, sterke naturen—maar zij beloven niet zoo licht—strijden om
dergelijke eens gegeven beloften te vervullen, zelfs tègen hun eigen
belang en genoegen in. Zij steken dan ook, op dit punt, boven het gros
uit. Doch daar het grootste deel der menschen minder gewetensvol is en
met minder zelfkritiek begaafd, gaan de meeste dier schoonklinkende
beloften strijdloos te loor (of bijna te loor) in de groote massa der
kleine levensdingen.
Maar laat ons dankbaar zijn voor den troost dier woorden op de
tijdstippen, dat wij geen uitweg meer weten. Wij behooren er dankbaar
voor te wezen, ook al wordt die troost niet omgezet in daden. Hij helpt
ons in elk geval heen over de zwaarste oogenblikken in ons leven en
geeft ons weer hoop op de toekomst.
Ook Mieke, hoezeer ze eenige dagen geleden nog opzag tegen de
mogelijkheid bij oom Egbert en familie in huis te zullen komen, staken
zijn woorden een riem onder ’t hart. Wel bleef er in haar een
onverklaarbare tegenzin, maar niettemin berustte ze, zij ’t afgetobd,
bij dat ééne: „Oom Egbert zal me helpen. Waar moet ik anders ook heen?”
Op den dag der begrafenis kwam Erik, ooms eenige zoon, student in de
rechten, een jongen van een jaar of twee-drie-en-twintig, om z’n
grootmoeder mede de laatste eer te bewijzen. Vroeger, in z’n kindsche
jaren, was hij vaak meegekomen met z’n vader, maar allengs, naarmate
hij ouder werd, waren die bezoeken in onbruik geraakt,—ook die van
Olga, grootmoeders oudste kleindochter. Noch Erik noch Olga voelden
zich op den duur aangetrokken tot het hoogst eenvoudig milieu der
stille, oude vrouw met het onbeteekenende, kleine nichtje, zoodat
mevrouw Van der Hoeve, die zelf „o, een vreeselijken hekel aan
burgerlijkheid had”, meende de kinderen niet te moeten dwingen.
„Tjakkes,” zei Olga, „’t is er zoo nauw bij vaders moeder,” en sedert
dien—dat was sedert haar dertiende jaar en nu telde ze er
een-en-twintig—had grootmoeder haar kleinkinderen niet meer gezien,
behalve dan Loes, de jongste, die echter de laatste jaren wat aan den
sukkel was geweest, juist op de tijdstippen, dat Egbert de oude vrouw
bezocht.
Tante Sophie voelde noch lust noch de verplichting „haar schoonmoeder
te overloopen,” zooals ze het uitdrukte. „O, ze apprecieerde haar
keurigheid en degelijkheid, maar werkelijk, haar schoonmoeder bleef
overigens zóó buiten haar sfeer, dat ze er zich nooit op haar gemak
voelde.”—En meneer Van der Hoeve, zijn gezin niet willende dwingen tot
sympathie-betuigingen, die niet van harte kwamen, ging alleen. Slechts
Loes betreurde dit. Zij vond grootmoeder „een lief oudje”, heel
oneerbiedig.
Niettegenstaande dit alles schreef tante Sophie Mieke nochtans een
roerend briefje van leedbetuiging. Zij was gaarne bij de
teraardebestelling tegenwoordig geweest, maar zulke emoties schokten
gewoonlijk te zeer haar gestel om dit plan ten uitvoer te brengen. En
Mieke troffen de welgekozen woorden op het fraaie papier diep.
Erik toonde zich heel voorkomend en belangstellend, doch na zijn komst
scheen oom Egbert haar niet meer zoo in ’t oogloopend hartelijk als
eerst, al bleef hij vriendelijk. Hij imponeerde Mieke zéér, de deftige
neef. Hij boog zoo beleefd voor dokter Bos en dokter Bos weer heel
beleefd voor Erik. Mieke werd er zelfs eenige oogenblikken door
afgeleid, zoo vreemd leek haar dit alles in het kleine, stille huisje
van grootmoeder, al die voorname heeren, die zoo mooi spraken.
Later kwam ook dominee Rensen nog, in het zwart en met handschoenen
aan,—en Geert Wije. Zij kwamen allen om grootmoeder.... O, het werd zoo
wonderlijk... En mevrouw Bos zeide tegenwoordig te wezen „om alles te
regelen, nu geen vrouwelijke familie dit deed”. Doch dit regelen had
juffrouw Wije, die ze weer allemaal „mevrouw” noemden en die ook al op
haar Zondagsch was aangekleed, reeds gedaan. Mieke bemerkte heel goed,
hoe mevrouw Bos en juffrouw Wije daarover elkander allerlei bedekte
hatelijkheden zeiden, of liever hoe mevrouw Bos die debiteerde. Mevrouw
Bos namelijk wilde, sedert mevrouw Rensen’s dood, zoo’n beetje overal
moederen in het dorp, zoo’n beetje „de goede mevrouw” spelen, maar
juffrouw Wije, die van het begin af aan bevriend was geweest met haar
buurvrouw, liet zich niet door mevrouw Bos uit ’t veld slaan en nam de
honneurs waar, die behoorden bij een ordentelijke begrafenis, meenende,
en niet ten onrechte, alles in den geest van de overledene te
bestieren, maar stekeligheid zettend bij de doktersvrouw.
Mieke, hoewel dit alles waarnemende, ontging het wezen der dingen. Haar
denkvermogen scheen stroef, haar gevoel stug te zijn en onontvankelijk.
Alleen toen grootmoeder het huis werd uitgedragen, toen het tot haar
doordrong, flijmend wreed en duidelijk tot haar doordrong: „Nu gaat ze
voor altijd van me weg,” toen overstelpte haar een vloedgolf van weedom
en verdriet en barstte ze uit in hartbrekend schreien.
De mannen verlieten ernstig zwijgend het huis, en juffrouw Wije sloeg
den arm om het jonge meisje heen. Zij drukte het zwaar bezorgde hoofdje
tegen zich aan en streelde Mieke’s bleeke wangen. „Zoo,” zei ze, haar
kussend, „zoo, hè, lieverdje? Kom maar bij me, hoor; kom maar hier.”
Zij beloofde niets, maar Mieke’s oor hoorde het hart kloppen in de
borst, waartegen haar hoofd rustte,—en zij werd stil.
Mevrouw Bos dekte met een gebaar van ongeduld de tafel: op die manier
zou men niet klaar zijn vóór de heeren weerom kwamen. Het kerkhof was
dichtbij en véél zou dominee Rensen wel niet kunnen zeggen aan het
graf; de oude juffrouw had nooit iets bijzonders gedaan in haar leven,
waarover men spreken kon.
Toen men kort daarop terugkeerde, medebrengend de frissche geur van
prikkelende najaarslucht, allen warm van de zon, die thans
verwonderlijk krachtig straalde voor midden September, trad er met dien
terugkeer een nieuwe phase in Mieke’s gemoedstoestand, een van leegte
en verbazing. Het scheen haar of heur leed weg was opeens, of ze nu nog
maar eenzaamheid voelen kon, hopelooze, vale verlatenheid. Niemand had
haar immers meer noodig en wie zou zij haar vertrouwen schenken?...
Verwonderd werd zij tevens, toen ze al die mannen aan tafel zag gaan,
een boterhammetje zag eten en koffie zag drinken en hoorde praten over
allerlei, behalve over grootmoeder. Later vernam ze wat dominee Rensen
voor vriendelijks had gezegd aan het graf, en ook bemerkte zij, dat hij
slechts een kopje koffie gebruikte en enkel maar antwoordde op wat oom
Egbert en Erik hem vroegen: of ’t nogal een rijke en uitgestrekte
gemeente was en of hij allang hier stond, of er veel Katholieken waren
op ’t dorp en of hij een mooie pastorie had. Geert werden vragen gedaan
in denzelfden geest: naar de oppervlakte van zijn land, hoeveel paarden
hij wel op stal had, wat zoo’n boerderij nou opbracht jaarlijks,
ongerekend de onkosten. Vooral Erik bleek hierin veel belang te stellen
en sprak op een eenigszins minzamen toon met den jongen boer, alsof
deze maar een doodgewoon pachtboertje was, zichtbaar tot Wije’s
ergernis. Eén oogenblik, om welke reden ontging Mieke, zag zij met
plotselingen schrik hoe Geert’s gebruinde kop van kleur verwisselde. Ze
zag hoe hij zich over iets gruwelijk ergerde, en aan zijn toon hoorde
ze, dat ’t een sneer was, die hij Erik toediende. Deze stond één moment
verbluft en draaide bij om zich met een taktvollen zwenk, liever dan om
’t gesprek met den boer voort te zetten, tot dokter Bos te wenden, bij
wien hij fluisterend, op ietwat ironischen toon informeerde „wat die
kaffer hier eigenlijk in huis uitvoerde?”
Juffrouw Wije, die Mieke’s handje onder tafel vasthield en terzijde het
gesprek volgde, vluchtigde een oolijk glimlachje over ’t blozend
gezicht. Zij drukte steviger de kleine hand in de hare.
„Eet nou toch een stukje, lieverd?” drong ze aan bij Mieke. „Toe, een
klein stukje?”
Mevrouw Bos bediende goeie-gastvrouwachtig en sprak zeer levendig nu
met Erik, terwijl de dokter een min-of-meer geanimeerd gesprek hield
met oom Egbert, en dominee Rensen en Geert langen tijd zwegen.
De dokter stond het eerst op. Hij moest weer naar zijn patiënten.
Mevrouw werd ook eensklaps lichtelijk gepresseerd en verliet met hem,
na een hoffelijk afscheid van de beide stadsche heeren en na een niet
al te vriendelijken groet aan de overigen, met haar man het huis. Erik
raadpleegde het spoorboekje hoe laat hij wegkon met den trein uit de
naaste provinciestad en welke stoomtram-aansluiting hij dan gebruiken
moest. Hij wilde graag zoo vroeg mogelijk teruggaan, want hij had een
afspraak voor vanavond, en vader zou hem bij het afwikkelen der zaken
stellig niet noodig hebben. Nadat hij een geschikten trein gevonden
had, moest hij nog hals over kop afscheid nemen om niet te laat te
komen. Dominee Rensen liep zoover met hem mee den weg uit om hem tot de
halte van de stoomtram te brengen, hij ging toch dien kant op,—en oom
Egbert bleef dus alleen met de Wije’s en Mieke, totdat kort daarna ook
Geert vertrok.
Juffrouw Wije begon nu de kopjes en bordjes om te wasschen en vroeg aan
Mieke haar te helpen, wat deze deed, onderwijl oom Egbert in gedachten
zat, die blijkbaar vrij bezwaarlijk waren, want hij sprak, aarzelend en
onvast, toen hij begon.
„Mieke,” zei hij, „ik heb je gezegd, kindlief, zooals je je herinneren
zult, dat je op mij ten allen tijde rekenen kunt, dat ik je een tweede
vader ben als-’t-ware. En ik neem geen syllabe hiervan terug... Daarbij
ben ik van nu af aan je voogd.—Maar ik heb nog eens nader met Erik
gesproken, vanmorgen, over je komst, over allerlei. Je weet, tante
Sophie is niet zoo heel sterk van gestel en bovendien is het bij ons nu
eenmaal een heel ander huishouden dan waaraan je bij grootmoeder gewend
bent geweest. Daarom moet ik, voor ik je mee kan nemen, tante even
voorbereiden op een-en-ander en overleggen hoe wij in het vervolg het
best voor je zullen zorgen. Ik voor mij zou het ’t eenvoudigste vinden,
wat ik je ook al zei, als je bij ons in huis kwam. Maar Erik was het
vanmorgen daarover niet onvoorwaardelijk met me eens. Vóór ik iets
definitief zou vaststellen, vond hij het beter, dat ik eerst eens met
tante Sophie hierover sprak. Hij meent, er konden zich bezwaren
voordoen, die zij wèl ziet en ik niet... Je zoudt dan misschien naar
een kostschool moeten...”
„Een kostschool? Och neen!” viel Mieke verschrikt in de rede.
„Och neen!” riep de boerin, de theedoek neerleggend met een
onwillekeurig smeekend gebaar. „Ze heeft wat anders noodig dan dat,
meneer.”
„Het zal zich allemaal ten goede schikken, geloof mij,” beloofde oom
Egbert, minder spontaan echter dan in de eerste dagen van het verdriet
om grootmoeders verlies, en zéér nerveus thans. Hij sprak vlugger en
met meer aplomb dan gewoonlijk; hij had het heel warm. „Mijn vrouw zal
waarschijnlijk ook wel m’n opinie deelen om Mieke bij ons te houden,
maar ik stel een mogelijkheid daartegenover.—Verder, mevrouw Wije,” zoo
richtte hij zich eenigszins plechtig tot deze, een manier van doen, die
Mieke niet van hem kende, tegenover grootmoeder en haar was oom Egbert
steeds eenvoudig en gewoon geweest, „verder kwam ik tot u met een
vriendelijk verzoek. Mijn vrouw is, zegt Erik, door ’t doodbericht van
mijn moeder zeer geschokt.”
„Kende zij uw moeder?” vroeg juffrouw Wije, haar theedoek weer
opnemend, het klonk argeloos, maar de boerin kon wel eens meer
dergelijke argeloosheden ten beste geven.
„Ja... ja,” antwoordde hij, bijna verdedigend, zoodat men neiging
gevoelde om te gaan twijfelen. „Mijn vrouw hield veel van haar. Maar de
reis hierheen vermoeide haar altijd vreeselijk. Het is een vrij lange,
vervelende reis,” ’t klonk ook excuseerend. „En daarbij is ze nogal...
eigenlijk verwend... en hier...”
„Zeker, zeker,” begreep de boerin tegemoetkomend, „hier nogal klein
behuisd...”
„Juist, klein behuisd, precies,” zei meneer Van der Hoeve opgelucht.
„En mijn vrouw...”
„Ja, ja.”
„Maar à propos van ’tgeen ik u wilde verzoeken. Zou Mieke niet nog
eenige dagen hier mogen blijven, totdat wij een besluit hebben genomen
haar aangaande? Mijn vrouw is niet zóó dadelijk op streek om haar te
ontvangen. Is dat een bezwaar?... Alleen hier in huis durf ik haar niet
laten. Ik wil desnoods wel een vergoeding...”
„Vergoeding! Wel foei!” De boerin kleurde. Ze werd kortaf, scherp nu.
„Mieke mag gráág bij me blijven, zoolang ze wil en totdat zij bij
anderen welkom zal zijn.”
„Dat is edel van u, mevrouw,” zei hij krachtig, maar ook een beetje
verlegen.
„O neen, meneer, ’t is alleen maar Christelijk en doodgewoon. Ik zou me
schamen voor Onzen Lieven Heer, die zelfs den muschjes een warm nestje
geeft, als ik een lief, braaf kind een dak boven haar hoofd ontzegde.
Ze is mijn meid, hè, lieverd?” en juffrouw Wije kneep Mieke in de wang,
en Mieke slikte haar tranen weg. Ze wilde niet meer schreien. Ze
antwoordde niet.
Oom Egbert stond op, gebaarde breed. „Mevrouw Wije,” sprak hij, „laat
me u de hand drukken tot dank en uit erkentelijkheid.”
Zij weerde z’n hand af. „Geen dank, meneer Van der Hoeve, en
erkentelijkheid hoeft ook niet. „Heb u naasten lief als uzelf,” dat
moeten we maar bedenken, wat u?”
„Ja, ja, zeker, zeker, u hebt groot gelijk... Ik wil dan ook alles doen
om Mieke’s toekomst te verzekeren.” Dan, na een stilte: „Ik ben van
plan nu naar den notaris te gaan. Mijn moeder bezat niet veel, ze
leefde van haar pensioen, zooals u weet, maar wàt ze nalaat is voor
Mieke... Mieke bezit bovendien wel ’t kapitaaltje, dat ze van haar
moeder erfde, maar daarmee wil ik geen rekening houden. Ik heb een
beste zaak, misschien kent u ze: de firma Van der Hoeve en Van
Leent...”
„Neen,” antwoordde juffrouw Wije hoofdschuddend, „die ken ik niet.”
„Nu, een flink kantoor, waar goed wordt verdiend. Mijn moeders
erfenisje kan daarom geheel aan Mieke blijven. Ze mag...”
„Dat ’s mooi,” viel de boerin bij, krachtig, „dat ’s heel mooi. Daar
geef ik je graag de hand op,” en haar warm, prettig gezicht werd één
lieve glimlach, heur blauwe oogen één stralende glans, terwijl haar
ontviel: „Dat had ik niet achter je gezocht.”
Oom Egbert werd een beetje beduusd nu. Zóó had hij het eigenlijk niet
precies bedoeld! Hij zei ’t zoo losjesweg van dat geld, wèl gemeend
natuurlijk, maar behoudens enkele lichte wijzigingen. Hij wist nog
volstrekt niet of zijn vrouw omtrent dit financieele gedeelte van
hetzelfde gevoelen was als hijzelf, en deze boerin met haar telkens
hinderlijk doorbrekende positiefheid en doorzettingskracht, trok
herhaaldelijk de leidsels zóó aan, dat ’t je bijwijlen benauwde... Niet
om Mieke niet ruimschoots, zeer zeker ruimschoots, haar deel te geven!
Volstrekt niet. En best, heel best mogelijk zou Sophie met hem
instemmen, wat Mieke’s vermogentje betrof. Natuurlijk zou ’t het meisje
aan niets ontbreken: hij bleef immers zelf de nalatenschap
beheeren,—maar daar behoefde hij een vreemde toch geen verantwoording
van te doen!
Inmiddels gerustgesteld door de wetenschap Mieke zoolang op de
boerderij te kunnen achterlaten, nam hij zijn hoed, van plan te
vertrekken, doch niet zoo spoedig z’n vorigen toon kunnende laten varen
ging hij voort: „Ik moet u toch hartelijk bedanken voor uw
welwillendheid,” en z’n lichte ontstemming niet botvierend, maar
glimlachend, hoewel wat geforceerd: „Ik zal het nooit vergeten.”
Guitig twinkelden de oogen der boerin; de dwarsrimpeltjes bij de
ooghoeken werden groefjes. „Dat mag je anders gerust, hoor,” antwoordde
ze opgewekt. „Maar als dit is om nooit te vergeten, kan u werken aan je
onsterfelijkheid.”
Hij keek haar aan met verwondering, niet begrijpend.
„Ik bedoel door voor uw nichtje alles te doen wat je beloofde,” en
juffrouw Wije genoot met al den humor en de goedhartigheid van haar
opgewekten, schranderen geest van wat ze daar leukjes-weg bij haar neus
langs zoo vriendelijk-raak zei.
Oom Egbert keken die klare oogen wel wat àl te koen in de zijne;
heelemaal op z’n gemak voelde hij zich nog steeds niet. Hij zweeg
wijselijk en kreeg plotseling nogal haast om naar den notaris te komen.
Mieke hield hem nog even staande... Mocht zij alles wat haar hier in
huis toebehoorde meenemen en bij elkaar pakken? Werd alles, waar
grootmoeder en zij aan gehecht waren, tot later bewaard?
„Zeker, zeker,” deed oom hartelijk, „natuurlijk, alles waar je op
gesteld bent pak je maar bijeen... Wat het huisraad betreft, wat
daarmee gebeurt weet ik niet. Tante Sophie moet maar beslissen, of ze
daarvan iets gebruiken kan. De ouderwetsche linnenkast is wel mooi en
de antieke Friesche klok...”
„O,” viel juffrouw Wije in de rede, het klonk eenigszins verwonderd,
„zijn die dus niet van Mieke, de linnenkast en de Friesche klok? Omdat
u zooeven zei...”
„Natuurlijk, óók... ja, ja... van ons beiden, natuurlijk. Alles wat
Mieke kiest zal ze hebben. Dat regelt zich, dat regelt zich... Nu ga ik
dus werkelijk. Het wordt anders te laat voor me. Dag, kind,” hij kuste
z’n nichtje. „Mocht ik je niet meer zien, dan, vermoedelijk, tot ’t
laatst van deze week. Maar ik zie je nog wel, denk ik. Je bent anders
in goede handen... Mevrouw Wije, m’n respekt.”
„Dag, meneer. Goed succes met je onderhandelingen en denk nog maar eens
aan je onsterfelijkheid,” zei ze met bijzondere opgewektheid.
„Hahaha,” meneer Van der Hoeve lachte verbazend om dat grapje, diep z’n
hoed afnemend voor de boerin, die hem uitliet, want juffrouw Wije had
manieren. Juffrouw Wije stamde uit een kranig, oud geslacht en dat
behoudt toch steeds zijn tradities. Haar onopgesmukte hoffelijkheid was
er een van eigen bodem, al schatten stedelingen, juist door de
ongekunsteldheid ervan, deze niet altijd op de juiste waarde. Zij had
daarbij dat imponeerend onafhankelijke, dat slechts die menschen
bezitten, die van ouder tot ouder onbekrompen leefden en hadden te
gebieden. In haar soort was zij aristokratisch, als men maar wil
aannemen, dat er genres zijn van voornaamheid. De hare uitte zich niet
in minzaam bevallige, gemakkelijke bewegingen en in ’t omhulsel van een
correkt Engelsch tailor-made met een gedistingeerden hoed, noch in
fijne, kunstzinnige ontwikkeling, wat neigende naar overbeschaving.
Neen, in een aangesloten wandelkostuum met een modieus hoofddeksel en
in een drukke stadsomgeving zou juffrouw Wije haar glorie missen, in
een zwierige kleedij zou ze er even ridikuul uitzien als een
beweeglijke, tengere, artistieke gestalte in haar gladde, stijve
japonnen van deugdelijke, zware stof. Men moet een ieder mensch zien in
zijn eigen licht, en van dat standpunt beschouwd zag men juffrouw
Wije’s onloochenbare voornaamheid als eene van frisch, krachtig allooi.
Vroolijk en onbevangen, was zij voor iemand met gemaakte deftigheid de
verklaarde vijandin door de guitigheid en den geest, die uit haar
spraken,—voor anderen echter, door de beschaving harer medelijdende,
liefderijke ziel, een vriendin. Den minsten boerenarbeider zoowel als
het pietluttigst gesoigneerd heertje moest hetzelfde ontzag vervullen
voor haar klaren eenvoud en natuurlijke schranderheid, die, in welken
vorm gegoten, nooit dan tot erkenning en eerbied dwingen,—zij het dan
ook ten laatste dwingen en niet steeds met des tegenstanders wil.
De heer Van der Hoeve, die toch op zijn kantoor, tegenover zijn
personeel, tegenover menschen van aanzien, bij zijn zeer respektabele
kennissen als een persoon gold van niet onaanzienlijk gewicht, werd
tegenover deze boerin maar een doodgewoon middelmatigheidje. En toen
hij den landweg afliep en daarna in de richting van het dorp
voortwandelde, z’n hoed afzettend en zich ’t zweet van het voorhoofd
wisschend, terwijl hij z’n tred, zoo vlug begonnen, een weinig matigde,
mompelde hij: „Een aardige vrouw, alleraardigst... heel gedienstig en
hartelijk... maar tjonge-jonge, een bijdehandje,” voelende hoe hij niet
tegen haar opkon, omdat ze duidelijk zag alle kleine onwaarheidjes, die
z’n leven niet bevlekten, volstrèkt niet bevlekten, maar toch
versmoezelden. Hij verwerkte deze gedachte absoluut niet. Hij dacht
over dit geval niet eens, hij onderging alleen de waarheid ervan. En
dat stemde hem onprettig. Hij vond zichzelf niet in ’t minst onwaar.
Integendeel. Hij jokte nooit en hij deed nooit iemand een cent te kort,
hij was zoo eerlijk als goud, daarvoor stond hij bekend. En toch...!
Woorden klinken zoo anders dan wanneer daden spreken, en als woorden
het accompagnement vormen, dat de daden vooruit loopt, al is het ook
slechts even, dan krijgt de harmonie van denken-en-doen licht iets
détonneerends. Eén kwart toontje verschil is al niet een zuivere
samenklank!—Doch wie bespeelt zuiver de viool in het leven? Het zijn
alleen de grooten,—en hen ziet men gewoonlijk het minst hun genialiteit
aan.
Maar juffrouw Wije had een fijn gehoor. Dat is óók een gewichtig ding.
En het maakt een speler wel eens zenuwachtig, zoo’n geoefend, kritisch
toehoorster!