Mieke schoot haastig den regenmantel weer aan, zette haar zeildoeken
hoedje op en liep met snellen pas over den landweg, voorbij de groote
boerderij der Wije’s, die op den hoek lag van het breede pad dat zij
afkwam, en verder over de met hooge iepen beplante chaussée, den
hoofdstraatweg van de stad naar het dorp.
Het was nauwelijks tien minuten gaans om van haar woning de dorpsstraat
te bereiken, maar toch scheen haar de tocht langs de aan weerszijden
zoo goed als onbebouwden weg met de onophoudelijke regenvlagen in het
gezicht eindeloos.
Aan het doktershuis gekomen, gelegen dicht bij den ingang van het dorp,
vernam ze, dat dokter Bos nog niet thuis was, maar op haar aandringen
beloofde mevrouw, die Mieke zelf te woord stond, ervoor te zorgen, dat
dokter zoo spoedig mogelijk komen zou. Mevrouw Bos, een kleine,
bijdehante dame, had altijd op haar manier plezier in het aardige,
beleefde meisje met haar grooten ijver en leerlust. Zij was het
geweest, die met dominee Rensen en juffrouw Wije het van grootmoeder
gedaan had gekregen, dat Mieke voor onderwijzeres ging leeren op de
school in de stad. Grootmoeder-zelf had liever gezien, dat haar
kleindochtertje over een paar jaar haar brood met naaien zou verdienen;
dan behoefde ze haar op den duur niet te missen, wat nu mettertijd best
mogelijk het geval kon worden, indien Mieke een aanstelling kreeg op
een andere plaats, tenzij zij, grootmoeder, het meisje daarheen volgde,
wat natuurlijk z’n groote bezwaren meebracht.
Maar Mieke zat studielust in het bloed: vader was onderwijzer geweest
en moeder onderwijzeres; ook grootvader had voor de klasse gestaan en
oom Egbert, vaders oudste broer in Amsterdam, die door een toeval in
den handel verzeilde en daarin veel geld verdiende, was eveneens als
schoolmeester begonnen.
En nu Mieke geen harer pioniers beschaamde, spreekt het vanzelf, dat
mevrouw Bos haar gaarne zag, al hield het meisje, als men ’t haar op
eerlijkheid af zou vragen, meer van de breed-moederlijke juffrouw Wije
en den rustigen dominee Rensen dan van de doktersvrouw, die soms zoo
kattig-weg iets kon zeggen.
Nu echter deed mevrouw Bos heel minzaam. Ze wist hoe weinig
aanstellerig Mieke was en dat het wel erg met grootmoeder wezen moest,
wanneer ze zoo van streek bleek te zijn.
„Ik beloof je dokter zoo gauw mogelijk te zullen sturen,” zei mevrouw
nog eens uitdrukkelijk, toen ze de deur achter ’t meisje sloot.
Mieke voelde zich verlicht door het weten, dat dokter Bos nu spoedig
komen zou; het gaf haar reeds half het uitzicht op grootmoeders
spoedige beterschap.
Nu even nog bij Wije aan!
Denzelfden weg terugkeerend scheen deze haar thans veel vlugger aan te
loopen en de triestigheid van den dag ging eenige oogenblikken voor
haar schuil bij de vroolijkheid van den sterker wordenden wind, die
meehielp haar vooruit te brengen. Mieke hield altijd veel van den wind,
die zoo grappig je rokken deed zwiepen en zoo uitgelaten langs je heen
kon blazen tot je haren verward om je hoofd hingen en je wangen, warm
en toch frisch, je een gevoel gaven van gezondheid en levenslust. Na de
geruststelling, zooeven ondervonden, liet zij zich een oogenblik wat
meer opgewekt gaan om een drafje te nemen met haar levendigen, duwenden
vriend in den rug.
Zoo dreef zij het erf op van de Wije’s.
Het was een kapitale boerenplaats. Het huis was breed en hecht en miste
het schilderachtige van een vervallen, ouderwetsche boerderij, maar de
Wije’s waren menschen van praktische geaardheid en van vooruitgang,
menschen, die meer hechtten aan het comfort van een moderne behuizing
dan aan het dikwijls meer artistieke aspekt eener bouwvallige hoeve.
Toch droeg het geenszins een stempel van ongezellige nieuwheid; het
stond dan ook reeds een goede tien jaren en het lag volstrekt niet
zonder bekoring onder het lommer van een paar hooge noteboomen,
afgesloten van den weg door een flinken vóórtuin met in het voorjaar en
in den zomer bloeiende heesters en meidoornstruiken.
Het ijzeren hek, dat het erf van den weg afsloot, stond gewoonlijk open
en verleende toegang tot het breede hoofdpad, dat langs den rechterkant
van ’t woonhuis liep, langs den ingang, de paarden- en koeienstallen,
de groote voorraadschuren, het karnhuis met de kaasmakerij, en eindigde
in den uitgestrekten moestuin.
Het huis-zelf mat in het front een vijftien-zestien meter en had zes
hooge ramen aan de voorzijde en drie aan den linker-zijkant, waar de
slaapkamers zich bevonden. Door de mooie, bruin gelakte deur met het
gekrulde smeedwerk voor de gebrande glasruit, trad men in de zelden
gebruikte vestibule; meestal liep men om ’t huis heen en ging door de
keuken binnen. Achter de vestibule scheidde een breede, met gekleurde
steenen geplaveide gang het huis in ’t dwarse in tweeën. Door de eerste
deur rechts kwam men in juffrouw Wije’s groote, vierkante huiskamer;
door de tweede in de „mooie kamer” der familie.
Ieder dezer vertrekken had twee ramen aan de voorzijde, terwijl de
beide overige vensters uitzicht verleenden aan het door den vroegeren
bezitter en sedert diens dood in onbruik geraakte z.g. „kantoor”, door
Geert sedert z’n terugkomst echter weer in deze kwaliteit hersteld.
Aan het einde van een zijgang, loopende langs de slaapkamers, bevond
zich de kolossale keuken, de bijkeuken en het waschhok, die weer
verliepen in de opslagplaatsen en de verdere, bij het bedrijf
behoorende ruimten, waarvan ik zooeven sprak.
Mieke ging haastig over ’t met gele klinkertjes bestrate, helder
geschrobde plaatsje langs het heele front van ’t huis. Dan sloeg zij
den hoek om en trad door de keuken binnen, die als gewoonlijk
openstond, doch zij ontdekte niemand. Zelfs Jans, de huismeid, die, als
juffrouw Wije niet zelf kookte, op het eten lette, was op geen velden
of wegen te zien, ook niet in de bijkeuken, waar Mieke speurend
rondkeek.
Toen besloot ze nog verder om ’t huis heen te loopen, allicht zag ze
dan wel iemand om haar boodschap in ontvangst te nemen. Kees, de
waakhond, sloeg even aan bij haar langs-komen, doch haar herkennend en
niets gesteld op den regen trok hij zich fluks, hoewel nog zacht
nagrommend, in zijn apartement terug. Ook eenige kippen, die dicht
tegen elkaar gedrukt, de koppen in de veeren, onder een afdak zaten te
slapen, verschrikte Mieke. Zij tokkelden even, maar overigens bleef het
stil.
Zij liep tot aan den moestuin, nog steeds niemand ontdekkend,
behoedzaam stappend over de op sommige plaatsen gevormde beekjes uit
den overloopenden regenbak, om den terugweg te nemen langs den
rechterkant van het huis en verder over de gele klinkertjes op haar
uitgangspunt terug te komen, er echter niet aan denkend om aan te
schellen, wat nooit iemand deed dan dominee Rensen en dokter Bos.
Andere menschen meldden zich steeds aan de keuken, dus besloot Mieke
ook nog maar eens op deze gebruikelijke manier haar geluk te beproeven.
De knechts, meerendeels getrouwde lieden, schenen reeds naar huis te
zijn gegaan; de melkmeid zat stellig in het karnhuis te slapen, waar
men haar als ze zoek was, te pas of te onpas, zei juffrouw Wije, steeds
vinden kon in een zalige rust. Maar waar Jans uithing begreep Mieke
toch totaal niet. Zij besloot, wanneer ze nog geen mensch zag, eens te
roepen en dan maar geduldig te wachten tot er iemand kwam opdagen.
Nogmaals trad zij de keuken binnen, tegelijkertijd dat de huismeid aan
den ingang van de bijkeuken verscheen.
„Waar zat je toch?” vroeg Mieke verwonderd.
„In ’t waschhok,” antwoordde Jans, met groote oogen om Mieke’s
verbazing.
„Ik zocht je,” zei Mieke.
„Zocht je me?”
„Jou eigenlijk niet. De baas.”
„De baas zal nou wel in ’t kantoortje wezen. Wil je een kop koffie?” en
naar het groote, wit-geëmailleerde fornuis gaande, waar de koffie, die
een opgewekte geur verspreidde, stond te wachten om ingeschonken te
worden, scheen zij van plan Mieke een kopje klaar te maken.
Doch Mieke bedankte gejaagd. Zij begon weer onrustiger te worden door
het oponthoud, dat ze gehad had. „Ik moet gauw weer naar huis,” zei ze,
„want grootmoeder is ziek. Juffrouw Wije blijft zoolang bij ons. Ik
moest zeggen, dat jullie maar met avondeten beginnen zoudt. Ze komt
misschien pas laat terug.”
Jans verschrikte. „Meid, och!” riep ze, „is ’t zoo naar met de oude
juffrouw? Zoo in éénen?... Wacht maar, ik zal de baas effen
waarschuwen, loop maar mee.”
Vóór Mieke had kunnen zeggen, dat Jans de boodschap eigenlijk wel zelf
kon overbrengen, had de bijdehante meid haar reeds met een duwtje de
keukendeur uit en de gang in naar ’t kantoortje gestuurd. Maar Geert
Wije was daar niet.
„In de kamer zeker,” vermoedde Jans.
Daar vond ze hem, z’n pijpje rookend bij ’t raam, al niet begrijpend
waar zijn moeder bleef, want de ronde tafel in het midden stond reeds
lang hoog-en-breed gedekt. Dit was de eenige maaltijd, die zij samen
gebruikten; de overige hielden zij met het personeel.
Deze kamer, die den indruk gaf van welgestelde burgerlijkheid,
(behoudens de prachtige porceleinkast, die voornaam was) van
zindelijkheid en orde, en ook wel van gezelligheid door het vele licht,
dat de hooge ramen binnenlieten, deze kamer was Mieke niet onbekend,
want menigmalen kwam ze er met grootmoeder bij juffrouw Wije te visite,
reeds als klein kind. Maar toch scheen ze nu eenigszins verlegen bij
het binnenkomen. Tegenover Geert, die zoo’n „meneer” was geworden,
voelde zij zich, evenals vanmiddag in de tilbury, niet al te best op
haar gemak. Hij leek niets meer op den slungeligen boerenjongen, met
wien ze, tot voor eenige jaren geleden, nog allerlei kattekwaad
uitvoerde, en waar ze—al was hij ook zes jaar ouder—als klein meisje
zoo gaarne bij te spelen kwam om z’n dikke konijnen te voederen en om
de lekkere koek, die z’n moeder kon bakken. Kleine klaploopster!...
Later werd de vriendschap belangeloozer, toen ze op de normaalschool
kwam. Dan leenden ze elkander in de vacantie, wanneer Geert thuiskwam
van de landbouwschool, boeken, en ook, zelfs tot voor twee jaar nog,
sneden ze dan zoo’n beetje tegen elkaar op over wat zij moesten leeren.
Maar nu, sedert dien, was Geert zoo heel anders geworden, zoo bezadigd,
zoo niets kwajongensachtig meer, zoo volwassen, zoo beslist, eigenlijk
al zoo’n groote man, terwijl zij, Mieke, pas zeventien, klein van stuk
en tenger en met heur haar nog in een vlecht, nog op school, zich een
beetje bedeesd voelde tegenover den grooten, rijken, jongen boer, wiens
optreden, zoo gedecideerd en onafhankelijk, haar zeer timide maakte.
Zij durfde ook niet meer voluit en hardop „Geert” te zeggen. Straks,
onder ’t rijden, had ze ’t ook al niet gedurfd en maar wat gemompeld.
De breede gestalte van den jongen man, die met de handen op den rug
naar buiten stond te kijken, genoeglijk z’n korte pijpje rookend,
keerde zich langzaam om bij het opengaan der deur, en verwonderd niet
zijn moeder te zien maar Mieke en Jans, vroeg hij: „Wat’s dàt?”
Jans, voorbarig, wilde uitweiden, doch hij voorkwam haar, verder
vragend: „Wat had je, Mieke?”
Mieke herhaalde haar boodschap, zeer zenuwachtig en op heete kolen
staande om weg te komen. Opeens vervulde de angst om grootmoeder haar
weer met verdubbelde kracht. Ze zag heel minnetjes en bleekjes en de
natte regenmantel deed haar heel smal schijnen. De tranen liepen haar
over de wangen.
„Kom, Mieke,” troostte Geert met z’n opgewekte, zware stem, „je moet
niet zoo schreien. Och, och, wat ben jij toch nog een klein ding
gebleven, zeg.” Nu kwam hij naast haar staan en streelde heur wang als
een groote, oudere broer een jonger zusje. Hij stond hoog opgericht en
trachtte haar door een grapje even wat op te vroolijken: „Je komt een
eind onder m’n schouder, hoor. Je moest meer schoppen gehad hebben.”
Mieke lachte gedwongen en wist niet wat te antwoorden.
Toen zei hij ernstiger: „Zeg aan moeder, dat ze maar blijven moet,
zoolang ze helpen kan. Wat vindt dokter?”
„Ik kom zoo juist van hem vandaan. Hij zal straks komen.”
Hij volgde Mieke tot de kamerdeur, waar ze hem de hand toestak. „Dàg,”
zei ze. „Nou ga ik maar weer. Ze zullen thuis wel op me wachten.”
„Beterschap, Mieke. Dat grootmoeder maar gauw weer klaar is.”
Fluks liep Mieke de lange gang weer door, de keuken in, waar Jans het
meisje nog eens wilde aanklampen, maar met een kort antwoord en een
groet verliet ze de boerderij, teruggaande langs den modderigen landweg
met meer spoed dan zooeven. Aan de huisdeur trof ze dokter Bos, die
tegelijk met haar op z’n motorfiets aankwam in een van den regen
druipende oliejas.
„Kijk ’s an,” zei hij, „of ik me ook gerept heb! Mijn vrouw liet me
nauwelijks tijd om op adem te komen. „Je moet gauw naar juffrouw Van
der Hoeve,” riep ze... En wat is er nu? De oude juffrouw aan den
sukkel?” Al sprekende had hij z’n bemodderd rijwiel op Mieke’s schoone
stoep gezet, doch daar lette ze in de gegeven omstandigheden maar niet
op.
Juffrouw Wije kwam, zoodra zij z’n stem hoorde, te voorschijn, hem met
Mieke nadere inlichtingen gevend en ’t vermoeden wekkend, dat ’t hier
niet ging zooals het behoorde.
„Blijf jij maar hier, Mieke,” raadde de moederlijke vrouw, die graag
den dokter alleen wenschte te spreken.
Mieke, zich inmiddels ontdaan hebbend van den druipenden mantel, dezen
ophangend in de gang naast de natte doktersjas, schenen de minuten van
alleen-zijn en wachten in de stille, half duistere huiskamer uren.
Gestadig hoorde zij de droppels lekken in de plassen en het water
gutsen langs de dakgoot in den regenton. De deur tusschen de ziekekamer
en het vertrekje waar zij zat had dokter Bos gesloten, en de stemmen
van hem en juffrouw Wije, die veraf leken en fluisterden, verhoogden de
naargeestigheid van Mieke’s stemming, die, straks wat ontspannen, nu
weer zéér neergedrukt werd en treurig.
Eindelijk kwamen de anderen weer binnen. Dokter Bos keek hoogst
ernstig, en hij was toch niet iemand om gauw zijn patiënten en hun
familie te ontmoedigen. Ook boerin Wije scheen bezorgd.
Mieke, bij het raam zittend, hief gretig het hoofd, de oogen
groot-vragend naar de binnentredenden, maar onmiddellijk maakte de
levendige vraag, die haar op de lippen brandde, plaats voor een
inzinking van hoop: die beiden brachten haar geen gunstige tijding, dat
zag zij duidelijk.
„Wat scheelt grootmoeder?” vroeg zij, heesch en zacht, nauwelijks
verstaanbaar; zij trilde van nerveusheid.
„Ze moet al eenige dagen ziek zijn,” knorde de dokter. „Waarom mij niet
eerder geroepen?”
„Zij wilde het niet. Ze is den heelen morgen nog aan ’t werk geweest,
toen ik naar school was. Maar daarna was ze ook op.”
„’t Is zonde!” riep hij boos.
„Is ’t zóó vreeselijk?” vroeg Mieke wederom, als straks aan juffrouw
Wije.
„Ik kan er nog niets van zeggen. Ze is altijd een sterke, gezonde vrouw
geweest moet je maar denken. Het is dus best mogelijk, dat ze deze
ziekte doorstaat. Mevrouw Wije—dokter Bos sprak deze steeds aan met
„mevrouw”—en ik hebben afgesproken, dat, als ’t morgen slimmer mocht
geworden zijn, ik voor een verpleegster zal zorgen.”
Mieke schrok hevig. „O, dan is het ook wel heel erg,” riep ze
wanhopend, „als er een verpleegster moet komen.”
„Ik kan immers nog niets met zekerheid zeggen,” kalmeerde hij. „En je
zoudt grootmoeder toch niet alleen kunnen helpen.”
„Jawel, o jawel!”
„Dwaasheid, Mieke... Mevrouw Wije is zoo vriendelijk hier tot den nacht
te blijven. Onderwijl loop ik even op de boerderij aan om te zeggen,
dat ze den ruststoel hierheen brengen. Dan kan die in de huiskamer
uitgezet worden en moet jij vannacht daarop slapen, zoodat je
grootmoeder hooren kunt als zij je noodig heeft. Want waken vind ik nog
niet noodzakelijk en morgen vroeg komt mevrouw Wije weer.”
Mieke voelde hoe men haar wil geheel had buitengesloten. Zij was door
’t haar zoo plotseling overvallen verdriet geheel haar stuur kwijt en
wilde daarom juist het tegenovergestelde als de anderen, ook al om dit
gevoel van buitensluiten.
„Neen, neen”, verzette zij zich krachtig, instinktmatig ook beangst om
alleen te moeten blijven en verantwoordelijk te zijn voor de zieke.
„Wat is dat nu, Mieke?” sprak juffrouw Wije, gebruik makend van de
kracht harer persoonlijkheid. „Heb ik me zóó in je flinkheid vergist?
Schaam je! Is dat houden van grootmoeder om je zoo aan te stellen?”
Mieke’s snikken bedaarde. Verschrikt zagen haar betraande kijkers in
der boerin’s heldere, blauwe oogen, waarboven de wenkbrauwen thans
gefronst waren. Zij keken Mieke ernstig en verwijtend aan, en de
klaarte en rust erin gaven het meisje haar zelfbeheersching terug,
terwijl ze zich beschaamd matigde. Ach, ze was eenige oogenblikken haar
tegenwoordigheid van geest kwijt geraakt!... Ze was zoo overweldigd!...
Ze hield zooveel van grootmoeder, en zooveel onverwacht leed en zooveel
onoverkomelijke moeilijkheden en mogelijkheden grijnsden haar zóó
plotseling van alle kanten aan, dat ze er even door overstelpt werd. De
vrees voor het leven van de eenige, die haar na stond in de wereld, de
vrees voor een gansch onbekende toekomst indien grootmoeder eens mocht
komen te overlijden,—als een eensklaps haar eigen leven kapot slaande
zee-van-misère overstroomde deze vrees haar bevende ziel. Want wàt zou
er met haar moeten gebeuren, waar moest ze heen, àls het ergste
bewaarheid werd?... In een dienst?... Daar zou ze niet sterk genoeg
voor wezen en wellicht ook niet bekwaam genoeg, al was ze handig... Of
zou oom Egbert, vaders broer, haar komen helpen?... Honderdlei
gedachten bestormden haar.
Maar kom, zij mocht zich niet zoo zelfzuchtig over haar eigen leven
beangstigen. Zij moest die vrees van alleen te zullen blijven
verdrijven; dat alles zou zich wel redden,—of niet redden, om ’t even!
Zij moest alleen maar denken aan die arme, lieve grootmoeder, die daar
nu in haar slaapkamertje lag met hooger koorts dan toen juffrouw Wije
Mieke heur grootmoeder goênacht liet kussen en naar boven stuurde om
wat te gaan slapen, totdat zij, de boerin, over eenige uren weer naar
de boerderij terug zou gaan en Mieke beneden zou roepen.
Doch in haar eigen donker vertrekje met de gestadig tikkende
regendroppels tegen het vensterglas en op het dak, was het onmogelijk
voor het meisje om den slaap te vatten en kwamen en gingen de
gedachten, die grootmoeders ziekte tot een onoverwinnelijk onheil
vergrootten. Ze voelde haar aankomen, de ramp, die haar schaduw reeds
vooruit wierp.
En later, toen alles liep zooals het loopen moest—omdat alles in de
wereld nu eenmaal moet gebeuren zooàls het gebeurt—toen de slag viel en
grootmoeder voorgoed de oogen sloot, toen zei ze wanhopend tot
zichzelf: „O, ik wist het wel, dat grootmoeder niet beter zou worden.
Ik wist het al dien eersten avond.”
Om twaalf uur beneden geroepen door juffrouw Wije, woelde Mieke nog
eenige uren rusteloos op den ligstoel, die van de boerderij gebracht
was geworden. Zij look echter geen oog.
Den geheelen nacht lag ze maar te luisteren naar grootmoeders moeilijke
ademhaling en haar zacht gekreun, naar de overigens hoorbare stilte
rondom, want ook het regenen en waaien had opgehouden. Zij lag zich
maar om-en-om te wentelen, transpireerend van angst of er ook iets
vreeselijks met grootmoeder gebeuren kon, waartegenover zij machteloos
zou staan, den nieuwen dag verbeidend met onrust en verlangen,—totdat
het haar tegen half vijf te machtig werd, zij zich kleedde en voor het
raam ging zitten, waardoor de vale schemer van den aanbrekenden dag
weer weinig zonneschijn beloofde, de boomen en planten slechts vaag
omlijnend.
Juffrouw Wije kwam tegen half zeven, een zwarten doek omgeslagen, reeds
weer over den eenzamen weg haar buurvrouw te hulp. Ze zou de kerk dezen
Zondag maar verzuimen: zij was vroom, doch van een produktieve
vroomheid, namelijk steeds vervuld van warm medelijden en
hulpvaardigheid, voortkomend deels uit een gevoel van moederlijke
liefde, deels uit Christelijk plichtbesef. Zij was iemand, die zich
zeer veel rekenschap van haar daden gaf en dezer gevolgen,—en zij was
niet spoedig tevreden over zichzelve... Nu ook had zij zich verweten
niet den heelen nacht te zijn gebleven bij de zieke, al werd des
morgens ook haar tegenwoordigheid op de boerderij reeds vroeg
vereischt. Zoo gauw zij kon was zij dan ook weer naar het kleine huisje
gegaan, wat heete melk dragend, wetende dat Mieke gisteravond door de
drukte vergeten had voor melk te zorgen en vermoedend dat een warm glas
het meisje wel goed zou doen.
Ook dokter Bos kwam vroegtijdig. Z’n eerste rit ging, ondanks den
Zondag, al om acht uur naar de vriendelijke, oude vrouw, die hij zoo
gaarne lijden mocht... Doch bedenkelijker nog dan gisteren keek hij. En
’s middags reeds arriveerde er een pleegzuster uit de stad... Maar wat
baadt menschenhulp als ons lot in het boek des levens anders is
opgeschreven dan wij en degenen die ons liefhebben zoo vurig hopen?
Drie dagen na dien ongelukkigen Zaterdag telegrafeerde dokter Bos den
eenig overgebleven zoon der oude vrouw. Den zevenden dag erna stierf
zij.