Het was dit jaar geen mooie zomer geweest, in den beginne heet en
verzengend, later koud en winderig, zonder eens een malsch, verkwikkend
regenbuitje na een warm koesterend zonnetje. De bladeren waren dan ook
reeds vroegtijdig hard en bruinachtig, en in plaats van vóór in
September kon men zich somtijds vrij wat beter voorstellen reeds diep
in October te zijn. De late rozen in het kleine tuintje vóór het huisje
waren uitgebloeid of hingen verflenst; de nog niet geheel volgroeide
dahlia’s, waarvan enkele al bloemen droegen, hadden geleden door de
striemende buien; takken ervan slierden, verward in elkander, over den
beplasten grond. Het perkje geraniums was geheel verregend. Neen, hoe
vriendelijk en lief ’t huisje met z’n kleurige luiken en heldere
gordijntjes, z’n glimmend gewasschen ramen en schoon geboende
vensterbanken en stoep anders ook mocht glunderen in den zonneschijn,
op den regendag waarvan ik spreek lag het daar zeer triest en verlaten
aan den eenzamen, open landweg.
Kwam die triestige aanblik ook doordat men dien verfomfaaiden tuin
zooveel beter onderhouden kende? Het is waar, de tuin zag er anders
veel aardiger uit en nog nooit was het iemand opgevallen, dat het
huisje er zoo somber kon uitzien als thans, zelfs niet in ’t
vergevorderd najaar of in den winter. Integendeel had het altijd iets
fleurigs door z’n goede onderhoud en door de welverzorgde omgeving. Hoe
vaak twinkelde het lichtje onder koffie- of theepot den voorbijganger
niet vroolijk tegen zoo omstreeks schemeravond, en menig bezoeker gaf
dit reeds, vóór hij de woning was ingetreden, een gevoel van
gezelligheid. Of wel, wanneer het rossig schijnsel der lamp door de
neergelaten gordijnen gloorde, gaf het heele huisje den buitenstaander
onmiddellijk die eigenaardig behaaglijke gewaarwording, welke men
krijgt op een stille plek, als het buiten onaangenaam is en kil, en
waar men, door den lichtgloed uit het bewoonde huisje, daarbinnen
warmte vermoedt en vriendelijke gastvrijheid. Ja, altijd had de kleine
woning een zekere mate van aantrekkelijkheid bezeten ondanks haar
eenvoud, maar nu stond ze daar als iets zeer verlatens in den grijzen
nevel van den somberen dag, die een voortzetting was van reeds zoovele
dergelijke dagen. De luiken van het raam der mooie kamer, rechts van de
deur-in-het-midden, waren gesloten, wat anders nooit het geval was,
omdat grootmoeder iederen morgen alle kamers luchtte, en links van den
ingang, waar grootmoeders huiskamer zich bevond, was het gordijn scheef
opgehaald en lagen op het tafeltje, dat altijd voor de vensterbank
stond en waaraan grootmoeder gewoonlijk zat te naaien, te breien of te
lezen, nu allerhande dingen, die daar niet hoorden.
Het was heelemaal grootmoeders gewoonte niet zoo’n volle, herrie-ige
tafel voor zich te hebben, en van buitenaf zag men anders steeds het
keurig roode tafelkleedje met hieroverheen den mooien, gehaakten
tafellooper.
Ook boven, op de zolderverdieping van het huisje, zag het er wat vreemd
uit thans. Het raampje aan den zijkant, dat het raampje was van Mieke’s
slaapkamertje, stond, en dit bij regenweer, den heelen dag reeds
wagenwijd open. Het gordijntje slierde, zwaar van vocht, langs den muur
en had een winkelhaak gekregen van een spijker, toen het ’t kozijn
uitwapperde. Dezen morgen had Mieke ’t zóó druk gehad met grootmoeders
ongesteldheid en al de huishoudelijke werkjes, die ze hals-over-kop
moest overnemen, (na twaalven had ze zich naar de stad te haasten, waar
sedert eenige dagen de lessen, die ze volgde aan de normaalschool, weer
begonnen waren) dat ze heelemaal vergeten had het raam te sluiten en
beneden de blinden te openen van de „mooie kamer”, want daar het
Zaterdag was, had ze dien ochtend bovendien zóóveel te beredderen voor
den Zondag, dat ze licht eenige dingen kon vergeten, te meer omdat ze
zéér in de war was geweest door grootmoeder, die er vreeselijk slecht
uitzag, dien morgen.
Zij had aan één stuk door gewerkt, de gang gedaan en de keuken, ook de
bedden opgemaakt en de slaapkamer van grootmoeder en haarzelve in orde
gebracht. Toen schilde ze fluks de aardappelen voor vandaag en morgen
en haalde ze de boontjes af, omdat ze hiervoor, wanneer ze tegen vijven
vanmiddag uit school thuiskwam, geen tijd meer zou hebben, ze dan nog
veel te strijken had en wat kousen te stoppen. Ze had ook het plaatsje
geschrobd en de huiskamer geschuierd, op uitdrukkelijk verlangen van
grootmoeder deze echter niet opgeruimd. Dat kon grootmoeder strakjes
wèrkelijk zelf wel doen: zóó ziek voelde zij zich niet, zei zij.
Maar toen Mieke, als vóór de vacantie, op haar fiets naar de stad was
gereden, gehuld in den waterdichten regenmantel, dien ze altijd droeg
bij slecht weer, en toen grootmoeder alleen in het huisje was
achtergebleven, werd het der oude vrouw zéér zwaar te moede, voelde zij
dat het toch veel minder goed met haar ging dan zij zichzelve en Mieke
wel had willen bekennen. Met de grootste moeite gelukte het haar het
middagmaal klaar te krijgen. Telkens moest zij zich vermannen om op te
staan, en herhaaldelijk ging zij weer zitten, zóó benauwd was zij, zóó
groote inspanning kostte het haar te loopen, de pannen op te tillen of
wel de huiskamer eenigszins aan kant te brengen, iets wat ze dan ook
niet kon voleindigen... Wat scheelde haar toch?... Kom, zij moest zich
verzetten tegen dat vreemde gevoel... Zij was immers nooit ziek
geweest... En zóó oud was zij ook volstrekt niet; nog niet eens
zeventig... Zij liep nog zoo rechtop, heur stem was steeds zoo
krachtig; noch van rheumatiek noch van eenige andere ouderdomskwaal had
zij ooit hinder, en iedereen zei altijd, dat zij zoo’n flinke, krasse
vrouw was... En zij begon weer, zij wilde,—maar de huiskamer kwam maar
niet klaar en den heelen middag liep zij, geheel tegen haar gewoonte,
in haar morgenjakje, zonder de grijze japon aan te trekken, waarin ze
zich anders kleedde. Haar oogen stonden dof, en toen Mieke weder
thuiskwam dien middag scheen het ’t meisje alsof grootmoeder er veel
slechter uitzag dan toen ze haar daarstraks verliet. Moeilijk ademend
zat zij in het onaankante vertrek, en verschrikt gooide Mieke bij haar
binnenkomst heur boeken op een stoel en trad haastig naderbij, angstig
vragend: „Gaat het niet beter, grootmoeder? Is het erger geworden? Had
u me dan toch ook maar liever thuis laten blijven.”
De oude vrouw deed een poging om te glimlachen, maar het was treurig om
te zien hoe dit lachje mislukte.
„Och, kind,” zei ze, nogmaals moeite doende om haar ongesteldheid te
verbergen, „heusch ’t is niet zoo erg. Ik was alleen maar wat
kortademig telkens, en dan... een beetje pijn, hier soms,” zij wees op
haar borst, „en in m’n rug, af-en-toe. Maar ’t gaat wel over. Ik ben
blij dat je weer thuis bent, lieveling. Het gaat wel héél gauw weer
over. Ik zal vroeg naar bed gaan.”
Wantrouwend keek Mieke haar aan; ook overzag zij de tafel, het
penantkastje en den schoorsteen, waarvan nog geen stof was afgenomen.
Grootmoeder volgde haar blik. Zij wilde zich voor die nalatigheid
verontschuldigen; ze was zoo’n keurige, stipte huisvrouw.
„Ik ben er niet aan toe gekomen,” zei ze, echter zóó mat, dat haar
poging om zich op te houden wederom geheel te loor ging.
„Natuurlijk, grootmoeder. U heeft nog veel te veel gedaan. U hadt meer
rust moeten houden. Ik zou immers voor al het andere óók nog wel
gezorgd hebben.” Doch Mieke, die wist hoe ordelijk en bedrijvig
grootmoeder steeds was, leidde uit die ongewone werkeloosheid af, dat
het toch wel veel slimmer met de oude vrouw gesteld moest zijn dan deze
liet voorkomen.
’t Meisje begon nu zelf de kamer aan kant te maken. Grootmoeder knikte,
dat dit goed was en zei zacht: „Span jij je nu niet te erg in, lieverd?
Vanmorgen heb je ook al zooveel gedaan, eigenlijk al verscheidene
dagen, sedert ik me niet goed voel.”
„Maar grootmoeder, nu kan ik juist eens zien hoeveel u anders wel doet.
Ik heb dat nooit zoo precies geweten. U maakt het mij veel te
gemakkelijk.”
„Jij moet ook je gedachten voor wat anders gebruiken dan voor het
huishoudwerk nu je op die school gaat.” ’t Klonk heesch en moeilijk.
„Maar ik ben jong, grootmoeder,” antwoordde Mieke helder.
De oude vrouw knikte en glimlachte weer.
„Ik zal u een glas melk warmen.”
„Och neen, kind, liever niet, werkelijk niet.”
„Het zal u goeddoen.”
„Dank je, ik heb er geen trek in... Niet doen, Mieke... Is ’t niet
rillerig buiten? En zoo vroeg donker.”
„Het heeft hard geregend daarstraks. Heeft u ’t niet gemerkt?”
„Had je de bui, kind? Was je op de fiets?”
„Héén op de fiets tusschen de buien door, grootmoeder, maar terug goot
het zoo, dat ’t niet ging. Daarom heb ik de fiets maar gestald. Ik
wilde met de stoomtram terug, maar weet u wien ik trof? Geert Wije.”
„Zoo? Is hij dan weer thuis, Geert Wije?”
„Ja, grootmoeder, hij is eergisteren uit Denemarken terug gekomen en
hij zal nu zelf de boerderij gaan drijven. Hij heeft groote plannen.”
„Zoo-zoo?” Voor één oogenblik kon grootmoeder zich opwerken tot
ongeveinsde belangstelling en even haar benauwdheid lichtelijk
overwinnen.
„Ik stond juist op de tram te wachten, ’t gietregende, toen hij langs
kwam in het nieuwe, gele wagentje, u weet wel. „Kom, Mieke,” zei hij,
„stap in en rijd mee terug, dan hoef je niet zoo lang in de nattigheid
te trappelen.” ... Hij vertelde onderweg van Denemarken en dat hij de
helft van het land van Broers gekocht heeft om in ’t voorjaar haver op
te zaaien. Nu hoort, voor zoover wij achteruit ons huis kunnen zien, al
het land van de Wije’s, grootmoeder, ook die groote wei en de
boomgaard... Wat moeten zij toch rijk zijn!... Geert koopt, zegt hij,
ook een nieuwerwetsche dorschmachine, en het woonhuis wil hij van
binnen heelemaal laten verbouwen. Hij wil alles nog veel mooier en
geschikter maken dan het al is. Hij is wel een aardige, flinke jongen,
vindt grootmoeder niet?”
„Ja,” grootmoeder vond het ook. Maar Mieke had wel wat veel gesproken;
’t had haar opeens zóó vermoeid.
„Hij vroeg,” vervolgde het meisje, onderwijl ze de kamer ordende en ze
al pratende een beetje vergat, dat de ander zich ziek gevoelde, „hij
vroeg wanneer ik nu wel zoowat onderwijzeres zou zijn. Maar dàt duurt
nog zooveel jaren, nog bijna twee... Hij vroeg ook naar u, grootmoeder;
hij stelt in iedereen van ’t dorp belang. Juffrouw Wije zal u vanavond
misschien komen opzoeken. Ik zei hem, dat u niet goed in orde was—want,
grootmoeder,” zei ze, nu weer acht slaande op ’t bleeke, ingezonken
gezichtje der oudere vrouw, naast haar komend en heur rimpelige wang
streelend, „ik geloof, dat het eer slechter met u wordt dan beter, is
het niet?”
„Waarom heb je dat nu gezegd, dat ik niet goed was,” schudde
grootmoeder wat wrevelig het hoofd, „morgen ben ik immers weer
heelemaal klaar. Het is een beetje kou, die vastzit op de borst. Ik
moet alleen wat vroeger naar bed.”
„Wilt u nu niet liever gaan?” vroeg Mieke, bezorgd en dringend. „Toe,
grootmoeder, ik deed ’t maar.”
„Nu al?” grootmoeder zong een béétje het liedje van verlangen.
„Ja, nu,” tastte Mieke eensklaps door, zich bewust wordend dat zij toch
grootendeels verantwoordelijk was voor de gezondheid der oude vrouw,
die nu eenmaal nooit ziek-zijn wilde. „Kom, leun op mij, ik zal u
helpen.”
Gewillig liet grootmoeder het toe, dat het meisje haar ophief en
zachtjes meevoerde naar de kleine slaapkamer, die grensde aan de
huiskamer. Daar hielp Mieke haar zich ontkleeden, en toen ze haar in
bed had gestopt dekte ze haar toe met de bezorgdheid van een
liefhebbend dochtertje. Mieke’s zacht, vriendelijk gezichtje was
een-en-al medelijden met grootmoeders toenemende benauwdheid onder het
ontkleeden, met de pijn, die zich meer-en-meer afteekende op het gelaat
der oudere vrouw. En nu lag grootmoeder zwaar en mat in de kussens, de
oogen gesloten, zichtbaar doodmoe.
Langen tijd stond het meisje sprakeloos bij het bed, met angst
bemerkend hoe een koortsachtige blos de wangen der zieke steeds hooger
kleurde, wat haar, Mieke, een voorgevoel gaf van weinig goeds... Sliep
grootmoeder nu reeds?... Luisterend stond zij aan het voeteneinde...
Doodstil was het in ’t huisje en een groote vrees overstelpte Mieke
eensklaps, toen ze daar zoo alleen en hulpeloos toefde bij de zacht
kreunende vrouw... Aan eten dacht zij niet meer. Ze had ook niets geen
trek... Ze verweet zich slechts dien middag grootmoeders wil niet
sterker weerstreefd te hebben en niet te zijn thuis gebleven. Zij had
de school moeten verzuimen en vanmiddag reeds om den dokter moeten
zenden.
Nog stond ze in tweestrijd of ze grootmoeder alleen zou durven laten om
den arts te halen, vreezende evenwel dat er in dien tusschentijd iets
gebeuren kon, tegelijkertijd zich bezwaard gevoelend indien de zieke
den komenden avond en den geheelen nacht zonder geneeskundige hulp zou
wezen, nog was zij in verwarring wat aan te vangen toen er gebeld werd.
Haastig opendoende trof zij aan de voordeur juffrouw Wije, de naaste
buurvrouw. Deze was een groote, welvarend uitziende, knappe vrouw. Heur
heldere, verstandige, donkergrijze oogen spraken van een gezonden,
levendigen geest in een gezond lichaam. Zij had een groote, harmonische
gestalte en droeg stellig een stevig korset onder haar eenvoudige,
zwarte japon. Zij was een boerin van den modernen stempel, maar toch
sierden haar nog kap en oorijzers, de juweelen naalden en het kostbare,
diamanten voorhoofdstuk. (Dit laatste n.l. alleen des Zondags.) Haar
regelmatige trekken waren gansch niet ontbloot van intelligentie, en in
ontwikkeling en gesteld-zijn op het naleven van zekere vormen stond zij
volstrekt niet achter bij menige vrouw, wier „beschaving” men als
onbetwistbaar beschouwde. Zij telde burgemeesters en dominee’s in haar
moeders afstamming; haar vader was lid van de Provinciale Staten
geweest, en al had hij ook een groot deel van zijn leven op klompen
geloopen, hij was een verlicht man, die zijn eenige dochter een
„opvoeding” gaf. Boerin Wije gold dan ook niet slechts voor de meest
gefortuneerde vrouw uit den omtrek, maar tevens als iemand van niet
gering persoonlijk aanzien, en de manier waarop zij de boerderij na den
dood van haar echtgenoot had bestuurd, toen Geert nog op de
landbouwschool ging, was van dien aard, dat geen man, tenminste geen
middelmatig man, haar zou verbeterd hebben datgene wat zij had
gepresteerd aan doorzicht en energie. Zij was op de hoogte van haar
tijd als eene, die „middenin ’t leven” staat; haar warm kloppend hart
leidde haar wat nuchtere opinie in de richting van begrijpen bij
gematigd oordeel. Zij las de courant met meer profijt dan menige
„dame”, die door de modeplaatjes het ingrijpende van ’t wereldgebeuren
voorbij ziet, en haar blik op ’t leven, en niet slechts van ’t
buitenleven, was meermalen van een groote juistheid. In iedere klasse
der maatschappij heeft men zoo nu-en-dan zoo’n enkele, sterke,
uit-stekende figuur. In haar boerenstand, haar zeer voornamen
boerenstand, was juffrouw Wije zulk een vrouw van meer dan daagsche
beteekenis. Vandaar ook, dat grootmoeder zoo gaarne met haar sprak en
haar raad inwon somtijds. Het zien der kloeke, rustige vrouw was voor
Mieke, die zenuwachtig en in de war opendeed, dan ook eensklaps een
groote verademing.
„Ach, juffrouw Wije,” riep zij, met tranen in de oogen en blijdschap in
de stem, „u komt als geroepen! Ik wist werkelijk geen raad.”
„Welzoo, dat mag ik hooren, altijd: dat ik als geroepen kom, niet dat
je geen raad wist. Ik hoorde van Geert, dat het hier niet al te best
ging. „Kom,” dacht ik bij m’n eigen, „ik zal vóór ’t avondeten eens
even een kijkje gaan nemen bij Van der Hoeve”... Wat scheelt eraan?”
„Grootmoeder was vanmorgen en daarstraks niets goed, maar ze is nou zoo
naar geworden,” en Mieke ontsnapte een snik.
„Kom-kom, niet huilen... Hier zijn wat eieren, Mieke. Het is een dure
tijd en grootmoeder is misschien wel wat al te zuinig geweest. Oude
menschen hebben weinig maar krachtig voedsel noodig en dat ontbreekt
tegenwoordig nog al eens... Wacht, leg de eieren op een schaaltje; zoo.
Ze zijn schaarsch den laatsten tijd en onze kippen leggen niet meer zoo
best; ’t zijn er niet veel, maar toch is ’t wàt... En waar is
grootmoeder nou?”
„Hier ligt ze,” bracht Mieke de bezoekster in de kleine slaapkamer.
Hoewel de zieke met den rug naar het raam gekeerd lag en het sombere,
grijze licht uit de bewolkte lucht slechts matig en grauw het vertrek
vulde, onderscheidde juffrouw Wije toch maar al te duidelijk den
verhoogden blos der opkomende koorts op grootmoeders thans zéér
ingezonken gezichtje, dat kleiner en magerder leek dan gewoonlijk.
Eenige oogenblikken bezag zij scherp het gelaat der oudere vrouw; ze
legde heur koele rechterhand op het voorhoofd der zieke, die haar bij
het binnenkomen niet bemerkt had.
„Hoe is ’t?” vroeg juffrouw Wije, zich overbuigend.
Grootmoeder sloeg even de oogen op, herkende haar bevriende buurvrouw,
poogde weer te glimlachen en ’t hoofd op te richten, dat evenwel
onmiddellijk neerzonk, terwijl haar hand heur pijnlijker wordende borst
betastte en de oogen zich wederom mat sloten.
Angstig keek Mieke juffrouw Wije aan. Dacht zij ook, dat het met
grootmoeder slimmer werd?
„Mieke,” zei de boerin, zich oprichtend nu, „loop jij eens gauw naar
dokter Bos en zeg hem, dat hij dadelijk hier moet komen, compliment van
mij.”
„Is... is... het erg?” stamelde Mieke.
„Ik weet het niet,” was het antwoord; menigmalen had juffrouw Wije aan
het ziekbed haar diensten bewezen, en gerust was zij thans
allesbehalve. „Loop maar zoo hard je kunt. Ga meteen even bij Geert aan
en zeg hem, dat ze maar met het avondeten moeten beginnen, want dat ik
misschien wel wat later thuiskom. Maar éérst naar den dokter, Mieke—en
vlug, héél vlug, meisje.”