HOOFDSTUK XIII.

Zoo brak dan de morgen aan van Zaterdag 21 October.

De Boerenlagers, die ten oosten der spoorbaan waren opgeslagen, werden

voor de veiligheid verder teruggebracht, doch Elandslaagte met haar

blauwzinken daken bleef duidelijk zichtbaar, en tusschen het groen

gebladerte van boomen en struiken schemerde het spoorwegstation door.

Het veld had nog weinig gras, en de Hollandsche Vrijwilligers zouden

paardevoer gaan halen: havergarven uit den buitgemaakten trein. Zes

sterke ossen werden voor den fouragewagen gespannen, en men vermoedde

geen vijand, totdat een verdachte rookpluim, oprijzend langs de

spoorbaan, de nadering verried van een gepantserden Engelschen trein.

De trein telde drie wagens, door leikleurige staalplaten goed verzekerd

tegen vijandelijk geweervuur. Tusschen den voorsten en den middelsten

wagen, en door deze beschermd, bevond zich de locomotief; de achterste

wagen, een open wagen, droeg een Maximkanon.

Aan den linkerkant van den trein, aan de westelijke zijde der

spoorbaan, bewogen zich op den transportweg van Ladysmith naar

Elandslaagte, een afstand van bijna zes uur gaans, colonnen cavalerie

en artillerie onder den cavalerie-generaal French. Hij maakte een

krachtige verkenning, om de stelling en de sterkte van den vijand

vast te stellen, en op 1000 meter afstands van het station genaderd,

liet hij halt houden en de kanonnen afhaken.

Het was half acht in den morgen, toen het eerste Engelsche kanonschot

over de velden dreunde. Het boorde door de goederenloods heen, en

kwam in den ambulancewagen der Boeren terecht. Het tweede schot werd

gericht naar het open veld, in de richting van het Hollandsche kamp,

waar de tent van kommandant Jan Lombaard, aanvoerder der Hollandsche

Vrijwilligers, de aandacht trok. De granaat sloeg 25 meter vóór de

tent in den grond, zonder te ontploffen, terwijl de volgende bom, op

eenigen afstand achter Lombaard's tent terecht gekomen, wel ontplofte

doch niemand kwetste.

De Hollanders lieten hun havergarven in den steek, en dat was

verstandig, maar de twee kanonnen, die de Boeren hadden meegebracht,

wierpen hun bommen met groote nauwkeurigheid in de Engelsche batterij,

en dat was niet minder verstandig. Generaal French voelde zich met

zijn zevenponders tegen dat vuur niet opgewassen; hij gaf bevel tot

den terugtocht, en trok met zijn volk en zijn gepantserden trein een

uur gaans terug, halt houdend bij het station Modderspruit.

Jan Kock gaf nu orders, om voeling te zoeken met den vijand, en

de Boeren zwermden op hun taaie paardjes in kleine, vèr verspreide

groepen over de heuvels.

Hun paarden klommen als klipgeiten tegen de verschillende kopjes op,

en men bereikte ten slotte een hoogen bergrand, die een uitstekend

gezicht verleende op de vijandelijke stellingen. Op de spoorbaan

ontdekten de Boeren door hunne verrekijkers drie militaire treinen;

naast de spoorbaan ontplooiden zich de infanteriebataljons.

Er werden voorposten uitgezet, en de Boeren keerden om 12 uur in een

korten galop terug naar hun kamp. Zij werden er aangenaam verrast

door de komst der transportwagens, die van Volksrust de onmisbare

kampbenoodigdheden hadden medegebracht: levensmiddelen, tenten,

ververschingen, en een grooten postzak brieven en couranten.

Ach, dat was een aangename verrassing voor Gijs Wessels, toen hij, het

adres van een aan hem gerichten brief bekijkend, de eenvoudige, ietwat

stijve hand van zijn vrouw herkende. Hij vleide zich met Danie--Louis

en Barend hadden zich bij de voorposten gevoegd--neder achter een klip,

die hen beschutte voor den wind, en las met aandoening den brief.

Hij luidde als volgt:

"Geliefde Man en Kinderen!

Het is toch maar een treurige dag geweest, toen gijlieden

vertrokt. Janske, dat lieve kind, hield zich voor mij zoo goed,

als ze maar kon, doch ik zag wel, dat zij zeer bedroefd was. Ik

kreeg echter rust in het Godsbestuur, en de Heere bepaalde mij

recht levendig bij deze woorden: "Wat ik doe, weet gij nu niet,

maar gij zult het na dezen verstaan." Ik werd wonderlijk getroost,

omdat deze dierbare waarheid innig aan mijn hart werd toegepast,

dat alle raadselen eens zullen worden opgelost. En zoo kon ik

dan alles recht kinderlijk aan den Heere, Die alles regeert,

overgeven. Het is toch zoo, geliefde Man, dat niets ons zal

kunnen scheiden van de liefde, die in Christus Jezus is. Juist

in deze bange en benauwde tijden worden wij zoo recht gewaar,

dat wij aan onzen God een wonderbaren steun hebben, en Hij is ons

geweest een toevlucht van geslacht tot geslachte! Hij zal het met

ons volk ook goed maken. Ik geloof zeker, dat ons volk op Gods

tijd nog eens geheel van Engeland zal vrij worden. Het beliefde

den Heere, om mij dezen morgen door Zijnen Heiligen Geest in te

leiden in den zesden psalm, en bij het slot moest ik uitroepen:

"Arm Engeland!" Want het vergrijpt zich aan Gods kinderen, en het

vergiet het bloed van Gods uitverkorenen. Maar ik ben ook dikwijls

bedroefd, geliefde Man en Kinderen, als ik aan jullie denk. Nu

voelen wij toch eerst, hoe innig wij aan elkander hangen. Ik kan

dien grooten, ledigen leuningstoel niet zien, of ik word zeer

bedroefd, en bij oogenblikken kan mij een onweerstaanbare angst

aangrijpen. Is het een voorgevoel, dat er iets verschrikkelijks

zal gebeuren? Maar het kunnen ook wel mijn geschokte zenuwen

zijn. Ik heb wel meer zoo'n angst gehad, en dat het toch niets

was, en dat gij mij later nog hartelijk hebt uitgelachen. Nu,

wij willen hopen, dat wij elkander nog eens in goeden welstand

zullen ontmoeten. Het is een rechtvaardige zaak, geliefde Man en

Kinderen, waarvoor gij strijdt. Zoo vecht dan dapper voor uw land

en volk, want dat is de wil des Heeren!

Wij kunnen elkander nu niet zien, maar dat wij elkander maar veel

mogen ontmoeten voor den troon der genade, dat is mijn wensch. Zoo

blijf ik met de hartelijkste groeten

Uw zeer liefhebbende vrouw en moeder,

S. Wessels, geboren Potgieter.

Nog iets. Lieve Danie, neem je maar goed in acht, jongen, want

je bent niet al te sterk. Vermoei je maar niet al te hard. Als

er een zwaar stuk werk is, dan zullen uw andere broeders u wel

helpen. Nu dag Danie, dag Louis, Kees, Karel, geliefde Man--weest

allen den Heere bevolen. Janske groet u recht hartelijk; zij

hoopt u overmorgen te schrijven. Maakt u maar niet over ons

ongerust. De Kaffers zijn zeer onderdanig, en met de boerderij

gaat het heel goed.

Dezelfde.

De brief was toch een liefelijke verkwikking.

Danie zat vlak naast zijn vader, en leunde met den linkerarm op diens

schouder, om toch alles goed te kunnen lezen. Ook schemerden er een

paar tranen in zijn oogen, want hij had zijn moeder lief. Hij zag er

weer wat bleek uit; zijn moeder had gelijk: hij was niet al te sterk.

"Ik had je thuis moeten laten, mijn jongen," zeide de oude Wessels;

"ik vrees, dat je niet tegen den veldtocht kunt."

Danie ging met de hand liefkozend over het bezorgd gelaat van zijn

vader.

"Wees maar niet ongerust," zeide hij met moedige stem; "ik voel me

zoo sterk als een jong paard."

Hij glimlachte, terwijl hij dit zeide, en hij keek opgeruimd,

om de wolken te verjagen, die over het breede voorhoofd van zijn

vader gingen.

Doch de liefde van een vader ziet scherp, en laat zich niet

misleiden. Gijs Wessels schudde het hoofd en zuchtte.

Wijd uit de verte dreunde thans de zware slag van het kanon. Gijs

Wessels stond op, beklom een hoogte, en staarde naar den horizon.

Langzaam keerde hij terug. Zijn gelaat stond nog ernstiger dan

zoo even.

"Wij zullen vandaag nog vechten, Danie," zeide hij zacht.

De jongen sprong op.

"Zijt gij niet bang, mijn jongen?"

"Wij zijn in 's Heeren hand."

"Het kan uw jonge leven kosten, Danie!"

"Ik geef mijn leven gaarne voor de vrijheid van mijn volk."

Zijn oogen begonnen te schitteren, terwijl hij dit zeide; het bloed

kleurde zijn bleeke wangen.

"Dùrft gij te sterven, Danie?"

Hij had reeds een dergelijke vraag gedaan in dien laatsten nacht

vóór het vertrek van Wonderfontein, doch in het gezicht van dood en

eeuwigheid wilde hij dat punt nog eens aanroeren.

De oude Wessels vraagde het dus met nadruk, en zijn oogen rustten,

terwijl hij het vraagde, met zekere angstige spanning op zijn kind.

Doch Danie sloeg de blauwe oogen blijmoedig op tot zijn vader en

zeide bedaard: "Ik ben niet bang voor den dood."

"Waarom niet, Danie?"

"Ik ben het eigendom van Jezus mijn Heiland, Die mij gekocht heeft

door Zijn dierbaar bloed."

Hij zeide dit zoo eenvoudig, zoo ongekunsteld. Maar juist in dien

eenvoud openbaarde zich de onmetelijke kracht van zijn geloof.

Gijs Wessels was evenwel nog niet voldaan.

"Gij zijt nog zoo jong, Danie, en gij spreekt zoo beslist. Ik ben al

lang op den weg, en mijn ziel wordt toch nog dikwijls geslingerd door

twijfelingen en vreeze."

Danie echter antwoordde op bedaarden toon: "Ik heb van wege mijn zonden

en overtredingen den eeuwigen dood verdiend, doch Jezus is met Zijn

plaatsvervangend lijden voor mij in de plaats getreden. Ik weet het

vast en zeker."

De oude Wessels voelde: dat was geen napraterij, maar welde op diep

uit het hart.

Nu was hij ook tevreden, drukte zijn jongen de hand, en sprak met

hem over geestelijke en hemelsche zaken als een vriend met zijn vriend.

Doch uit de verte dreunde opnieuw de slag van het kanon, sterker dan

zoo even: zwaar en dreigend als de donderslag van een snel naderend

onweer, en over de heuvels zwermden in snellen galop de verkenners

der Boeren als stormvogels, die het noodweer aankondigen.

"Weet gij niet, waar Louis is?" vraagde de oude Boer.

"Hij was daar straks bij de voorposten," meende Danie.

"Ik had hem gaarne hier gehad," zuchtte Gijs Wessels.

Hij keek rond, of hij den jongen jager niet kon ontdekken, maar hij

zag hem niet.

Hij was zeer ernstig geworden. Hij nam Danie bij de hand, en bracht

hem in de nabijheid van een grooten doornstruik.

"Hier zullen wij knielen, Danie, en onze zielen Gode bevelen."

Zoo knielden zij dan neder: vader en zoon.

De doornstruik strekte zijn takken boven hen uit. Zijn gele bloesems

geurden, en uit zijn twijgen vloog een zangvogel op, sloeg de vleugels

wijd uit en zong zijn lied.

Het was het lààtste lied, dat op dien dag boven Elandslaagte werd

gezongen.

Zij rezen nu op van hun knieën. Baas Wessels' oogen waren vochtig.

Hij kuste zijn jongen op die lieve, blauwe oogen. Danie zag, dat zijn

vader zeer bewogen was.

"Gij moet niet bedroefd zijn, vaderke," zeide hij troostend; "zie

toch--ik ben goedsmoeds."

Hij glimlachte weer, terwijl hij dit zeide, maar zijn lippen beefden.

"Gij zijt nog zoo bitter jong," steunde zijn vader--"maar kom, Danie,

't wordt tijd!"

De Leeuw van Modderspruit Een verhaal uit den Engelsch-Zuid-Afrikaanschen Oorlog 1899-1900 · 第 16 / 30 题