De jonge jager had den ganschen nacht niet geslapen, en Truida zag,
toen zij aan de ontbijttafel verscheen, bleeker dan gewoonlijk.
Er werd weinig gesproken aan tafel, behalve door de oude huishoudster,
die aan haar gewoonte getrouw, bleef doorrammelen als een altoos
durende regendrup.
De tafel werd weggeruimd, en de oude baas Uys, zijn steenen pijpje
stoppend, ging naar buiten, om naar zijn vee te zien.
Hij liet zich door niets in zijn regelmaat stuiten, en nam alles met
verwonderlijke bedaardheid op. Achter dat gehavende en verbleekte
vest schuilde een hart van onverstoorbare wijsgeerige kalmte, en zoo
op dit oogenblik zijn prachtig huis plotseling aan de vier hoeken
in den brand was gevlogen, zou hij nog hebben gezegd: "Stil maar;
het zal recht komen."
Maar de jonge Wessels stond niet daar, waar Arend Uys stond, en zijn
hart was vol zorgen. Kort geleden had hij nog in den waan geleefd,
dat bij een mogelijken oorlog geheel Zuid-Afrika van de Tafelbaai tot
aan de Zambezirivier als een eenig man zou opstaan tegen het Engelsch
geweld, doch zijn verwachtingen waren de laatste dagen sterk geluwd. Op
zijn reis hierheen had hij wel gemerkt, dat het Hollandsch-Afrikaansch
gedeelte van Natal over het algemeen van harte aan de Transvaalsche
stamgenooten de overwinning toewenschte, doch bij dien wensch zou
het dan ook voorloopig wel blijven.
Hij behoefde zich daarover immers ook niet te verwonderen; zijn eigen
aanstaande schoonvader meende, dat de tijd voor een groot Afrikaansch
rijk, dat op zijn eigen beenen kon staan, nog niet was aangebroken. En
wat Truida betrof--
Zij trad juist de kamer binnen, nam een stoel en ging in zijn
nabijheid zitten.
"Gij hebt slecht geslapen," zeide zij kalm maar vriendelijk.
"En gij hebt geschreid," zeide hij op den ouden, hartelijken toon.
"Gij zoudt de Afrikaansche kwestie aan den kapstok hangen," zeide
zij met een zwakke poging om te glimlachen, maar haar lippen beefden.
"Ik kàn het niet," steunde hij.
"En waarom kunt gij 't niet, Louis?"
"Omdat God de liefde tot onze nationale onafhankelijkheid diep in
mijn ziel heeft ingegrift, Truida."
"Maar die onafhankelijkheid wordt toch niet bedreigd, al wordt aan
de Uitlanders een vijf-jarig kiesrecht geschonken?"
"'t Gaat niet om het kiesrecht--'t gaat om de goudmijnen, om den
wijngaard van Naboth. Naboth moet sterven, omdat hij de bezitter is
van dien wijngaard."
Truida antwoordde niet dadelijk, want zij streed een inwendigen
strijd. Toen blikte zij weer op en vraagde kalm: "Wat verlangt gij
van mij?"
"Dat gij u schaart aan de zijde van het recht, Truida!"
"Gij bedoelt aan de zijde der Boeren?"
"Natuurlijk," zeide hij, "want zij hebben het recht aan hun zijde."
"Maar ik beweer, dat ik mij niet aan de zijde der Boeren màg scharen,"
zeide zij op vasten toon.
Hij keek haar verrast in de oogen.
"En waarom niet?"
"Omdat ik onderdane ben der Engelsche koningin."
"En school gegaan heb op een Engelsche kostschool, waar men de waarheid
verdraait," zeide hij met toorn.
"Gij wordt scherp en bitter, Louis," zeide zij; "sta mij toe, dat ik
u mijn standpunt uitleg."
"Ik luister al," zeide hij op bedaarder toon.
"Ik hoop, dat de oorlog door de bezadigdheid der wederzijdsche
staatslieden nog vermeden zal worden, maar als hij uitbreekt, dan is
dit een oorlog tusschen Engeland en de Transvaal, en niet tusschen
Engeland en Zuid-Afrika."
"En de Vrijstaat dan?" vraagde hij.
"Goed, het zal dan een oorlog zijn tusschen Engeland en de twee
Boeren-republieken, daar de Vrijstaat om zuiver Transvaalsche belangen
zich vrijwillig in de ellende stort. Maar de droom en het ideaal van
een Vereenigd Zuid-Afrika kan op die manier geen werkelijkheid worden."
"Maar hoe kan hij dàn werkelijkheid worden?" vraagde hij met groote
verbazing.
"Twee jaar geleden hebben Natal, de Kaapkolonie en de Vrijstaat den
eersten stap gedaan, om tot een Zuid-Afrikaansch tolverbond te komen,
maar het stuitte af op Transvaalschen onwil."
"En waarom wilde de Transvaal niet, Truida?"
"Ik weet het niet," zeide ze, de schouders ophalende.
"Omdat de Transvaal tot voorwaarde een zeehaven eischte, die haar
wederrechtelijk door Engeland is onthouden. Zonder zeehaven was zij
bij zoo'n tolverbond het kind van de rekening."
"Wij Natallers wenschen ook een zelfstandig en vereenigd Zuid-Afrika,"
zeide Truida, terwijl zij zijn laatste opmerking liet rusten, "maar
wij willen evenmin van uit Pretoria als van uit Londen geringeloord
worden."
Ach, dat was het!
Ja, dat krenkte zijn jonge ziel--die ijverzucht, die onderlinge
jaloezie onder menschen van denzelfden stam. Die ijverzucht, dat
wantrouwen brak hun kracht, en maakte hen weerloos tegenover den
machtigen vijand. En zoo lang die worm van kleinzielige ijverzucht en
jaloezie knaagde aan den stam van het Hollandsch-Afrikaansche volk,
kon er van bloei noch wasdom sprake zijn.
"Truida," zeide hij met verheffing van stem, "zoolang Natal vreest,
dat Pretoria het overwicht zal krijgen, en de Kaapkolonie, dat
Bloemfontein het overwicht zal krijgen, en Efraïm Juda benijdt, en
Juda Efraïm benauwt, kunnen wij geen kracht uitoefenen. Ik vrees, dat
de dag nog ver is, Truida, waarop wij kunnen spreken van een vrijen,
Zuid-Afrikaanschen Statenbond, van een rijk, op welks poorten met
gouden letters geschreven staat: "De gerechtigheid verhoogt een volk,
maar de zonde is een schandvlek der natiën!""
"Een mooi opschrift," zeide zij, "maar zoudt gij dat heerlijke gebouw
willen doen verrijzen op een fundament van zonde en ongerechtigheid?"
Er lag een groot verwijt in haar stem, toen zij dit zeide, doch Louis
schudde het hoofd, want hij begreep haar niet.
"Gij verlangt," ging zij voort, "dat de Natallers in den naderenden
oorlog zich met het geweer onder den arm aan uwe zijde zullen scharen?"
"Natuurlijk," antwoordde Louis, "maar het smart mij meer dan ik je
zeggen kan, dat ik het niet verwacht. Enkele moedige mannen zullen
zich bij ons aansluiten, maar de massa zal thuis blijven."
"Gelukkig!" zeide ze.
"Waarom gelukkig?" vraagde hij.
"Omdat zij er dan voor bewaard blijven, hun eed te breken tegenover
onze koningin."
"Koningin Victoria heeft in u, de dochter van een Hollandschen
Afrikaander, een warme pleitbezorgster," zeide hij, niet zonder
bitterheid.
"Mogen wij tegen onze wettige overheid opstaan?" vraagde zij. Haar
wangen begonnen te gloeïen, en in haar gedachtengang weerspiegelde
zich de scherpte van dat verstand, dat zij van haar vader had geërfd.
"Ik zal u antwoorden," zeide hij bedaard. "Zoolang als de volken
onmondig zijn, hebben zij voogden noodig, maar als zij mondig zijn
geworden, dan behooren zij onder het juk der voogdijschap uit. Engeland
is de voogd der Zuid-Afrikaansche koloniën, maar het kind is een man
geworden, in staat, zijn eigen zaken te regelen. Het behoeft niet
meer geregeerd te worden van een afstand van meer dan 6000 mijlen;
het is meerderjarig."
Truida wilde antwoorden, maar op dit oogenblik trad de oude
huishoudster binnen. Zij scheen opgewonden, verschoof een vaas,
die goed stond, en veegde de kast af, waarop geen stofje lag. Zij
maakte de banden los van haar zwarte muts, maakte ze weer met van
drift bevende handen vast, en schopte met de groote muilen tegen
Pluto aan, die ernstige aanstalten maakte, haar in haar beenen te
bijten. Zij zette vervolgens haar mollige handen in haar heupen,
keek Truida scherp aan en zeide: "Maar Truitje, zou je mij dan niet
een handje helpen? Moet ik dan àlles doen? Ik heb toch ook maar één
lijf! Ik kan toch niet alles doen! Zeg, neef Wessels, zou je dien
leelijken mormel niet bij je houden? Ik kan dat beest niet uitstaan
met die bloedoogen--wat is 't, Christiaan? Al weer een ongeluk?"
Christiaan kwam vertellen, dat een onderofficier met tien lanciers
van het vijfde was aangekomen, en een onderkomen eischte voor de
manschappen en de paarden.
Truida keek Louis aan bij de laatste boodschap, maar deze stond
schijnbaar bedaard op, riep zijn hond en ging het veld in. De oude
huishoudster was bij de tijding van Christiaan half versuft in haar
stoel neergevallen, en Truida moest het onderbrengen der lanciers, dat
haar thans met het oog op Louis' stemming dubbel onaangenaam was, zelf
regelen. Maar zij was een kordaat meisje, dat van aanpakken wist, en
daar het huis groot en ruim was, werd de zaak spoedig genoeg geregeld.
Eerst tegen den middag keerde Louis terug. Truida was hartelijk en
vriendelijk, maar hij sprak weinig, wat haar krenkte, en zoo zweeg
zij ook.
De dag ging verder in zijn gewone beslommeringen voorbij. Louis was
weer weggegaan, omdat hij een ontmoeting met de Engelsche lanciers
wilde vermijden, en Truida, al wist zij dit niet, vermoedde het toch.
Het schemerde reeds, toen Louis terugkwam. Truida zat alleen in de
kamer, en zag hem naderen. Hij liep eenigszins voorover, als een
mensch, die diep in gedachten is, en zijn hond kwam zwijgend achter
hem aan. Langs het zwerk joegen zware wolken, en aan den horizon werd
de eerste bliksemstraal zichtbaar.
"Gij komt juist bijtijds; wij krijgen zwaar weer," meende Truida,
hem te gemoet komend.
"Ik voelde reeds de eerste droppels," zeide Louis, zich bij haar
nederzettend.
"Waar is uw vader?" vraagde hij na een kort zwijgen.
"Hij is op bezoek bij Kremer--het onweer zal hem verrassen."
Weer hokte het gesprek.
Uit de belendende kamer kwam het drukke gepraat der lanciers. Truida
had gaarne iets kostbaars willen geven, als zij die ruwe soldatenmonden
had kunnen snoeren, maar het ging boven haar macht.
"Trek het je niet aan," zeide zij zacht, naar die kamer wijzende.
"Wel neen," antwoordde hij met een vreemde luchthartigheid, en weer
zweeg hij--het was voor Truida een angstig, benauwend zwijgen.
Men kon de soldaten nu goed verstaan. Zij kwamen zoo pas uit
Pietermaritzburg, waar zij in garnizoen hadden gelegen, en
hadden nu het belangrijke punt afgehandeld, welke kroeghouder te
Pietermaritzburg de beste whiskey verkocht. Van de whiskey sprongen ze
op de toekomst--op den verwachten oorlog en op de Boeren. Zij hadden
van den oorlog weinig verwachting; bij de tweede nederlaag zouden de
Boeren wel naar huis vluchten--die lafaards, die ellendelingen.
"Trek het je niet aan!" smeekte Truida.
"Wel neen," antwoordde hij met ijzige kilheid, maar een bliksemstraal,
die voorbij schoot, verlichtte zijn gelaat, en zij zag, dat er de
laatste bloeddruppel uit geweken was.
"Ik zal het licht aansteken," zeide Truida, maar hij legde zijn hand
zwaar op haar arm.
"Doe het niet," zeide hij op gedempten toon, "wij moeten met elkander
spreken."
Met elkander spreken--en dat in zoo'n geprikkelden toestand--Truida
beefde er van. Maar hij sprak op een manier, die geen tegenspraak
duldde, en Truida bad in haar binnenste tot God, dat haar vader
spoedig mocht komen.
Maar haar vader bleef weg.
De soldaten spraken nu nog luider dan daar straks; zij schenen
opgewonden te worden, en stortten over de Transvaal en haar regeering
de volle fiolen uit van hun spot en hoon.
"Spreek dan toch!" zeide Truida, die het niet langer kon uithouden.
"Wanneer zouden we trouwen, Truida?"
Dat was niet de stem van den aanstaanden bruidegom, die haar in de
ooren klonk.
"Dat weet ge ook wel," meende ze; "ge behoeft het mij niet te vragen."
"Er kan veel gebeuren voor dien tijd," zeide hij.
Zij antwoordde niet--was zij dan verantwoordelijk voor dezen oorlog?
"En al kwam er geen oorlog, dan zou ik tòch in Natal niet kunnen wonen,
zoo lang het een Engelsche kolonie is."
"Vroeger hadt gij geen bezwaar," meende zij; "gij zijt gauw veranderd."
"Ik zou geen Engelsche inkwartiering kunnen dulden in mijn huis,"
zeide hij met harde stem.
Zij antwoordde niet.
Er kwam een stem in haar binnenste op, zoo'n kleine, zachte stem,
en die stem fluisterde: "Hij heeft u niet meer lief." En bij die
gedachte kwam er een zekere strakheid in haar oogen, en een huivering
ging over haar kloppend hart.
"Laten wij in de Transvaal gaan wonen," zeide hij; "ik kan niet bukken
onder het Engelsche juk--ik wil liever stèrven."
"Hij bemint u niet meer," fluisterde die stem van binnen, sterker
dan tevoren.
"Ik ga nièt naar de Transvaal," zeide ze met plotselingen nadruk;
"ik blijf in Natal."
Hij antwoordde niet aanstonds. Duidelijk riep uit het belendende
vertrek een ruwe soldatenstem: "Wat wij met hem zullen doen, met dien
fijnen president van de Transvaal? Wel, wij zullen hem in een ijzeren
kooi zetten, en hem op de kermissen laten zien voor een sixpence,"
en een luid, schaterend gelach weerklonk.
"Kies tusschen mij en Natal!" schreeuwde de jonge Wessels met een
stem schor van hartstocht, toorn en zielepijn.
Hij was opgestaan, maar ook Truida Uys was opgestaan.
"Laat u niet tyrannizeeren," riep, neen, gìlde de stem in haar
binnenste.
"Ik blijf in Natal," zeide ze met vaste, koele stem.
Hij greep zijn hoed. "Is dat uw laatste woord?" vraagde hij
langzaam. "Kiest gij Natal boven mij?"
Zij antwoordde niet, en hij verwachtte geen antwoord.
"Kom, Pluto," zeide hij, "wij zijn hier uitgepraat," en snel verliet
hij het vertrek en de woning.
Doch toen de deur met een harden slag achter den jongen jager
dichtsloeg, kwam Truida plotseling tot bezinning. Zij deelde zijn
inzichten niet, maar zij kon zijn gedrag verklaren. Zij verstond
iets van den hartstocht, waarmede zijn eerlijk hart kampte voor de
vrijheid van zijn volk, en de alle perken te buiten gaande uitlatingen
der brooddronken lanciers moesten hem diep, diep hebben gewond.
Zij wilde opspringen en hem nasnellen, maar zij had een gevoel, alsof
al haar leden gebroken waren, en zij zeeg neer in een stoel. Doch
dat was slechts een voorbijgaand oogenblik. Nu rees zij werkelijk op,
en snelde de deur uit.
Op het erf bleef zij even aarzelend staan, doch vlug sloeg zij de
rijlaan in, en bereikte den hoofdweg.
Nu riep zij den naam van den geliefde, maar haar stem ging
machteloos verloren in den storm, die over de velden raasde, en in
de donderslagen, die de bergen van Natal deden beven.
De regen kletterde haar in het gelaat, en vol angst staarde zij in de
ondoordringbare duisternis. Doch daar kliefde een bliksemstraal een
cypressenboom in haar nabijheid, en bij dat licht--zag zij hem naderen.
Het hart sloeg haar tot in de keel, en hare brandende oogen staarden
opnieuw in de tastbare duisternis. Zoo wachtte zij dan, roepend:
"Louis, hier ben ik--Louis!"
Maar een vriendelijke hand legde zich op haar schouder, en een
medelijdende stem zeide: "Het is Louis niet, kind."
Toen merkte zij, dat het haar vader was.
"Kom mee naar huis, mijn dochterke," zeide hij vriendelijk, "en vertel
mij, wat er gebeurd is."
Zoo kwamen zij thuis.
De oude huishoudster had het licht aangestoken, en wilde naar bed,
doch vader en dochter bleven op. En de oude Arend Uys liet zijn
dochter uitspreken en uitschreien, en hij schoof haar een stoof toe,
en zij zat weer aan zijn knieën als in de dagen van ouds, toen hij
haar zijn klein, lief dochterke noemde.
Hij wierp er ook geen woord tusschen in, maar nu en dan ging zijn hand
vol vaderlijke teederheid over haar dicht, kastanjebruin haar. Niemand
zou vermoed hebben, dat er zooveel teederheid kon schuilen in dezen
stillen man, maar hij had zijn dochter lief, en de liefde maakt
teeder. En toen zij was uitgesproken, en hare betraande wimpers
opsloeg tot haar vader, nam deze de wangen van zijn dochterke
tusschen zijn groote, ruwe handen, en zeide mild en troostend:
"Gij hebt uw nood geklaagd aan uw aardschen vader--klaag hem nu ook
aan uw hemelschen Vader. En ga dan slapen, mijn dochterke--want zie,
alles zal recht komen!"