Den volgenden morgen terwijl de heer de Géran op zijn kantoor zat kwam
Thoren van Hagen bij hem binnen.
»Ik moet u spreken, mijnheer de Géran!” zoo begon hij met een zeer
ernstig gezicht.
»Nu, ik luister, Thoren, wat heb je op ’t hart?”
»Om te beginnen wil ik u bekennen dat het mij zeer verwondert als lid
uwer familie opgenomen te zijn zonder dat u eenige vraag heeft gedaan
over mijn toekomst, mijn middelen van bestaan, mijn fortuin.”
»Waartoe zou ’t dienen? Corona is rijk en kan met den armsten bedelaar
trouwen als hij haar bevalt. En wat uw toekomst betreft, zij is oud en
wijs genoeg evenals u om die samen te regelen.”
»Ik moet u bekennen dat we over dit belangrijke punt nog zeer weinig
gesproken hebben maar ik heb er toch over nagedacht. Die voortdurende
werkeloosheid deugt niet voor mij, ik moet iets te doen hebben en vraag
u daarom mij een opzichtersplaatsje ergens op uw landen te geven, waar
ik gelegenheid heb met de koffiecultuur bekend te raken.”
De Géran zag hem aangenaam verrast aan.
»Is je dat meenens, Iwan?”
’t Was voor ’t eerst dat hij zijn aanstaanden schoonzoon bij den
voornaam noemde.
»Natuurlijk, papa!” antwoordde hij er dadelijk kordaat op.
»Ga zitten, ik moet je spreken; met dat te vragen, vervul je een van
mijn liefste wenschen. Ik ben niet jong meer, ik zie er kras uit voor
mijn leeftijd, in Europa zou ik mij misschien nog voor 30 jaar kunnen
verzekeren, maar Inlandsche kinderen worden niet oud; mijn hart is
daarenboven niet in orde, ik kan ’t nog eenige jaren volhouden, maar
evengoed kan het morgen gedaan zijn.”
»Dat zou ik en een ander ook kunnen zeggen.”
»Maar niet met hetzelfde recht als ik. Welnu, je hebt gezien, wat een
belangrijke onderneming de mijne is; ik heb de bezitting van mijn vader
aanmerkelijk vermeerderd; de erfenis, die ik elk mijner kinderen nalaat
is even groot als die ik alleen van hem ontving. Ik kan even trotsch
zijn op mijn erfgoederen als de graven de Géran het eens waren op de
hunne, maar na mijn dood wordt alles versnipperd; het werk, waarvoor ik
jaren lang arbeidde, zal in mekaar storten zoodra ik er niet ben,
wanneer de leidende gedachte, het besturende hoofd ontbreekt.”
»En u heeft zoovele zoons en schoonzoons?”
»Ik heb ze werkelijk maar hier overtreft de hoeveelheid de
hoedanigheid! Wien zou je als mijn opvolger kunnen aanwijzen? August is
een nauwkeurig werkende machine, Guillaume een lichtzinnige knaap met
een verkwistende, onverstandige vrouw, Portias een onpractische artist,
Akkeveen een bekrompen huistyran; Conrad is vlug en ernstig vooral nu
zijn vrouw hem verstandig weet te leiden, mettertijd zou ik van hem
iets kunnen maken, maar op het oogenblik is hij nog te jong; er staan
te veel boven hem in anciënniteit, de jongeren met Philip aan het hoofd
komen natuurlijk in ’t geheel niet in aanmerking. Ware Corona een man
geweest....”
»Daar had ik veel tegen gehad,” schertste Iwan.
»Zij weet meer van de zaken dan een der jongens, die altijd in de
koffietuinen rondloopen, Coen misschien uitgezonderd, maar ze vreezen
haar meer dan ze van haar houden. Wanneer ik er niet meer was, zou zij
met veel tegenstand moeten kampen, zij zouden haar alles misgunnen,
zelfs wat haar wettig toekomt.”
»Maar ik ben er nog!”
»En dat stelt me gerust, daarom, Iwan, is mij je voorstel zoo welkom.
Ik acht je volkomen berekend mijn plaats in te nemen, Corona bij te
staan, goed te maken, waar zij, door de eigenaardigheden van haar
karakter, de anderen voor het hoofd stoot en van zich vervreemdt. Ik
zal je op de hoogte brengen van den stand mijner zaken en dan mijn
testament zoo inrichten...”
»Maar, mijnheer de Géran, waar denkt u aan? Ik zou me dringen in uw
zaken, ik zou iets vóór krijgen op uw andere kinderen?”
»Rechten maar ook zware plichten, Iwan, die ik alleen op uw schouders
kan leggen; wees echter gerust, ik zal niets beschikken zonder je te
raadplegen, zonder je volkomen instemming.”
»U is te goed, u denkt te gunstig over mij!”
»Ik geloof dat je alle bekwaamheid er toe zult bezitten, als de wil
niet ontbreekt.”
»Maar u begrijpt toch wel, dat ik de geheele kolonie niet als een kudde
gehoorzame schapen zal kunnen leiden?”
»Waarom niet? Je bent Corona geheel meester geworden, haar, die nooit
iemand vreesde of gehoorzaamde, zelfs mij niet en je zoudt geen
overwicht over die kwâjongens kunnen verkrijgen, vooral wanneer mijn
testament er je wapens toe gaf?”
»Hoor eens, papa, het oogenblik is naar we hopen nog ver verwijderd,
dat u er aan denken moet, de macht, die u zoo goed in handen heeft, aan
een ander over te laten. ’t Is mijn bedoeling niet geweest op uw land
eenigen invloed te verkrijgen; ik vraag u een betrekking hoe klein ook,
alleen omdat ik voel dat ik iets te doen moet hebben, dat, wanneer mijn
plichten als bezadigd, getrouwd man beginnen, ik een steun moet hebben,
om niet te wankelen en mijn ellendige zucht tot verandering te
overwinnen.”
»Dat waardeer ik dubbel in je, Iwan, en dit besluit versterkt mij in
mijn plan; straks rijd ik naar Kaboelen waar de koffiepluk begint. Ga
je met mij mee?”
Na dien dag reed Iwan dagelijks met zijn aanstaanden schoonvader uit,
die hoe langer, hoe meer ingenomen met hem raakte, wanneer hij
gelegenheid had zijn vlug verstand en helder inzicht te bewonderen.
Corona was zeer tevreden met de voorkeur, die haar vader hem bewees;
daarbij was Iwan, nu hij iets te doen en te denken had, veel rustiger
en voor haar als het kon nog vriendelijker en hartelijker. Eens zeide
hij haar lachend:
»Ik heb nu geen tijd meer om onschuldige, heilige apen dood te schieten
en ik moet zeggen, deze bezigheid bevalt mij beter en wat denkt »my
darling” er van?”
Corona schertste terug maar toch was zij niet heel tevreden; een
lastige vraag hield haar steeds bezig en toen zij den zondag daarop in
Djantong kwam, waar Hermelijn en Conrad op allerliefste wijze de eer
van hun huis tegenover de gasten ophielden, was zij verstrooid en
afgetrokken.
»Wij willen een echt Hollandsch dinétje aanleggen, Coen,” had Hermelijn
gezegd, »als het je nationaal gevoel niet kwetst, Franco Indiaan.”
»Je volk is mijn volk, Hermelijn, zooals jij ’t doet, zal het ’t beste
zijn,” antwoordde hij lachend.
»Zie zoo, dat is nu eerst verstandig gesproken maar je moet mij helpen
hoor, je teekent zoo mooi, maak nu de menu’s maar eens klaar. ’t Is het
bruidsdiné, dat we teruggeven, moet je bedenken.”
De tafel was smaakvol aangericht, met groote bouquetten, wuivend van de
pluimen der tjemara’s, de menu’s waren keurig uitgevoerd en de
plaatsen, aan de verschillende gasten uitgedeeld, wel gekozen.
Hermelijn zag er allerliefst uit; om haar hals droeg zij niets dan een
zilveren ketting, die Conrad voor haar gekocht had, zijn eerste
geschenk en haar daarom boven alles dierbaar. Wit en zwart waren haar
hermelijn-achtige kleuren weder en zooals zij daar in haar
bedrijvigheid de gastvrouw speelde, telkens met woord en wenk, Conrad,
die zijn oogen niet van haar kon afhouden, aan zijn plichten van
gastheer herinnerend, kon het niet anders of ieder moest zich tot het
jonge, gelukkige paar aangetrokken voelen, dat de grootste zaligheid
genoot, die er wellicht op de wereld bestaat: innige liefde, geheiligd
en verheven door het huwelijk.
Dolly was ook tegenwoordig tot Hermelijn’s groote vreugde, maar men kon
’t haar aanzien dat zij zich in het vroolijke, opgewekte gezelschap
niet op haar plaats voelde en dat haar gedachten ver van daar
vertoefden bij het kleine, met bloemen bedekte grafje van haar Nonnie.
Iwan was opgewonden vroolijk, hij noemde Hermelijn niet anders dan
zusje en scheen vol attentiën voor haar; onder het dessert stond men op
en hij rustte niet voor zij, ondanks haar vermoeidheid en
huishoudelijke zorgen, beloofde te zullen zingen. Hij verliet Corona’s
zijde om met haar muziek uit te zoeken en haar bladen om te slaan.
»Ik zal mij maar met jou troosten, Conrad,” zeide Corona met een
gedwongen glimlach, »mijn man en je vrouw amuseeren zich naar ’t
schijnt, uitstekend met mekaar.”
»Och, Hermelijntje mag wel eens wat afleiding hebben na alle moeite,
die ze gehad heeft om mij tot een dragelijken gastheer te plooien.”
»’t Hindert je dus niet als ze zoo druk met een ander bezig is?”
»Waarom zou ’t mij hinderen?”
»Ik dacht dat je zoo jaloersch was.”
»Zeker zou ik dat wezen, als er reden toe bestond, maar ik acht mijn
vrouw te hoog dan dat ik achterdochtig mag zijn.”
Corona beet zich op de lippen, maar zij bleef zitten en zag hen met
gefronsde wenkbrauwen aan.
»Laat Corona niet zoo alleen,” fluisterde Hermelijn Iwan toe, nadat ze
toevallig dat sombere gezicht had gezien, »ik geloof niet dat ze het
graag heeft.”
»Dat broer en zusje met mekaar spelen? Kom, zij is verstandiger.”
»Verbeeld je eens, wat ze mij vroeg, of ik je den raad had gegeven werk
te vragen aan papa?”
»Ze ziet in je een soort beschermengel naar ’t schijnt en mij acht ze
tot weinig goeds in staat.”
Hermelijn stond op en vroeg Corona of zij niet wilde spelen.
»Ik heb mijn instrument niet bij me,” antwoordde zij koel en kort.
»Maar Coen heeft ook een viool.”
»Dank je, ik laat ieder graag het zijne,” werd niet zonder bedoeling
gezegd.
»Kan je voorgalerij een dansje lijden, zus Hermeline?” vroeg Guillaume.
»Welzeker, Hermine gaat spelen,” zei Conrad.
»Ik had nogal gehoopt het eerste dansje met haar te doen.”
»Dan heb je verkeerd gehoopt, want ’t is beter dat we in ’t geheel niet
dansen. Het zou Dolly hinderen.” Aan zulk een kieschheid zou geen der
talrijke Gérans ooit gedacht hebben; zij drongen echter niet verder aan
en eerbiedigden de redenen der gastvrouw.
Iwan naderde zijn aanstaande weer, maar zij was niet goed te spreken,
haar gelaat stond strak tot zijn groote ergernis; hoe zeer hij ook van
verandering hield, veranderlijk humeur van een vrouw vond hij de
vervelendste van alle vervelingen en strafte er haar voor, door zich
gedurende den loop van den avond met Kitty, Margot en zelfs Dolly bezig
te houden en zich weinig om haar te bekommeren totdat het oogenblik van
heenrijden aanbrak.
Conrad en Hermelijn waren kinderlijk blijde, dat alles zoo goed
afgeloopen was; zij hadden onuitputtelijke stof tot opmerkingen over ’t
geen men gezegd had om hun dinétje te prijzen. Hermine volgde het
voorbeeld niet van andere gastvrouwen, die onweerstaanbaar bekoorlijk
zijn, zoolang de gasten aan tafel zitten en het huis vol vreemden is,
maar nauwelijks staan zij weer alleen tegenover haar man of het masker
van lieftalligheid valt af en een uitgeputte, geeuwende, ontevredene
vrouw zit op dezelfde plaats, waar zoo straks nog de beminnelijkste
lachjes, de geestigste zetten werden ten beste gegeven. Zoo was
Hermelijn’s tweede moeder geweest, en zij had daarmede haar goeden man
en stiefdochter dikwijls onuitsprekelijk geërgerd.
Conrad No. 1 in alles was haar leus en haar eerste beweging was hem om
den hals te vallen en te zeggen:
»Ik vind ze allen heel lief en heel aardig, ik ben blij dat ze zich
geamuseerd hebben, ik verveelde mij ook niet, maar met mijn lief ventje
alleen, is het voorloopig nog het beste.”
»Ja voorloopig en dan krijgt het ventje misschien een geduchten
mededinger, dan wordt hij voor één ander nog kleiner ventje
achteruitgeschoven.”
»Beste man, wees daar niet bang voor, Coen is en blijft No. 1 al zou
hij ook gevaar loopen No. 13 te worden. Je weet, wat we laatst in
Gijsbrecht lazen:
»De man is zelf het hart...”
»Ja, ik vond die laatste scène het mooist en het meest geschikt om een
boel vervelende dingen te vergeten. Zal je dat altijd denken,
Hermelijn, altijd van je armen Coen?”
»Altijd, en dan zullen ze ook van ons kunnen zingen:
»Waar werd oprechter trouwe, en de rest.”
Terwijl die twee kinderen zoo vol liefde en geluk hun feestje
herdachten en niet vermoedden, hoe vele hartstochten van minder edele
soort daardoor waren opgewekt, reden de gasten in verschillende
stemming huiswaarts.
De oude heer De Géran was er niet geweest, hij hield niet van diné’s en
de doktoren hadden hem een zeer strengen leefregel voorgeschreven, dien
hij nauwkeurig volgde; Corona en Iwan zaten met Kitty en Portias in de
open landauer, die onder den rijk met sterren bezaaiden hemel snel
huiswaarts reed. Corona klaagde over hoofdpijn, Kitty had slaap, zij
kon ’s avonds niet rijden of zij sluimerde in. Portias en Iwan hadden
het druk over een muziekquaestie; Thoren van Hagen sprak met zeer veel
gloed over het spel eener actrice, die hij als de Walküre in Wagner’s
Ring der Nibelungen had bewonderd. Corona luisterde met ingehouden
verontwaardiging naar zijn woorden.
De jalouzie was in haar hart geslopen en het veelhoofdige monster, dat
zij gastvrijheid verleende, strekte zijn klauwen naar alle zijden uit
om voedsel te bemachtigen.
In het tweede rijtuig zaten Akkeveen, zijn vrouw, August en Guillaume,
die hun echtgenooten thuis hadden gelaten. Akkeveen was ook jaloersch
maar op een andere wijze dan Corona.
»Als het zoo voortgaat, raken we Cor in het geheel niet kwijt,” zeide
hij, »natuurlijk zullen ze hier blijven wonen en Thoren van Hagen
krijgt alles te zeggen zoodra de oude heer valt. Dat schijnt de toeleg
te zijn, ik heb ’t sinds lang gemerkt, natuurlijk is dan Hermine de
tweede...”
»Een allerliefst wijfje,” mompelde Guillaume.
»Maar een gevaarlijk nest, hoe onschuldig zij er uitziet. Ik begrijp
haar plannen; berekenend als dat ding is! Eerst heeft ze haar man om
den vinger weten te draaien, toen bewerkte zij haar.... haar vriend zal
ik maar zeggen, om Corona ten huwelijk te vragen, daardoor kreeg ze
vasten voet in het groote huis....”
»Foei, Akkeveen, je weet er niets van!”
»Vrouw, bemoei je niet met dingen, die te ver boven je horizont liggen.
Je zult zien dat de oude—ik weet dat hij druk brieven wisselt met
notaris van Gool te Samarang—een testament maakt, waardoor wij allen
achteruitgezet en als het ware vassallen worden van koning Iwan en
koningin Corona. Je weet dat de erfpacht spoedig ten einde loopt, het
zal me niets verwonderen of die zal op naam van Thoren van Hagen worden
overgeschreven.”
»Massa, te erg!” riep August uit.
»Je zult het zien! Ik waarschuw je en dat weet het lieve Hermelijntje
drommels goed.”
»Neen, dat geloof ik niet.”
»Kom Guillaume, wees nu niet zoo idealistisch vertrouwend; ze is een
slimme vogel, ik heb ’t gemerkt toen ze bij ons logeerde. Wat heeft ze
niet uit een steen als Conrad vonken weten te slaan; zij tracht nu Iwan
op haar zijde te krijgen.”
»En daardoor Corona zeker te bekoren, de beste manier,” voegde Dolly er
zacht tusschen.
»Laat haar begaan, zij kent haar spel, die heks; let maar op, als de
oude optrekt....”
»Ik verzoek je op een anderen toon over mijn vader te spreken,
Akkeveen.”
»Aan wien je zooveel verplichting, hebt, hé! Wij zitten hier onder ons
drieën, August, Guillaume en ik, we heeten dezelfde rechten te hebben
als Conrad en nu vraag ik je, wanneer zou ’t in ons hoofd opgekomen
zijn, zoo’n diné te geven en zoo’n feest? Dat kunnen ze niet van hun
tractement hebben gedaan, onmogelijk. En wat ziet hun huis eruit!
Vergelijk er onze barakken bij!”
»Daar is een goede reden voor!” hernam Dolly, »Hermine heeft er slag
van, veel met weinig te doen. Haar diné was zoo kostbaar niet maar
alles zag er frisch en mooi uit door haar arrangement; en wat de
meubels betreft, Corona’s eigen smaak heeft alles ingericht, terwijl
August en Akkeveen verkozen het geld in handen te krijgen en zelf te
koopen; wij weten ook hoe netjes Wilhelmshöhe in orde was bij
Guillaume’s trouwen.”
»En hoe Toetie alles later verslorderd heeft. ’t Is treurig maar waar,
Dolly!”
»Hoe ’t ook is, spreek me niet tegen als het je belieft. Is ’t waar of
niet, dat Thoren dagelijks den ouwe als een schoothondje volgt, dat hij
tracht zich op de hoogte van de zaken te stellen, dat Corona hem
behandelt als ware hij Zijn Majesteit in persoon en dat Coen en Hermine
zich veel meer bij hen aansluiten dan bij ons.”
»Ze wonen ook het dichtste bij het groote huis.”
»En we weten hoe Hermine vroeger tegen Cor was. We hebben ’t niet
vergeten, Guillaume, hoe ongenadig zij haar bij dat feest bedankte voor
de eer een japon van haar te ontvangen.”
»Dat was alleen om Coen zand in de oogen te strooien en nu zij van hem
een marionet gemaakt heeft, nu zet ze zeilen bij en vleit Corona en
Iwan. O ’t is een volleerde diplomate.”
»Als het uit diplomatie is, dat zij gehandeld heeft, dan krijg ik
respect voor haar bekwaamheid, maar niet voor haar karakter.”
»Ze kon niets anders doen,” sprak Dolly.
»Je bent er buiten, vrouw, ik acht het mijn plicht de broers te
waarschuwen. Als de ouwe zijn testament gemaakt heeft en vandaag of
morgen komt te sterven, dan is het te laat maatregelen te nemen.”
»Er is niets tegen aan te doen. Apa bolé boeat!” zeide, met volkomen
berusting, August.
»Als je met dat ellendige stopwoord komt, dan sta jij spoedig met je
dozijn kinderen op straat, August, en Guillaume is er nog erger aan
toe, Hermelijn kan Toetie niet uitstaan.”
»En Cor jou nog minder! Ik geloof als August, we hebben niets te doen
dan te wachten en te vertrouwen op papa’s eerlijke onpartijdigheid.”
»Daar hebben we mooie bewijzen van gezien, ons leven lang. Papa is
groot en Corona is zijn profeet, haar en haar grillen zijn hem alles,
nu is de laatste gril een man. Goed, dan worden wij er aan opgeofferd.”
»Tracht ook in haar gunst te komen.”
»Tot kruipen neem ik nooit mijn toevlucht.”
»Laten wij het papa dan ronduit zeggen,” zeide Guillaume, »hem onze
belangen voordragen. Een prettig werk is ’t niet maar wij zijn
huisvaders en ’t dus aan onze kinderen verplicht, in hun belang de
noodige maatregelen te nemen.”
»Dank je wel!” verklaarde August beslist.
»Hij is de oudste zoon en hij durft niet. ’t Zal ook niets geven;
wanneer die twee iets beslist hebben is er geen vinger tusschen te
steken. Als dat huwelijk belet kon worden....”
»Laat dan liever den Merawoe onderste boven zetten.”
»’t Is moeilijk Guillaume, ik beken ’t....”
»En ’t zou slecht wezen ook,” onwillekeurig schoof Dolly wat verder van
haar man af, »het geluk van twee menschen te verwoesten, die meenen dat
ze voor elkaar bestemd zijn.”
»Sentimentaliteit laten we buiten spel, waar het zaken geldt, maar dat
is zeker, we hebben altijd verlangd dat Cor zou trouwen, en nu zij ’t
gaat doen, ware het beter als ze hem nooit gezien had, voor ons
natuurlijk! Voor haar, dat is me vrij onverschillig.”
»Zij heeft er zoovelen gelukkig gemaakt, het wordt tijd, dat zij voor
zichzelf gaat zorgen,” zeide Guillaume met zooveel bitterheid in zijn
stem, als er in zijn hart aanwezig was.