XXVII.

Op een half uur afstand van het »groote huis” lag een Javaansch

kerkhof; de weg daarheen was kaal en slechts hier en daar met eenige

klapper- en arengboomen omzoomd; tusschen den weelderigen plantengroei,

die van alle kanten Ngaroengan omringde, maakte deze kalkachtige, in

het zonlicht verblindend witte weg een zonderlingen indruk; over het

kerkhof echter lag koele schaduw.

De gambodja, de bloemdragende graf- en treurboomen der Javanen, wierpen

de schaduw van hun schier bladerlooze takken tegelijk met hun duizenden

witte bloemen, over de eenvoudige graven. Hun sterke eigenaardige geur

vervulde de lucht; de talrijke graven zijn alle even eenvormig en

verlaten, van vier zijden door een balkje begrensd, wijst een kort

paaltje slechts de plek aan, waar het hoofd der dooden rust; geen

andere tooi siert de koeboeran [59] dan de neervallende regen der

gambodja bloemen.

Op het einde staat een meer versierd graf, door een dakje van atap

overdekt en met offergaven, uit rijst, vruchten en plita’s [60]

bestaande, versierd. ’t Is dat van een hadji [61], wellicht twee eeuwen

geleden daar gestorven; een man zoo heilig dat zelfs tijgers eerbied

voor hem hadden en zijn lijk ontzagen.

Een oude vrouw, afzichtelijk zooals de Javaansche Nènèks [62] er uit

kunnen zien, hinkte langs de graven, tot zij aan de heilige koeboeran

kwam: zij leunde op een stok, haar kleeren waren oud en versleten al

hingen zij nu juist niet in flarden langs haar leden. De sarong hoog

opgebonden liet een paar bruine, knokelige staven zien, die beenen

verbeeldden, daar zij uitliepen in voeten met ver uitstaande teenen; de

badjoe [63], met de gebruikelijke split op de borst, was ook veel te

kort en liet een verdroogd zwart vel zien, dat los en gerimpeld over

het gelaat hing, waarin een voorstander der zoogenaamde apentheorie

misschien bewijzen voor zijn leer kon vinden. De neus was plat en van

wijde gaten voorzien, de mond afschuwelijk, de lippen gebarsten en

blauw paars gekleurd; de schaarsche haren van een vuil grijswit waren

in een kleine knoop samengebonden, en lieten den kalen kruin geheel

bloot.

In een harer dorre handen droeg zij een van pisangbladen gevlochten

korfje, waarin vruchten en bloemen lagen, die zij op de heilige plek

neerlegde terwijl zij op de hurken ging zitten, een »slamat” [64]

maakte, en haar door talrijke hoofdbuigingen en op en neer wiegen van

de toegevouwen handen, vergezelde sembayang [65] begon. Zij mompelde

daarbij iets met een eentonig geluid, tot zij eindelijk opstond en aan

het plukken ging van eenige kruiden, die tusschen de graven groeiden.

Eens sprong een kikvorsch tegen haar op, waarna zij het op een luid

geschreeuw en achteruit loopen zette, met een verwilderden blik rondom

zich heen ziende, om onmiddellijk weer haar oogst voort te zetten.

Toen zij het noodige bij mekaar had gebonden, strompelde zij het

kerkhof weer af, waar juist een Javaansche begrafenis aankwam; een

viertal Javanen met bloot bovenlijf en allen in een sarong gekleed, die

in niet onbevallige plooien langs de heupen viel, droegen de baar,

waarop de doode, alleen door een wit lijkkleed bedekt, rustte; paarse

en witte soelassa bloemen waren daarover gestrooid.

Twee andere Javanen hielden hun geopende zonneschermen over de

lijkbaar; daar achter ging de stoet, uit eenige mannen en kinderen

bestaande, die echter allen baadjes aanhadden, terwijl hun hoofden

evenals die der dragers met hoofddoek en tjaping [66] bedekt waren.

De oude vrouw ging stil en als vreesachtig op zijde; zij hield haar bos

kruiden in de hand en stapte, over het lage steenen muurtje, weer op

den weg; zij had daar slechts weinige stappen te doen, een smal voetpad

daalde aan den overkant bergaf; zij verdween tusschen de pisangboomen,

die het met hun breede, wuivende, langwerpige bladen overschaduwden.

Daar lag een klein dal, van drie zijden door roodachtige rotsen

ingesloten, waartusschen slechts betrekkelijk weinig planten groeiden.

Een kleine bamboezen hut stond er beschut tegen wind en stormen en ook

tegen de heftige zonnestralen, want zelfs midden op den dag was het

hier koel.

Voor de deur zat een magere knaap, rillend in zijn sarong gewikkeld;

zijn oogen stonden hol en zijn lippen, door geen sirih gekleurd, waren

bleek en bevend; zijn tanden schenen tegen elkaar te klapperen.

»Begiemana, Mas?” (»Hoe gaat het, schat?”) vroeg de Nènèk.

»Demem,” (koorts) was het lakonieke antwoord.

»Ik zal je wel beter maken, ik heb hier obat [67] voor je geplukt en

die zal zeker goed werken, want ik heb er een sembayang voor gedaan en

ik ben een begrafenis tegengekomen. Je zult zien wat goede djamoe[67]

ik daarvan maak.”

»Och grootmoeder, ’t zal me niet helpen. Ik ben op een vrijdag in den

klapperboom geklommen en toen heb ik ’s nachts de wéwéh [68] gezien,

die heeft het ’m gedaan en daar helpt niets tegen, niets!”

»Dat zou ik wel eens willen zien; of de wéwéh bestand is tegen mijn

obat.”

»Ik had liever, moeder, dat u de medicijn, die Nonna besaar [69] hier

gebracht heeft, niet had weggegooid; toen laatst sinjo Philip ziek was,

rilde hij ook als ik en de hollandsche toewan dokter gaf hem medicijn,

waardoor hij spoedig beter werd. Misschien is dat dezelfde.”

»Denk je dat de wéwéh niet boos is als men met obat-blanda [70]

aankomt? Ik heb zooveel vreemde kinderen genezen, zou ik mijn eigen

kleinzoon niet kunnen doen herstellen?”

»Och neen, spaar die moeite! ’t Helpt niets en ik wou zoo graag beter

zijn, nu rijdt de Nonna altijd met Gollok rond en hij heeft mijn

kleeren aan en Djankrik mijn paard raakt mij ontwend!”

»Wie weet, of je niet met Nonna op plaatsen geweest bent, die anker

(noodlottig) waren of je niet over een heilige koeboer geloopen hebt,

of gevischt in een gewijde bron. Ik weet niet, welke boschgeest door je

vertoornd is, en zoo moet ik het met allerlei djamoe’s probeeren.”

»Geef me toch hollandsche medicijn, Mak! De Nonna komt niet meer naar

me kijken, zij denkt niet meer aan mij. Gollok heeft mijn plaats

ingenomen; hij zal nu ook Sima zeker het hof maken ach! en zij had mij

toch beloofd na de poewassa [71] met mij te trouwen; de Nonna zou onze

bruiloft betalen!”

»Zoo zijn de Toewan Blanda allen, Djario, allen! Heb je niet gehoord

wat de Hadji laatst zei? Spoedig zal de tijd komen dat er alleen maar

Orang Slam [72] in de Negri Djawa [73] zullen zijn en dat de groote

Sheik Ibn-Moelem terug komt met de groene vlag.”

»Ik geloof ’t niet en zou het niet wenschen moeder! Ik heb liever met

orang blanda [74] te doen dan met onze wedono’s en onze loera’s [75].

Toewan en Nonna zijn goed voor ons als we maar werken willen, en die...

Mak weet, hoe zij vader naar de rantés [76] hebben gezonden.”

»Die Pangoeloe[75] was bedorven door de Blanda’s en jij bent het ook

Djario en tot straf daarvan heeft Toewan Allah je die ziekte

toegezonden, voor niets anders. Op een sedeka [77] ga je alleen om te

eten, zelf beken je dat, in plaats van naar de Missigit [78] te gaan,

je in een klapperboom hebt geklommen. Is het nu wonder dat je ziek

wordt!”

De oude heks betrad het armelijke door geen deur afgesloten huisje; een

baléh-baléh waarop de geheele familie, want er waren er nog meer,

sliepen, een opgerold matje, een kleine kerpek (koffertje), waarin hun

eenvoudige garderobe geborgen was, een paar aarden pannetjes en

komforen, een koekoesan om rijst in te koken, het onvermijdelijke

rijstblok met stamper, dat was het eenige meubilair.

Eenige Europeesche prentjes versierden alleen den gevlochten bamboezen

muur; Djario had ze bij de Blanda’s gevonden en daar opgehangen;

niettegenstaande de gewetensbezwaren zijner grootmoeder, die hun een

onheilspellenden invloed toeschreef, wilde hij ze niet verwijderen.

Toen zij haar kookgereedschap ging uithalen, gaf de oude vrouw

plotseling weer een reeks doordringende gillen.

»Alla-la-la-lak-Astaga!” schreeuwde zij luid, vreemde bewegingen met

haar handen makende, doch het scherpe geluid bracht niet den minsten

indruk op Djario teweeg; hij was er aan gewoon dat zijn grootmoeder

latah was, een soort van bij de Javaansche vrouwen veel voorkomende

opschrikkerigheid, die echter dikwijls in een soort van biologie

overgaat.

Jongeren drijven er soms een boos spel mede als zij een door latah

toevallen gekwelde vrouw, plotseling doen schrikken, gebaren voor haar

maken en gezichten trekken, die zij als door een onzichtbare macht

gedreven, tot in de kleinste bijzonderheden nabootst; nu was de schrik

alleen voortgekomen door de plotselinge verschijning van een oude,

leelijke kat, van het soort op Java koetjing-maling genaamd en wier

staart even als die harer meeste landgenooten door een knoop ontsierd

werd.

De oude vrouw ging buiten zitten op een laag bankje en plukte haar

kruiden af; de zon neigde ten ondergang, boven was het nog helder licht

maar in het dal vielen reeds schaduwen.

Onverwacht sprongen een paar Europeesche kinderen te voorschijn; men

wist niet van waar, en de Nènèk begon tot hun grootste pret weer met

haar latah-geroep; wie weet, welke grappen zij uitgehaald hadden indien

zij niet op den voet gevolgd werden door een groote, indrukwekkende

gestalte, op wier nadering de arme, zieke knaap en de schrikachtige

grootmoeder eerbiedig opstonden om dadelijk weer neer te hurken en hun

hoofd voor haar voeten ter aarde te buigen.

Het was Corona, die met een paar van het jonge volk haar zieken jockey

kwam bezoeken.

»Stil, kinderen,” gebood zij en sprak toen in het Javaansch grootmoeder

en zoon aan.

»Hoe gaat het, ben je nog niet beter, Djario,” vroeg zij zoo

medelijdend als weinigen het van haar zouden verwacht hebben.

»Ik mis je erg, Gollok is een slordige jongen, die meer aan spelen en

slapen denkt dan aan werken. Heb je mijn medicijn niet trouw

ingenomen?”

»O ja, maar alles is op,” antwoordde Nènèk snel.

»Nu Nèk, als het maar waar is; hier heb je een nieuw fleschje dat ik

zelf voor je heb klaar gemaakt, Djario! Drink daar nu ’s morgens en ’s

avonds van uit den lepel, dien ik je heb meegebracht; Baji,” zoo riep

zij tegen een Javaansch meisje, dat een mandje droeg. »Leg dat alles nu

daar neer! Hier is herten-dendeng [79] voor jou en hier zijn nog

pillen, daar moet je vier malen per dag van innemen, begrijp je.”

»Trima kassi, nona,” antwoordde Djario onderworpen.

»En kom nu niet met die djamoe’s aan Nènèk; je bent weer aan ’t plukken

geweest, ik zie ’t wel. Ik had Djario niet naar huis moeten laten gaan,

ik had hem bij ons moeten behandelen, dat was beter geweest.”

»Ze zijn niet voor obat,” hernam de Nènèk met gemaakte verlegenheid,

»ze zijn voor iets heel anders.”

»Waarvoor dan?”

»Niet voor sakit badan (lichaamskwalen) maar sakitatti (hartskwalen),”

zeide zij op geheimzinnigen toon.

»Malligheid,” sprak Corona glimlachend, »wat zal zoo’n drankje helpen

voor een ziek hart?”

»Nonna wil me niet gelooven, Nonna weet alles beter, Nonna wil geen

toewan Resident tot man hebben; de Toewan Besaar [80] alleen, zou goed

genoeg wezen voor Nonna en ik ben een oude Nènèk, dat weet ik wel, maar

toch komen de meisjes van de dessa’s dikwijls bij de oude Baboe

Tjioeng, en zelfs de Chineezen koopen haar obats. Zouden ze dat doen

als Nènèk slechte dingen verkocht, die niet hielpen?”

»En waarvoor helpen ze dan?”

Zij zat op het omgekeerd rijstblok en wendde snel het hoofd om daar de

kinderen bezig waren de kat op te jagen, die akelig miauwde; zij

verbood hen ’t dier te plagen en zag de afzichtelijke Nènèk weer

glimlachend aan.

»Nu Nènèk, misschien gebruik ik ze ook wel, als ik er aan geloof,” zoo

drong zij aan.

»Als de meisjes verlieven op een man, dien zij niet mogen trouwen en

die hun betooverd heeft, dan krijgen zij van mij een drankje dat zij in

hun drinkwater moeten doen, als zij altijd denken aan iemand, die niets

om hun geeft, dan heb ik een soort parem [81] welke hen die gedachten

doet verliezen of ze hem ook ingeeft; als haar liefste ontrouw wordt,

heb ik een andere djamoe.”

»Kan je mij iets geven, waardoor een man, zijn... zijn vrouw mooi en

lief vindt en van haar leert houden?”

»Die heb ik juist klaargemaakt; wil Nonna ze hebben?”

»Dank je, ik geloof er niet aan, ik vraag het maar. Zorg liever dat

Djario geregeld zijn medicijnen inneemt en de dengdengs trouw opeet,

dat zal hem krachten geven. Want ik sta er op, dat hij spoedig beter

wordt, hier heb jij je traktement van deze maand; ’t is je schuld niet

dat je ziek bent en ook Hollandsche ambtenaren krijgen verlof wegens

gezondheidsredenen met vol tractement.”

De oogen van den knaap schitterden, hij zag haar aan als ware zij zijn

godin, kroop voor haar voeten en kuste de plek, waarop zij stond.

»Kom Djario,” zeide zij vriendelijk, »maak zooveel beweging niet! Neem

trouw in, dan kan je me weer vergezellen; in je mooi jockeypakje, dat

Gollok volstrekt niet staat.”

Zij riep de jongetjes en verliet het dal:

»Zuster,” sprak Alain haar bleekneuzig stiefbroertje. »Ik ben bang

voorbij het kerkhof te gaan.”

»Foei, van wie heb je die dwaasheid geleerd? Weet je niet dat wij

overal in God’s hand zijn en dat dooden geen kwaad meer kunnen doen?”

»Maar de geesten?”

»Dat is Inlandsch bijgeloof, waaraan een Christenkind niet gelooven

mag.”

»Jantje heeft van zijn mama gehoord!”

Corona fronste haar wenkbrauwen, zooals zij gewoonlijk deed, wanneer

zij zich ergerde en zij dacht:

»Poppie is erg bijgeloovig; Nènèk Tjioeng is vroeger haar baboe

geweest; zij heeft van haar al die inlandsche knoeierijen leeren maken.

Zou hij waarlijk denken, dat ik aan dien rooden hond geloofde? Ik

schaam er mij voor en ’t is toch zoo, wat ik ook aan die kinderen zeg!”

Zij ging snel vooruit en hield haar broertje aan de hand; de duisternis

viel in, de gambodja bloemen vervulden de lucht met hun welriekende

geuren, die echter in Indië steeds aan graven en lijken doen denken en

daarom onaangenaam aandoet.

Op den eenzamen weg, aan de eene zijde door sawah-velden omzoomd, aan

de andere, op eenigen afstand door het kerkhof van de koffietuinen

gescheiden, was niets te zien, mensen noch dier.

Corona voelde het handje van den knaap in het hare beven. Jantje liep

eenige stappen achter haar en amuseerde zich met al fluitend steenen op

de kraaien te werpen, die over de graven stapten, deftig als waren zij

Hollandsche bidders, en soms hun akelig gekras deden hooren.

»Wil je dat laten, Jan! Neem Alain’s andere hand!”

Jantje gehoorzaamde zijn tante, hoewel schoorvoetend; Baji, het kleine

meisje, volgde hen een paar stappen verder. Toen zij eindelijk aan den

uitersten grens van het kerkhof gekomen waren, waar de weg zich in

tweeën scheidde, de eene naar de vlakte, de andere naar huis, was het

bijna geheel donker geworden.

»Ik ga nooit meer zoo laat van huis zonder één van de heeren,” dacht

Corona, die ook min of meer angstig begon te worden, welk gevoel zij

vertolkte door het enkele woord »Mergilan” (griezelig.)

»Zijn we haast t’huis?” vroeg Alain klagend.

»Dadelijk! ventje, dadelijk,” troostte Corona.

»Kijk eens! Zuster kijk!” riep de knaap en wees naar voren. Corona zag

iets roods en vurigs door het gebladerte schitteren, en in de richting

van het kerkhof verdwijnen; meteen begonnen de kraaien angstig te

krassen en een huilend hondengeblaf vervulde de lucht.

»De kalang,” riep Baji, »Astaga!”

En de jongetjes grepen zich vast aan Corona’s kleeren. Zij huiverde en

voelde zich niets op haar gemak, maar met haar gewone geestkracht

overwon zij dat onwillekeurige angstgevoel.

»Komt kinderen! weest zoo dwaas niet! ’t zal een hond zijn, die een

stuk brandend stroo draagt of ’t is een kat, die ze geplaagd hebben. Er

zijn geen spoken, daar gelooven alleen domme menschen aan, kom, als je

zoo aan mijn kleeren hangt, kan ik niet voort en we moeten gauw t’huis

zijn. Je krijgt morgen middag ketan en kolak ketéla [82] te eten als je

flink voortstapt. We zijn vlak bij huis! Baji, hoû op met dat huilen,

of ik zal je moeder zeggen, dat ze je een pak slaag geeft!”

De kinderen liepen voort, nu beiden vastgeklemd aan haar handen; het

javaansche meisje zoo dicht mogelijk achter haar.

De weg ging opwaarts en met een kleine bocht kwam men achter in den

bloementuin uit; na weinige oogenblikken zag men de lichten van het

groote huis door het geboomte flikkeren.

»Zie jullie wel, daar zijn we t’huis,” zei Corona met een zucht van

verlichting naar het licht wijzend.

»Maar we hebben toch den kalang gezien!” verzekerde Jantje.

Hermelijn · 第 33 / 67 题