Op een half uur afstand van het »groote huis” lag een Javaansch
kerkhof; de weg daarheen was kaal en slechts hier en daar met eenige
klapper- en arengboomen omzoomd; tusschen den weelderigen plantengroei,
die van alle kanten Ngaroengan omringde, maakte deze kalkachtige, in
het zonlicht verblindend witte weg een zonderlingen indruk; over het
kerkhof echter lag koele schaduw.
De gambodja, de bloemdragende graf- en treurboomen der Javanen, wierpen
de schaduw van hun schier bladerlooze takken tegelijk met hun duizenden
witte bloemen, over de eenvoudige graven. Hun sterke eigenaardige geur
vervulde de lucht; de talrijke graven zijn alle even eenvormig en
verlaten, van vier zijden door een balkje begrensd, wijst een kort
paaltje slechts de plek aan, waar het hoofd der dooden rust; geen
andere tooi siert de koeboeran [59] dan de neervallende regen der
gambodja bloemen.
Op het einde staat een meer versierd graf, door een dakje van atap
overdekt en met offergaven, uit rijst, vruchten en plita’s [60]
bestaande, versierd. ’t Is dat van een hadji [61], wellicht twee eeuwen
geleden daar gestorven; een man zoo heilig dat zelfs tijgers eerbied
voor hem hadden en zijn lijk ontzagen.
Een oude vrouw, afzichtelijk zooals de Javaansche Nènèks [62] er uit
kunnen zien, hinkte langs de graven, tot zij aan de heilige koeboeran
kwam: zij leunde op een stok, haar kleeren waren oud en versleten al
hingen zij nu juist niet in flarden langs haar leden. De sarong hoog
opgebonden liet een paar bruine, knokelige staven zien, die beenen
verbeeldden, daar zij uitliepen in voeten met ver uitstaande teenen; de
badjoe [63], met de gebruikelijke split op de borst, was ook veel te
kort en liet een verdroogd zwart vel zien, dat los en gerimpeld over
het gelaat hing, waarin een voorstander der zoogenaamde apentheorie
misschien bewijzen voor zijn leer kon vinden. De neus was plat en van
wijde gaten voorzien, de mond afschuwelijk, de lippen gebarsten en
blauw paars gekleurd; de schaarsche haren van een vuil grijswit waren
in een kleine knoop samengebonden, en lieten den kalen kruin geheel
bloot.
In een harer dorre handen droeg zij een van pisangbladen gevlochten
korfje, waarin vruchten en bloemen lagen, die zij op de heilige plek
neerlegde terwijl zij op de hurken ging zitten, een »slamat” [64]
maakte, en haar door talrijke hoofdbuigingen en op en neer wiegen van
de toegevouwen handen, vergezelde sembayang [65] begon. Zij mompelde
daarbij iets met een eentonig geluid, tot zij eindelijk opstond en aan
het plukken ging van eenige kruiden, die tusschen de graven groeiden.
Eens sprong een kikvorsch tegen haar op, waarna zij het op een luid
geschreeuw en achteruit loopen zette, met een verwilderden blik rondom
zich heen ziende, om onmiddellijk weer haar oogst voort te zetten.
Toen zij het noodige bij mekaar had gebonden, strompelde zij het
kerkhof weer af, waar juist een Javaansche begrafenis aankwam; een
viertal Javanen met bloot bovenlijf en allen in een sarong gekleed, die
in niet onbevallige plooien langs de heupen viel, droegen de baar,
waarop de doode, alleen door een wit lijkkleed bedekt, rustte; paarse
en witte soelassa bloemen waren daarover gestrooid.
Twee andere Javanen hielden hun geopende zonneschermen over de
lijkbaar; daar achter ging de stoet, uit eenige mannen en kinderen
bestaande, die echter allen baadjes aanhadden, terwijl hun hoofden
evenals die der dragers met hoofddoek en tjaping [66] bedekt waren.
De oude vrouw ging stil en als vreesachtig op zijde; zij hield haar bos
kruiden in de hand en stapte, over het lage steenen muurtje, weer op
den weg; zij had daar slechts weinige stappen te doen, een smal voetpad
daalde aan den overkant bergaf; zij verdween tusschen de pisangboomen,
die het met hun breede, wuivende, langwerpige bladen overschaduwden.
Daar lag een klein dal, van drie zijden door roodachtige rotsen
ingesloten, waartusschen slechts betrekkelijk weinig planten groeiden.
Een kleine bamboezen hut stond er beschut tegen wind en stormen en ook
tegen de heftige zonnestralen, want zelfs midden op den dag was het
hier koel.
Voor de deur zat een magere knaap, rillend in zijn sarong gewikkeld;
zijn oogen stonden hol en zijn lippen, door geen sirih gekleurd, waren
bleek en bevend; zijn tanden schenen tegen elkaar te klapperen.
»Begiemana, Mas?” (»Hoe gaat het, schat?”) vroeg de Nènèk.
»Demem,” (koorts) was het lakonieke antwoord.
»Ik zal je wel beter maken, ik heb hier obat [67] voor je geplukt en
die zal zeker goed werken, want ik heb er een sembayang voor gedaan en
ik ben een begrafenis tegengekomen. Je zult zien wat goede djamoe[67]
ik daarvan maak.”
»Och grootmoeder, ’t zal me niet helpen. Ik ben op een vrijdag in den
klapperboom geklommen en toen heb ik ’s nachts de wéwéh [68] gezien,
die heeft het ’m gedaan en daar helpt niets tegen, niets!”
»Dat zou ik wel eens willen zien; of de wéwéh bestand is tegen mijn
obat.”
»Ik had liever, moeder, dat u de medicijn, die Nonna besaar [69] hier
gebracht heeft, niet had weggegooid; toen laatst sinjo Philip ziek was,
rilde hij ook als ik en de hollandsche toewan dokter gaf hem medicijn,
waardoor hij spoedig beter werd. Misschien is dat dezelfde.”
»Denk je dat de wéwéh niet boos is als men met obat-blanda [70]
aankomt? Ik heb zooveel vreemde kinderen genezen, zou ik mijn eigen
kleinzoon niet kunnen doen herstellen?”
»Och neen, spaar die moeite! ’t Helpt niets en ik wou zoo graag beter
zijn, nu rijdt de Nonna altijd met Gollok rond en hij heeft mijn
kleeren aan en Djankrik mijn paard raakt mij ontwend!”
»Wie weet, of je niet met Nonna op plaatsen geweest bent, die anker
(noodlottig) waren of je niet over een heilige koeboer geloopen hebt,
of gevischt in een gewijde bron. Ik weet niet, welke boschgeest door je
vertoornd is, en zoo moet ik het met allerlei djamoe’s probeeren.”
»Geef me toch hollandsche medicijn, Mak! De Nonna komt niet meer naar
me kijken, zij denkt niet meer aan mij. Gollok heeft mijn plaats
ingenomen; hij zal nu ook Sima zeker het hof maken ach! en zij had mij
toch beloofd na de poewassa [71] met mij te trouwen; de Nonna zou onze
bruiloft betalen!”
»Zoo zijn de Toewan Blanda allen, Djario, allen! Heb je niet gehoord
wat de Hadji laatst zei? Spoedig zal de tijd komen dat er alleen maar
Orang Slam [72] in de Negri Djawa [73] zullen zijn en dat de groote
Sheik Ibn-Moelem terug komt met de groene vlag.”
»Ik geloof ’t niet en zou het niet wenschen moeder! Ik heb liever met
orang blanda [74] te doen dan met onze wedono’s en onze loera’s [75].
Toewan en Nonna zijn goed voor ons als we maar werken willen, en die...
Mak weet, hoe zij vader naar de rantés [76] hebben gezonden.”
»Die Pangoeloe[75] was bedorven door de Blanda’s en jij bent het ook
Djario en tot straf daarvan heeft Toewan Allah je die ziekte
toegezonden, voor niets anders. Op een sedeka [77] ga je alleen om te
eten, zelf beken je dat, in plaats van naar de Missigit [78] te gaan,
je in een klapperboom hebt geklommen. Is het nu wonder dat je ziek
wordt!”
De oude heks betrad het armelijke door geen deur afgesloten huisje; een
baléh-baléh waarop de geheele familie, want er waren er nog meer,
sliepen, een opgerold matje, een kleine kerpek (koffertje), waarin hun
eenvoudige garderobe geborgen was, een paar aarden pannetjes en
komforen, een koekoesan om rijst in te koken, het onvermijdelijke
rijstblok met stamper, dat was het eenige meubilair.
Eenige Europeesche prentjes versierden alleen den gevlochten bamboezen
muur; Djario had ze bij de Blanda’s gevonden en daar opgehangen;
niettegenstaande de gewetensbezwaren zijner grootmoeder, die hun een
onheilspellenden invloed toeschreef, wilde hij ze niet verwijderen.
Toen zij haar kookgereedschap ging uithalen, gaf de oude vrouw
plotseling weer een reeks doordringende gillen.
»Alla-la-la-lak-Astaga!” schreeuwde zij luid, vreemde bewegingen met
haar handen makende, doch het scherpe geluid bracht niet den minsten
indruk op Djario teweeg; hij was er aan gewoon dat zijn grootmoeder
latah was, een soort van bij de Javaansche vrouwen veel voorkomende
opschrikkerigheid, die echter dikwijls in een soort van biologie
overgaat.
Jongeren drijven er soms een boos spel mede als zij een door latah
toevallen gekwelde vrouw, plotseling doen schrikken, gebaren voor haar
maken en gezichten trekken, die zij als door een onzichtbare macht
gedreven, tot in de kleinste bijzonderheden nabootst; nu was de schrik
alleen voortgekomen door de plotselinge verschijning van een oude,
leelijke kat, van het soort op Java koetjing-maling genaamd en wier
staart even als die harer meeste landgenooten door een knoop ontsierd
werd.
De oude vrouw ging buiten zitten op een laag bankje en plukte haar
kruiden af; de zon neigde ten ondergang, boven was het nog helder licht
maar in het dal vielen reeds schaduwen.
Onverwacht sprongen een paar Europeesche kinderen te voorschijn; men
wist niet van waar, en de Nènèk begon tot hun grootste pret weer met
haar latah-geroep; wie weet, welke grappen zij uitgehaald hadden indien
zij niet op den voet gevolgd werden door een groote, indrukwekkende
gestalte, op wier nadering de arme, zieke knaap en de schrikachtige
grootmoeder eerbiedig opstonden om dadelijk weer neer te hurken en hun
hoofd voor haar voeten ter aarde te buigen.
Het was Corona, die met een paar van het jonge volk haar zieken jockey
kwam bezoeken.
»Stil, kinderen,” gebood zij en sprak toen in het Javaansch grootmoeder
en zoon aan.
»Hoe gaat het, ben je nog niet beter, Djario,” vroeg zij zoo
medelijdend als weinigen het van haar zouden verwacht hebben.
»Ik mis je erg, Gollok is een slordige jongen, die meer aan spelen en
slapen denkt dan aan werken. Heb je mijn medicijn niet trouw
ingenomen?”
»O ja, maar alles is op,” antwoordde Nènèk snel.
»Nu Nèk, als het maar waar is; hier heb je een nieuw fleschje dat ik
zelf voor je heb klaar gemaakt, Djario! Drink daar nu ’s morgens en ’s
avonds van uit den lepel, dien ik je heb meegebracht; Baji,” zoo riep
zij tegen een Javaansch meisje, dat een mandje droeg. »Leg dat alles nu
daar neer! Hier is herten-dendeng [79] voor jou en hier zijn nog
pillen, daar moet je vier malen per dag van innemen, begrijp je.”
»Trima kassi, nona,” antwoordde Djario onderworpen.
»En kom nu niet met die djamoe’s aan Nènèk; je bent weer aan ’t plukken
geweest, ik zie ’t wel. Ik had Djario niet naar huis moeten laten gaan,
ik had hem bij ons moeten behandelen, dat was beter geweest.”
»Ze zijn niet voor obat,” hernam de Nènèk met gemaakte verlegenheid,
»ze zijn voor iets heel anders.”
»Waarvoor dan?”
»Niet voor sakit badan (lichaamskwalen) maar sakitatti (hartskwalen),”
zeide zij op geheimzinnigen toon.
»Malligheid,” sprak Corona glimlachend, »wat zal zoo’n drankje helpen
voor een ziek hart?”
»Nonna wil me niet gelooven, Nonna weet alles beter, Nonna wil geen
toewan Resident tot man hebben; de Toewan Besaar [80] alleen, zou goed
genoeg wezen voor Nonna en ik ben een oude Nènèk, dat weet ik wel, maar
toch komen de meisjes van de dessa’s dikwijls bij de oude Baboe
Tjioeng, en zelfs de Chineezen koopen haar obats. Zouden ze dat doen
als Nènèk slechte dingen verkocht, die niet hielpen?”
»En waarvoor helpen ze dan?”
Zij zat op het omgekeerd rijstblok en wendde snel het hoofd om daar de
kinderen bezig waren de kat op te jagen, die akelig miauwde; zij
verbood hen ’t dier te plagen en zag de afzichtelijke Nènèk weer
glimlachend aan.
»Nu Nènèk, misschien gebruik ik ze ook wel, als ik er aan geloof,” zoo
drong zij aan.
»Als de meisjes verlieven op een man, dien zij niet mogen trouwen en
die hun betooverd heeft, dan krijgen zij van mij een drankje dat zij in
hun drinkwater moeten doen, als zij altijd denken aan iemand, die niets
om hun geeft, dan heb ik een soort parem [81] welke hen die gedachten
doet verliezen of ze hem ook ingeeft; als haar liefste ontrouw wordt,
heb ik een andere djamoe.”
»Kan je mij iets geven, waardoor een man, zijn... zijn vrouw mooi en
lief vindt en van haar leert houden?”
»Die heb ik juist klaargemaakt; wil Nonna ze hebben?”
»Dank je, ik geloof er niet aan, ik vraag het maar. Zorg liever dat
Djario geregeld zijn medicijnen inneemt en de dengdengs trouw opeet,
dat zal hem krachten geven. Want ik sta er op, dat hij spoedig beter
wordt, hier heb jij je traktement van deze maand; ’t is je schuld niet
dat je ziek bent en ook Hollandsche ambtenaren krijgen verlof wegens
gezondheidsredenen met vol tractement.”
De oogen van den knaap schitterden, hij zag haar aan als ware zij zijn
godin, kroop voor haar voeten en kuste de plek, waarop zij stond.
»Kom Djario,” zeide zij vriendelijk, »maak zooveel beweging niet! Neem
trouw in, dan kan je me weer vergezellen; in je mooi jockeypakje, dat
Gollok volstrekt niet staat.”
Zij riep de jongetjes en verliet het dal:
»Zuster,” sprak Alain haar bleekneuzig stiefbroertje. »Ik ben bang
voorbij het kerkhof te gaan.”
»Foei, van wie heb je die dwaasheid geleerd? Weet je niet dat wij
overal in God’s hand zijn en dat dooden geen kwaad meer kunnen doen?”
»Maar de geesten?”
»Dat is Inlandsch bijgeloof, waaraan een Christenkind niet gelooven
mag.”
»Jantje heeft van zijn mama gehoord!”
Corona fronste haar wenkbrauwen, zooals zij gewoonlijk deed, wanneer
zij zich ergerde en zij dacht:
»Poppie is erg bijgeloovig; Nènèk Tjioeng is vroeger haar baboe
geweest; zij heeft van haar al die inlandsche knoeierijen leeren maken.
Zou hij waarlijk denken, dat ik aan dien rooden hond geloofde? Ik
schaam er mij voor en ’t is toch zoo, wat ik ook aan die kinderen zeg!”
Zij ging snel vooruit en hield haar broertje aan de hand; de duisternis
viel in, de gambodja bloemen vervulden de lucht met hun welriekende
geuren, die echter in Indië steeds aan graven en lijken doen denken en
daarom onaangenaam aandoet.
Op den eenzamen weg, aan de eene zijde door sawah-velden omzoomd, aan
de andere, op eenigen afstand door het kerkhof van de koffietuinen
gescheiden, was niets te zien, mensen noch dier.
Corona voelde het handje van den knaap in het hare beven. Jantje liep
eenige stappen achter haar en amuseerde zich met al fluitend steenen op
de kraaien te werpen, die over de graven stapten, deftig als waren zij
Hollandsche bidders, en soms hun akelig gekras deden hooren.
»Wil je dat laten, Jan! Neem Alain’s andere hand!”
Jantje gehoorzaamde zijn tante, hoewel schoorvoetend; Baji, het kleine
meisje, volgde hen een paar stappen verder. Toen zij eindelijk aan den
uitersten grens van het kerkhof gekomen waren, waar de weg zich in
tweeën scheidde, de eene naar de vlakte, de andere naar huis, was het
bijna geheel donker geworden.
»Ik ga nooit meer zoo laat van huis zonder één van de heeren,” dacht
Corona, die ook min of meer angstig begon te worden, welk gevoel zij
vertolkte door het enkele woord »Mergilan” (griezelig.)
»Zijn we haast t’huis?” vroeg Alain klagend.
»Dadelijk! ventje, dadelijk,” troostte Corona.
»Kijk eens! Zuster kijk!” riep de knaap en wees naar voren. Corona zag
iets roods en vurigs door het gebladerte schitteren, en in de richting
van het kerkhof verdwijnen; meteen begonnen de kraaien angstig te
krassen en een huilend hondengeblaf vervulde de lucht.
»De kalang,” riep Baji, »Astaga!”
En de jongetjes grepen zich vast aan Corona’s kleeren. Zij huiverde en
voelde zich niets op haar gemak, maar met haar gewone geestkracht
overwon zij dat onwillekeurige angstgevoel.
»Komt kinderen! weest zoo dwaas niet! ’t zal een hond zijn, die een
stuk brandend stroo draagt of ’t is een kat, die ze geplaagd hebben. Er
zijn geen spoken, daar gelooven alleen domme menschen aan, kom, als je
zoo aan mijn kleeren hangt, kan ik niet voort en we moeten gauw t’huis
zijn. Je krijgt morgen middag ketan en kolak ketéla [82] te eten als je
flink voortstapt. We zijn vlak bij huis! Baji, hoû op met dat huilen,
of ik zal je moeder zeggen, dat ze je een pak slaag geeft!”
De kinderen liepen voort, nu beiden vastgeklemd aan haar handen; het
javaansche meisje zoo dicht mogelijk achter haar.
De weg ging opwaarts en met een kleine bocht kwam men achter in den
bloementuin uit; na weinige oogenblikken zag men de lichten van het
groote huis door het geboomte flikkeren.
»Zie jullie wel, daar zijn we t’huis,” zei Corona met een zucht van
verlichting naar het licht wijzend.
»Maar we hebben toch den kalang gezien!” verzekerde Jantje.