De dagen kropen voor Hermelijn om; zoo zwaar had zij zich haar taak
niet gedacht. Conrad ging zijn eigen weg; ’s morgens vroeg vertrok hij
naar de koffietuinen, te paard of te voet, in het laatste geval met
zijn geweer op schouder. Tegen etenstijd kwam hij t’huis, wierp zijn
wild in de keuken en hield met de kokkie een conferentie over het
behandelen daarvan, trad in de achtergalerij, waar Hermelijn zat te
werken, zeide onveranderlijk zonder haar te noemen:
»Goeden dag”, waarop zij met een vriendelijk:
»Dag Conrad!” antwoordde.
Dan liet hij zijn bemorste schoenen of rijlaarzen door den knecht
uittrekken, ging met zijn groote honden spelen om zich een houding te
geven, totdat het eten was opgediend, nam van alles zonder zijn vrouw
iets aan te bieden, at zoo haastig mogelijk zijn bord leeg om haar
verder alleen te laten en zich in zijn kamer op te sluiten.
Hermelijn sprak geen woord, zij ging kort daarop eveneens naar binnen,
hetzij om huiswerk te doen, of om te lezen, want ook de bibliotheek in
Djantong was rijk voorzien en met zorg gekozen.
In de eerste dagen had zij genoeg te doen met haar koffers uit te
pakken en de duizend kleine nietigheden, waaraan haar hart hing, een
plaats te geven; een bitter oogenblik was het, toen zij de geschenken
uitpakte, welke zij met zooveel liefde voor Conrad had gemaakt. Maar
zij wilde zich niet laten verteederen, zij pakte ze bij elkander en
verborg ze in een der geheimste afdeelingen van haar kast.
Tegen vier uur was het theedrinkenstijd maar ook de thee moest zij
alleen gebruiken; Conrad op bloote voeten, in een kort Chineesch buisje
met pantalon van sarongstof, liep naar den stal, dresseerde de paarden,
liet zijn honden apporteeren, en kleedde zich tot haar groote ergernis
voor den middag niet beter. Zij ging zich baden en trok een harer
liefste toiletten aan, dan zette zij met een boek in de hand zich in de
voorgalerij op een wipstoeltje neer. Haar man vermeed haar zorgvuldig;
zij wist niet waar hij bleef, totdat om zeven uur het avondeten werd
voorgediend; dan zetten zij zich weer zwijgend tegenover elkaar; het
was een zonderling contrast, zij keurig als een voor een feest gekleed
vrouwtje, hij in zijn onbehoorlijk négligé.
Conrad’s oogen staarden grimmig voor zich uit; hij voelde zich niet op
zijn gemak, hij had gaarne iets gezegd, maar deed het niet. Na het
eten, nam hij een zaagmachine en ging aan het zagen van allerlei
knutselarijen, altijd even zwijgend, even boos. Reeds den tweeden avond
zette Hermelijn zich voor de piano en goot haar geheele ziel in de
tonen over; zij weende en smeekte, zij bad en hoopte. Conrad luisterde
soms met opgeheven hoofd maar dan flikkerde er een straal van toorn in
zijn oogen en hij begon verwoed te werken en met zijn machine zulk een
geweld te maken, dat het Hermelijn stellig zou gehinderd hebben wanneer
zij niet zoo verdiept was geweest in haar spel. Eindelijk om tien uur
verdween hij voor goed en Hermelijn trok haar mooie kleeren weer uit en
voelde zich zoo eenzaam, zoo verlaten, dat zij al haar geestkracht
noodig had om niet te bezwijken.
»Je moet niet denken, dat ik mij mooi zal gaan kleeden voor boomen en
beesten,” snauwde hij haar eens toe.
»Dat moet je zelf weten Conrad. Ik kleed me zoo om mij zelf en om
niemand anders.”
»Je bent even koket als je nicht.”
»Wanneer je dit koketterie noemt, dan zal ’t wel zoo wezen.”
»En ik blijf zoo gekleed.”
In de verte hoorde men paardengetrappel; de huisjongen kwam binnen met
het bericht dat toewan besaar [14] en de nonna in aantocht waren.
»Zal je nu volgens onze afspraak je gaan kleeden, Conrad?” vroeg
Hermelijn bedaard, »je begrijpt dat je mij geen grooter beleediging
kunt doen dan je vader en zuster in zulk een toilet naast mij te
ontvangen.”
»Trek je kabaja dan ook aan!”
»Dat ben ik ’s middags niet van plan ooit te doen. Denk aan onze
afspraak!”
Conrad stond besluiteloos, maar hij bedacht zich na een poos en ging
zwijgend heen.
Intusschen was een geheele cavalcade genaderd; aan het hoofd daarvan
reed de oude heer de Géran, nog kaarsrecht en ridderlijk, zooals zijn
vader de keizerlijke kolonel zeker eens vóór zijn regiment had gereden,
naast hem Corona op haar sneeuwwit paard; zij droeg een donkerblauwe
amazone en een hoed met lange afhangende veer; achter hem herkende
Hermelijn Thoren van Hagen, Guillaume en Conrad’s jongeren broeder
Philip.
Haar hart klopte van gemengde aandoeningen; zij was blijde
menschenstemmen te hooren, bekende gezichten te zien na de doodsche
stilte van haar bruidsdagen, maar zij schrikte terug voor een
ontmoeting met de bewerkers van haar ongeluk, van Corona bovenal. Zij
stapten af en Hermelijn ging hen met lachend gelaat tegemoet.
»Ik ben nieuwsgierig hoe dat veinzen mij afgaat,” dacht zij vol
bitterheid.
De oude heer de Géran gaf haar een vaderlijken kus; terwijl hij haar
eenigszins bezorgd aanzag.
»Gaat het goed, kind?” vroeg hij.
»O, zoo goed papa! Wat heeft u hier een heerlijk nestje voor ons
gebouwd!”
»Zoo bevalt het je, wel dat doet me genoegen, en Conrad?”
»O Conrad, is zoo’n lieve jongen, hij is nog niet gekleed, verbeeld u
eens!”
»En verwachtte je ons, dat je er zoo keurig uitziet.”
»Wel neen, maar Conrad wil me niet anders hebben.”
Corona had Thoren’s hand aangenomen bij het afstijgen, haar gelaat
schitterde van vreugde toen zij Hermelijn hoorde spreken.
»Wel lief zusje, ben je tevreden?”
»O ik ben u zoo dankbaar voor de ontvangst mij bereid, ik begrijp het
wel, alles heb ik u te danken; ik erken overal uw teedere zorg en ik
weet niet hoe mijn erkentelijkheid uit te drukken...” verzekerde zij op
een toon, die Thoren van Hagen plotseling den schrik om het hart deed
slaan.
Niemand anders vermoedde echter welke geheime beteekenis zij in die
woorden legde; zij was geheel de beminnelijke, vroolijke gastvrouw,
alleen voor hem, die haar goed kende, al te opgewonden om natuurlijk te
zijn, maar voor anderen, die nog niets van haar wisten, opgewekt, en
gelukkig zoo als elke jonge vrouw het in de schoonste dagen van haar
leven is.
»Heb je de piano reeds geprobeerd?” vroeg Corona.
»O zeker, alle avonden breng ik er een paar genotvolle uren aan door.”
»En Conrad?”
»Ik heb hem nog niet gehoord.”
»Hij speelt toch heel goed.”
»Maar nu luistert hij liever,” merkte Thoren van Hagen op.
»Wij krijgen je toch ook te hooren, Hermelijn! Zondag kom je den heelen
dag op ’t groote huis, dan is er zulk een drukte niet, want ze zijn
allen weg op de muzikanten na.”
»Bedoel je Portias en Kitty?”
»Ja, hij heeft nog geen huis, zij wonen in een paviljoen op ons erf. We
kunnen al die djankriks [15] niet onderhouden.”
»Je hebt ook reeds zooveel te doen! Corona, ’t is geen wonder dat je er
soms moe van wordt.”
»Och ja, maar ik doe het met genoegen.”
»O je dienstvaardigheid is boven allen lof verheven,” en zich tot haar
schoonvader wendend, »wat mag ik u aanbieden, vindt u niet dat bij zulk
een heugelijke gebeurtenis, als uw eerste bezoek ten huize van uw
kinderen, de champagneflesch wel mag opengetrokken worden? Coen geeft
me stellig gelijk.”
Zij riep den huisjongen en beval hem glazen en angor-poef [16] te
brengen; zij zag er vreemd uit, schooner dan ooit maar heel
verschillend van vroeger; er lag een nieuwe uitdrukking op haar gelaat,
men leert niet veinzen dan ten koste van zijn innigste, zijn heiligste
gevoelens.
Het gezelschap was vroolijk; Guillaume, die veel levendiger was dan
August, maar zooals alle Gérans er het zwijgen toedeed als vader en
zuster dicht bij waren, ging zijn broer opzoeken. Philip speelde met de
honden en Corona vroeg Hermelijn of zij dat en dat wel had opgemerkt,
of zij die bloemen niet recht Europeesch vond en of het haar keuze van
muziek was, die zij had getroffen, of de boeken haar bevielen en of de
sarongs niet mooi gebatikt [17] waren.
»Ik vind alles even volmaakt, even mooi! Ik herhaal ’t je Corona, ik
zelf had niet beter kunnen kiezen, o je bent de beste van alle
zusters.”
»’t Doet me pleizier, dat je het erkent, Hermelijn; zoo velen zijn er,
die mij niet verstaan, die mij bedoelingen toeschrijven, welke mij
altijd zijn vreemd geweest, en ik verzeker ’t je nogmaals, ik heb nooit
iets anders op ’t oog, dan het geluk van hen, die me lief zijn.”
»Zeker en daarom heeft u mij ook dit waarlijk éénige lot bereid!”
Geen woord van haar ontsnapte Thoren van Hagen ofschoon hij schijnbaar
een druk gesprek met den ouden heer voerde.
»Ik hoop dat je er eens voor beloond zult worden, zooals je ’t
verdient,” vervolgde zij, en de vriend harer jeugd brak plotseling zijn
eigen woorden af en zag haar aan op eene wijze, die haar door de ziel
sneed en bijna de zoo moeilijk veroverde zelfbeheersching deed
verliezen.
Maar de angor-poef werd binnengebracht en Hermelijn begon haar
huisvrouwelijke plichten te vervullen.
»Nog een oogenblik, we wachten onzen gastheer,” verzocht zij. »Hij
maakt groot toilet, naar ’t schijnt!”
Corona wiegelde zich in haar schommelstoel op en neer en tikte
werktuigelijk met de punt van haar rijzweepje op den ruigen kop van
Matjan, haar forschen Terre-Neuve, die zich niet wilde ophouden met de
hazewinden van Conrad; een vergenoegd lachje speelde om haar lippen en
blijkbaar vermoedde zij niet in de verste verte, den verborgen zin van
Hermelijn’s woorden en haar werkelijke stemming.
»We hebben gister een séance littéraire of liever ethnographique van
mijnheer Thoren van Hagen gehad,” zeide zij tot Hermelijn. »Hij heeft
van zijn Noordpooltochten verhaald.”
»Is hij daar ook geweest?”
»Weet je dat niet? ’t Was heel interessant maar ik kan hem niet
uitstaan,” en zij sloeg Matjan zoo hevig, dat hij het spel voor ernst
beschouwde, opstond, den ruigen kop schudde en haar grimmig aanzag.
»Daar moet ge je aan wennen, Matjan,” zeide Corona lachend, »die ik
liefheb, plaag ik het meeste.”
»Zei u me iets?” vroeg Thoren van Hagen nabij komend.
»U iets zeggen, wel neen, ik sprak met Matjan, hoe komt u er in ’s
hemelsnaam aan?”
»Ik dacht dat u mij aankeek.”
»Ben ik niet vrij te zien, waarheen ik verkies?”
»Even vrij als ik om u te vragen, of u mij noodig heeft.”
Zij wendde het hoofd om en vroeg Hermelijn of ze samen naar binnen
zouden gaan.
Juist kwam de heer des huizes, thans goed gekleed, naar buiten.
»Ha, Conrad, wat heb je ons laten wachten,” verweet Hermelijn.
»Dag pa, dag Cor!” was de vrij koele begroeting die niemand echter
vreemd scheen te vinden.
»Nu je hier bent om de eer van het huis op te houden, ga ik met Corona
naar de piano zien. Straks zal je wel de angor-poef laten opentrekken,
een alleraardigste klanknabootsende naam, vind je niet, Thoren?
Angor-poef, die Javanen weten het wel, Conrad zal me Javaansch leeren,
niet waar Coen.”
»De dispens is goed voorzien,” stotterde Conrad verlegen, om maar iets
te zeggen.
»Eindelijk een woord van waardeering,” zeide Corona.
»O alles spreekt van Corona’s teedere zorgen. Ik weet niet hoe u uit te
drukken, wat ik voor u voel,” sprak Hermelijn toen ze alleen waren,
»zoo’n schitterende ontvangst, zulk een beeldig huisje, alles gevuld
met nieuwe meubels, nieuwe kleeren, nieuwe eet- en drinkwaren. Hoe
ondankbaar zou ik wezen als ik niet alles erkende.”
»Ik ben tweemaal naar Samarang geweest om alles te bestellen en te
koopen,” verklaarde Corona, nog steeds onder den indruk van Hermelijn’s
woorden, waarvan zij den eigenlijken zin nog niet vatte.
»Ik bewonder uw echt Europeeschen smaak.”
»Ja, ik haat alles wat inlandsch is. Maar Conrad, hoe is hij voor u?”
»Zooals ik het wenschen kan; voor onbescheiden oogen stroef en koel,
maar als wij samen zijn, weet hij niet, hoe mij met liefkozingen te
overladen; hij volgt mij met zijn attenties, meer dan ik had durven
hopen zelfs na zijn hartelijke, lieve brieven.”
Corona was min of meer verbijsterd; de uitslag overtrof haar
verwachting maar toch.... toch....
»Wij beleven zulke heerlijke wittebroodsweken, we zijn zoo gelukkig,”
en plotseling met het hoofd tegen de kast der piano vallend, begon zij
zacht te schreien.
Niemand hoorde het dan Thoren van Hagen en Conrad, die plotseling zijn
hoofd omwendde en naar binnen zag, maar dadelijk weer den blik met een
onverschillige uitdrukking naar buiten richtte; Thoren stond echter op,
als door een onweerstaanbare kracht gedreven en ging naar de
binnenkamer.
»Scheelt u iets? Misschien ben ik onbescheiden uw vertrouwelijk
samenzijn zoo te storen!”
»O neen Thoren, volstrekt niet!” zeide Hermelijn, met geweld haar
tranen onderdrukkend, »ik schrei van aandoening, van geluk. Niet waar
Corona, vertelde ik het je daar niet, hoe lief Conrad voor mij is, hoe
gelukkig ik met hem ben, o zoo gelukkig! Als mijn vader eens den omvang
kende van mijn geluk!”
Conrad zat te beven op zijn stoel, maar hardnekkig bleef hij volhouden
niet naar binnen te zien.
»U heeft er alle eer van, u, die het bewerkte, want zonder uw raad,
heeft Conrad gezegd, zou hij de vriendin zijner jeugd niet het voorstel
gedaan nebben, hem te zoeken ver over de zee. Laat ons naar voren gaan
en dan drinken op het geluk van het bruidspaar!”
Zij streek met den zakdoek over de oogen en glimlachte weer. Corona was
stil en in zich zelf gekeerd; zij twijfelde en voelde zich vreemd te
moede; er was iets in Hermelijn’s uitbarsting, dat haar onnatuurlijk en
zonderling voorkwam.
De champagne werd gedronken en Hermelijn lachte met het zonderlinge
vuur in de oogen, dat Thoren van Hagen zoo somber stemde; hij sprak
geen woord, hij, die anders zoo levendig kon zijn. Ook Corona was
nadenkend; tegen zeven uur kwamen de paarden weer voor; de voorrijders
hadden flambouwen in de hand, er werd afscheid genomen, Corona sloot
haar schoonzuster hartelijk in de armen, zonder te bemerken hoe zij als
van afschuw rilde onder die omhelzing; de heeren reden vooruit, zij
bleef achter met Thoren.
»Hoe bevalt u uw zuster?” vroeg hij ernstig.
»O, zij is een snoesje.”
»Dat vraag ik u niet, ik wilde weten, hoe u denkt over haar... haar
huwelijksgeluk.”
»Van drie dagen?”
»Van het begin hangt veel af.”
»Zij schijnt overgelukkig, een beetje zenuwachtig. Ik heb daar geen
verstand van, ik ken geen zenuwen.”
»U heeft ze misschien nog niet gevoeld in uw kalm, gelukkig leven.”
»Kalm, gelukkig leven, hoe weet u dat?”
»Men is immers overeengekomen om het leven gelukkig te noemen dat kalm
voortgaat en nergens tegenstand ontmoet. Ik wil niet zeggen dat dit nu
juist mijn ideaal is, maar daarop komt het minder aan.”
»Het mijne is ’t evenmin, ik overwin graag bezwaren.”
»Ook ten koste van anderen?”
»Hoe bedoelt u dat?”
»Ik wilde niets anders zeggen, dan dat u zich dit genoegen niet mag
gunnen, wanneer anderen voor uw overwonnen bezwaren moeten blijven
staan. Het is u gelukt Hermelijn tot uw schoonzuster te maken, u
verheugt zich over uw werk, maar vraagt niet, hoe zij er onder gestemd
is?”
»Is alles dan niet goed?”
»Haar geheim is het mijne niet, en ik mis waarschijnlijk het recht om
uit te spreken, wat zij met zooveel moeite wil verzwijgen maar het is
toch beter dat u ’t weet: Hermelijn is diep ongelukkig, Conrad haat
zijn vrouw, of hij haar waardig is kan ik niet beoordeelen, dat is aan
u, maar ik dank den hemel, dat ik de verantwoordelijkheid niet draag
van zulk een koppeling.”
Corona zag hem met groote oogen aan, doch zij sprak geen woord; haar
keel was als dichtgeschroefd.
»Wat moet ik doen?” vroeg zij eindelijk op doffen toon.
»U niet mengen in den strijd, welken zij te voeren heeft, misschien is
er nog overwinning mogelijk.”
»Waarom houdt Conrad dan niet van haar? Zij is zoo lief, zoo goed, zoo
geheel anders dan alle meisjes, die hij ooit gezien heeft.”
»Conrad heeft liever de bloem, die hij zelf koos, dan de diamant, die
hem door een vreemde, misschien gehate hand, werd aangeboden.”
»Ik geloof u niet, ze zijn zeer gelukkig,” verzekerde zij.
»Zooals u wil,” antwoordde hij spottend.
Zij gaf haar paard de sporen en verliet Thoren’s zijde om naast haar
vader voort te rijden. Later aan tafel was zij opvallend bleek.
»’t Gaat goed met de luidjes,” sprak de vader kennelijk tevreden, »ze
zijn vroolijk en dol op mekaar.”
»Goddank,” zei Kitty op een toon van ware verlichting.
»Zou het stemmen zoo spoedig zijn gegaan?” vroeg Portias.
Er was slechts een klein gezelschap aan tafel; Portias en Thoren hadden
een druk gesprek over kunst; de eerste dweepte met Wagner en zijn
toekomstmuziek, de andere verklaarde nog liever de gamelang in het
gebergte te hooren. Corona luisterde zwijgend, haar blik wendde zich
niet af van Thoren, een zonderlinge uitdrukking lag om haar mond; soms
drukte zij de lippen op elkander dan weer sloeg zij de oogen neer, een
enkele keer verfde een blos haar wangen, het was toen Thoren van Hagen
haar vroeg:
»Doet u niets aan de muziek?”
»Ja, ik bespeel de viool.”
»En u heeft ons nog geen proeve van uw talent gegeven.”
»Een zeer groot talent,” verzekerde Portias.
»Ik verlang geen complimenten van je,” zeide zij bits.
»Gelukkig dat ik dan de waarheid reeds gezegd heb,” antwoordde hij
kalm.
»Mag ik zoo gelukkig zijn u van avond te hooren?” vroeg Thoren.
»Neen, van avond niet.”
»Ik ben erg nieuwsgierig het peil der muzikale ontwikkeling van onze
nieuwe schoonzuster te leeren kennen,” hernam Portias.
»Ze komt Zondag niet waar, Cor?” vroeg Kitty.
»Ik verwacht ze tenminste.”
»O, ze zijn nog te druk aan hun wittebrood.”
»Niet ieder is zoo dwaas als jij en Kitty.”
»Ja, wij zijn echte kinderen van weelde; ons roggebrood is nog niet
gebakken.”
»En hoelang is u getrouwd.”
»Een jaar.”
»Dertien maanden,” verbeterde Kitty.
»En hoeveel dagen?” vroeg Cor spottend, »ik houd niet van menschen, die
met hun geluk of ongeluk te koop loopen.”
»Ook niet van hen, die ’t omkeeren en zoo laten zien?”
»Ik kan geen raadsels oplossen. Is de post gekomen, papa? Mag ik eens
kijken wat er is?”
Toen zij kort daarna alleen op haar kamer was, viel zij op den divan
neer, haar handen op de knieën gevouwen, de oogen onbestemd voor zich
uit starend.
Haar trouwe adjudant, Iteko, was haar gevolgd.
»Scheelt er iets aan, juffrouw?” vroeg zij.
»Iteko! Weet jij wat wroeging is?”
Een soort van lach sperde Iteko’s lippen open bijna tot aan de ooren.
»Gelooft u er aan?” vroeg zij.
»Ik heb er van gelezen, Macbeth, die den slaap vermoordde, vreeselijk!
’t Schijnt waar te kunnen zijn.”
»Maar lieve juffrouw, hoe kan u daarvoor vreezen?”
»Iteko, ik wil je geen verwijten doen, hoewel je me altijd gezegd hebt
dat ik een goed werk deed door Conrad tot man te geven aan mijn
nichtje.”
»En zou ’t dat niet wezen?”
»Ik weet het niet, ze was zoo vreemd, zoo opgewonden. Ik had gehoopt in
haar een vergoeding te vinden voor die dwaze Kitty, die mij verraden en
verlaten heeft om dien kwast. Hermelijn is allerliefst tegen mij en
toch, ’t is of ik liever de bitterste verwijten hoorde dan dien blik
van haar te ontmoeten.”
»Heeft mijnheer van Hagen u iets gezegd?”
»Hoe kom je daaraan!”
»Ik weet het zelf niet, ik geloof, dat hij doodelijk van u is.” Corona
barstte in een valschen schaterlach uit.
»Iteko, Iteko, als een ander dat zei, ik zou hem vragen, of hij mij
bespotten of beleedigen wilde. Hij heeft me niets anders dan
onaangenaamheden gezegd.”
En plotseling begon zij luid te snikken; Iteko, die zulke vlagen van
haar meesteres kende, ging aan de tafel zitten, waarboven een lamp
brandde en begon bedaard te schrijven, na de deuren gesloten te hebben.
Corona schreide eenige minuten achter elkaar, met de heftigheid, die
zij in al haar handelingen legde; ’t scheen echter dat de aanval langer
duurde, dan Iteko gewoon was. Zij vroeg haar tenminste:
»Wil u drinken?”
Corona antwoordde niet en ging voort met snikken; langzamerhand begon
het zachter en bedaarder te worden, totdat zij eindelijk geheel
stilhield.
»Zie zoo, dat heeft me goed gedaan! Ik was zoo bang dat de bui aan
tafel zou beginnen,” sprak zij, »niemand dan jij, Iteko, vermoedt hoe
zwak en meisjesachtig ik soms kan zijn. Geef me een glas limonade.”
»Hij sprak van zenuwen,” ging zij na een oogenblik voort »zouden dit
zenuwen zijn? Ik zal papa verzoeken hem weg te laten gaan. Ik vrees
hem!”
»Daar heeft u groot gelijk in, u moet op uw hoede zijn voor dien man.”
»Waarom?”
»Ik weet het zelf niet, maar ik voel, dat hij u ongeluk zal
aanbrengen.”
»Foei Iteko, je hebt mij altijd om mijn Indisch bijgeloof uitgelachen!
Verbeeld je, dat hij me eens zoo had hooren aangaan, hij had gedacht
dat het om hem was, en je weet zelf, dat ik zoo schrei alleen omdat ik
niet anders kan, omdat het mij oplucht.”