Het begon al te schemeren, toen ik de plaats bereikte, waar

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed

Proofreading Team at https://www.pgdp.net/

VAN DE GANGES NAAR DEN AMAZONENSTROOM. [1]

Naar het Duitsch van Ernst Weber.

Uit een onrustigen slaap werd ik warm en vol muggenbeten

wakker. Natuurlijk was de bruine lummel, die buiten vóór mijn

slaapkamer gehurkt zat, weer eens een keertje ingeslapen. Een heftige

ruk aan het touw deed hem wakker schrikken, en dadelijk begon de

punkah, de lange waaier boven mijn bed, weer te waaien, om hitte

en muskieten te verdrijven. Maar reeds was er daglicht zichtbaar

door de lichte strooien gordijnen, die de deur afsloten naar de

binnenplaats, en ik herinnerde mij tegen zonsopgang een sjikari te

hebben besteld, die mij hier in de buurt van Agra op een jachtuitstapje

zou vergezellen, vóórdat de rechte middaghitte er zou zijn.

Op mijn handgeklap verscheen een in het wit gekleede Indiër,

wiens donker hoofd met den intelligenten, zwaarmoedigen blik door

een grooten tulband gedekt werd, en reikte mij met een deemoedigen

groet den verkwikkenden dronk ijslimonade. Daarna goot hij mij in

een groote badkuip stroomen water over het lijf en diende handig en

zonder geruisch het rijke engelsche ontbijt, dat intusschen door een

ander was klaargezet.

Reeds stampten buiten de paarden. Toen ik buiten kwam, zag ik mijn

in de jacht bedreven sjikari juist een tandenborstel gebruiken en dien

bij mijn verschijnen haastig in zijn gordel steken. De lompen, die zijn

kleeding uitmaakten, vertelden van veel moeilijke marschen. Een geweer

droeg hij niet; dat is den Indiërs door de Engelschen verboden. Vlug

sprong hij naast den koetsier op den bok, en op het plankje achter den

grooten landauer gingen twee satellieten staan, die naar het oordeel

van den engelschen hotelbestuurder volstrekt mee moesten rijden,

om, op den rit terug, voor het rijtuig plaats te maken te midden van

de volksmenigte.

Zoo rolde ik plechtig in den golvenden morgennevel door de nog stille

straten van Agra. Donker verrezen rechts van mij geweldige muren en

torens met afgeronde tinnen, de oude vesting van keizer Akbar, en toen

de heete indische zon de streek met volkomen helder licht bestraalde,

bevonden wij ons reeds buiten de stad tusschen uitgestrekte rijstvelden

en kleine, daartusschen verspreide boschjes.

Het doel van onzen langen rit was een dorpje van armoedige strooien

hutten, idyllisch gelegen in de schaduw van een donker boschje, waaruit

het gekrijsch van talrijke bonte papegaaien opsteeg. Daarachter

breidde zich een wijde savannah uit, ons jachtgebied, waar wij

overvloed van wild aantroffen. Naast het gewone kleine wild joegen

wij in de kloven een luipaard en verscheiden wolven op. Het langst

vervolgden wij een troep van meer dan twintig slanke antilopen, die

zich altijd weer dicht lieten naderen en zich in 't geheel niet om

de op de velden arbeidende Indiërs schenen te bekommeren, ja zich

dikwijls verstopten onder de kudden vee.

Uitgeput keerde ik na eenige uren, toen de hitte te groot werd, naar

mijn rijtuig terug, en terwijl ik mij met een koelen dronk verfrischte,

daar de bedienden ijs in dikke wollen dekens hadden meegenomen, bracht

een der satellieten een grooten pauwenwaaier boven mij in beweging,

en de andere kwam met waschwater en schoon linnen.

In het dorp waren twee bajaderen, die lieten vragen, of ze vóór den

Sahib mochten verschijnen. Natuurlijk stond de Sahib dat toe, en daar

kwamen twee kinderen voor den dag van hoogstens vier of vijf jaar. De

kleinste, een jongen, gekleed in een glinsterend bont costuumpje,

was nog kinderlijk in zijn bewegingen, als hij de snaren tokkelde van

zijn instrument, dat op een guitaar geleek. Het meisje echter had reeds

de houding en manieren van een volwassene, als zij coquet lachend de

prachtige, zwarte oogen opsloeg. Zij danste met bekoorlijke gratie;

zonderling alleen waren de buigingen en draaiingen der handen in

het handgewricht, waaruit de dans voor een groot deel bestond, en de

langgerekte tonen van de indische liederen, bij welker hoogtepunten het

kleine ding telkens schuchter mijn hand vatte. Allerdwaast was het,

een paar engelsche liedjes aan te hooren, die mijn aardige bajadère

in miniatuur, tot slot, met verrukkelijk slechte uitspraak voordroeg.

Met klinkende dankbetuigingen zond ik hen heen, en toen ging het

in flinken draf stadwaarts. Eerst was er nog een karakteristieke

strijd te beslechten. De koetsier, die intusschen afgelost was, een

deftig Mohammedaan met dichten, zwarten baard, wilde den sjikari, den

verachten Hindoe niet naast zich op den bok laten zitten en schikte

zich eerst op mijn uitdrukkelijk bevel in het geval. De aanhangers

der beide godsdiensten haten elkaâr nog inniger, dan zij het beide

den gevreesden Europeaan doen, wien door dit alles het bestuur wordt

vergemakkelijkt.

De straat, waarin de zon fel brandde, was nu veel drukker dan in

den vroegen morgen. Meest waren het schoone figuren met sympathieke

gelaatstrekken, die in witte en bonte kleederen gehuld waren of ook

wel bijna geheel onbedekt liepen. Maar zelfs dan hinderde de naaktheid

den beschouwer nooit, want de donkere huidskleur, die men aantrof

in alle schakeeringen van lichtbruin tot het donkerst zwart, vormt

zelf al een bedekking van het lichaam. Veel mannen hadden strepen en

punten op het voorhoofd geschilderd, een teeken van hun kaste, en de

slanke vrouwen, die voorbijgingen in wagentjes als kleine tempeltjes,

hadden groote versierselen in de ooren en om de armen.

Aan den weg echter lagen, toen wij de stad naderden, bedelaars en

zieken, ellendige stumpers, die meestal 't een, zoowel als 't ander

waren. Zij strekten de armen uit, die slechts uit vel en been bestonden

en waar de gewrichten als knobbels door staken. Allerlei misvormingen

waren op hun lichaam te zien en wonden, soms opzettelijk opengehouden

ter wille van het bedrijf.

Nu bleek eerst, hoeveel diensten mijn achter op het rijtuig staande

jongens bewezen, want de ongeluksfiguren van de bedelaars bleven

niet bescheiden aan den rand van den weg zitten, maar wierpen zich

kermend en zuchtend soms tot op 't midden van den weg, om een aalmoes

af te dwingen, en telkens moest het rijtuig stilhouden en moesten mijn

bedienden naar voren komen, om het bedelaarspak van den weg te duwen.

Op een enkele plek der voorstad was de menigte bijzonder dicht. Toen

wij ons eindelijk ruim baan maakten door snel voort te rijden,

bespeurde ik, dat de oorzaak van het gedrang een fakir was, wiens

heftige zelfkastijding de bewonderende aandacht van de Hindoes trok. Op

een houten bank, waaruit op afstanden van een vinger breed honderden

lange, spitse spijkers opstaken, lag lang uitgestrekt op den rug een

naakte, vuile Hindoe. Hij lag stil met gesloten oogen, ofschoon de

spijkers voor een deel diep in zijn lichaam waren gedrongen, en het

bloed eruit neerdroop. Overigens scheen hij er echter wel bij te varen,

want naast hem stond een pot, die reeds vrij hoog gevuld was met de

koperen munten zijner vereerders, en evenzoo lagen er een menigte

lekkernijen voor hem gereed, als hij van zijn legerstede zou opstaan.

Ik was blij, die weinig aesthetische tooneelen en de altijd heeter

brandende indische Augustuszon te kunnen ontloopen, en legde mij

later tot een siesta neer op den langen, gemakkelijken rieten stoel,

met den onontbeerlijken, den waaier wuivenden windjongen naast mij.

Eerst toen de schaduwen vrij lang geworden waren, stond ik weer op,

om nieuwe indrukken op te doen. Een klein aapje, waar ik onder het

wandelen op getrapt had, schimpte mij toornig achterna, en toen ik

het schertsend met mijn stok dreigde, namen zijne door de Indiërs erg

verwende collega's zijn partij op en kwamen van de boomen aan den weg,

waar zij gymnastische toeren uitvoerden, naar beneden, verzamelden

zich rondom mij heen en keken mij onder luide, booze gedachtenwisseling

zoo afkeurend aan, dat ik mij beschaamd uit de voeten maakte.

Veel rustiger gedroegen zich de groote, lompe gieren, die overal op

de muren zaten en wachtten op het oogenblik, waarop ze weer naar de

omheinde ruimte mochten terugkeeren, waar de Parsen hun dooden aan

de roofvogels overlaten.

De Parsen, die het intelligentste en welvarendste gedeelte der

bevolking van Indië moeten zijn, onderscheiden zich op straat door

een vreemde, op een mijter gelijkende hoofdbedekking en dragen,

evenals de voorname Hindoes, een langen, zwarten rok bij een nauwe,

witte of bontgekleurde broek. De Mohammedanen daarentegen zijn altijd

in het wit gekleed en hebben bonte tulbanden op, waarvan de kleur

door geboorte en stand of ambt wordt aangewezen.

Als overal in het Oosten was het inwendige van alle huizen der stad

van buiten zichtbaar; alle werk van ambachtslieden wordt in de open

lucht gedaan, en het is voor den Europeaan moeilijk, zich door de

straten een weg te banen, zonder van de dikwijls prachtige kunstwerken

van ivoor en houtsnijwerk, filigraanarbeid en schitterende zijden

borduursels met goud en zilver bestikt, meer mee te nemen dan hij

eerst voornemens is geweest.

Vlugge paarden brachten mij dan naar de voornaamste bezienswaardigheid

van Agra, welker roem alleen reeds vele reizigers naar Indië heeft

gelokt, naar den Tadsj Mahal, grafmonument, dat shah Jehan driehonderd

jaar geleden voor zijn lievelingsvrouw heeft laten bouwen. Het ligt

buiten de stad aan den oever der Dzjoemna, en de meeste reizigers,

die veel hebben gezien, zijn éénstemmig van oordeel, dat dit het

mooiste bouwwerk van de wereld is.

Bij een uitgaaf van vijftig millioenen roepijen voor een betrekkelijk

klein bouwwerk mag men dan ook wel iets bijzonders verlangen; maar

ik was, ondanks alle afbeeldingen, die ik ervan had gezien, toch nog

ten hoogste verrast door de wonderschoone harmonie van dezen koepel,

door de natuurlijke samenstemming der voornaam eenvoudige vormen

met de kostbaarheid van het gebruikte materiaal en de smaakvolle

behandeling der onderdeelen.

Bij dat alles voegt zich nog de indrukwekkende omgeving van den

graftempel. Nadat men de prachtige buitenste poort van den aanleg is

doorgegaan, staat men in de schaduw van dichtbebladerde boomen. Recht

vóór u opent zich een breede weg, een laan van cypressen, waarop

men in het midden als een tegenstelling met de donkere omlijsting,

heldere waterkommen en bonte bloemperken ziet.

Aan 't eind van deze allee staat, met schitterenden glans afstekend

tegen de blauwe lucht, een prachtig marmeren gebouw, met een breed

gewelfde middelpoort, waarboven een heerlijk gevormde koepel,

geflankeerd door vier slanke minarets. Deze eerste aanblik is de

mooiste en wint zelfs niet bij 't naderkomen, als men de schoonheid

van het marmer eerst recht goed ziet en de kunstvaardigheid,

bij de opengewerkte deelen en de reliëfs aan den dag gelegd, waar

edelgesteenten niet aan zijn gespaard.

Binnenin staan de sarcophagen van het in liefde verbonden paar. De

wachthebbende priesters hadden, toen zij mij zagen, schijnbaar

niets anders te doen, dan mijn ernstige stemming door hun gegil en

geschreeuw te bederven en van mij een bakschish te vragen, nu ze mij

de mooie echo van den koepel hadden laten hooren. Dezen keer bestond

de backschish echter in een flinken schop!

Op den terugweg beklom ik de oude citadel van keizer Akbar, die nu door

kranige, engelsch-indische troepen bezet was. De moskeeën en paleizen

hierboven zouden stellig op een andere plek hoogst indrukwekkend zijn;

maar in Agra heeft men er nauwelijks oog voor. Mooi was het uitzicht,

van het terras met den ouden marmeren troon van den heerscher, op de

stad en de vlakte, waardoor de Dzjoemna kronkelt; maar ook hier werd

de blik met magische kracht maar altijd weer naar den Tadsj getrokken,

die ver beneden in de diepte lag en door de stralen van de avondzon

verguld werd.

Toen ik in mijn hôtel terugkwam, vond ik mijn kamer in een bazar

veranderd. Een half dozijn waardige tulbanddragers begroetten mij

met diepe salams en begonnen allen tegelijk hun waren, die zij op

den grond hadden uitgespreid, aan te prijzen. Daar kwam een donker

vermoeden in mij op, dat ik in den namiddag bij mijn inkoopen in de

stad, trots mijn afdingen, flink bedrogen was geworden, dat de mare

van mijn goedgeloovigheid zich had verbreid, en dat nu dit brutale

troepje was gekomen, om ook een voordeeltje uit den dommen Sahib te

halen. Dat ergerde mij gruwelijk, en vol wraakgedachten klapte ik mijn

bedienden en liet met grimmig pleizier kooplieden en waren alles samen

naar buiten gooien. Voor de deuren en vensters zette ik wachten uit,

om te beletten, dat er weer indringers verschenen.

Spoedig daarna zat ik met mijn engelsche vrienden bij het deftige

dîner; het waaien van de punkah boven de tafels maakte het gekleede

toilet dragelijk, en de bediening liep zonder geruisch vlug van stapel,

want ieder had zijn eigen boy of bediende achter zijn stoel staan,

om de spijzen aan te nemen van degenen, die ze aandroegen, eveneens

Mohammedanen. Hindoes zouden door de aanraking van europeesche

spijzen onrein worden, en men gebruikt hen daarom niet voor deze

diensten. De Hindoes zijn uitstekende huisbedienden; maar bij alles,

wat de maaltijden betreft, houden zij zich streng afgezonderd. Het

gaat zoo ver, dat reeds de schaduw van een Europeaan hun de spijzen

oneetbaar maken kan.

Toen ik bij het tafelgesprek mijn fakir op het kruisbed te pas bracht,

werden mij nog vele dergelijke voorbeelden verteld. Zoo hoorde ik

van boetedoeningen, waarbij iemand zoo lang de vuist gebald hield,

tot de nagels door de hand waren gegroeid, en van andere menschen, die

naar gelofte den arm hoog opgeheven hielden, tot het schoudergewricht

in dien stand stijf vergroeid was, en daarna werden de histories al

griezeliger en romantischer.

Laat op den avond deed een dame 't voorstel, in den maneschijn

den Tadsj een nachtelijk bezoek te brengen, en dadelijk waren allen

daartoe bereid. Fakkeldragers reden vóór de rijtuigen, en weldra stond

ik weer voor den tooverachtig schoonen koepel, die in 't zilveren

licht der maan een nog veel dieperen indruk maakte dan bij dag,

want thans verzonk de geheele omgeving in het niet bij den glans van

het marmer. Men hoorde alleen het ruischen van den voorbijvlietenden

stroom en 't sjirpen van de krekels.

Een lange spoorreis moest voorafgaan aan mijn reis naar Kaschmir. Ik

droomde nog van den als zilver glanzenden Indus, dien ik den vorigen

avond op de lange brug vóór Attah gepasseerd was, toen het gelijkmatige

ruischen van den stroom in mijn ooren plaats maakte voor de leelijke

klanken van het gebroken Engelsch, waarmee mijn indische bediende

mij tot bewustzijn trachtte te brengen, dat wij spoedig te Ihelam,

het eindpunt van de spoorreis, zouden zijn.

Toen het hem eindelijk gelukt was en ik mijn ontbijt had ontvangen,

deed hij zijn best, de groote rieten horren te doen draaien, die,

beneden telkens in waterbakken duikend, bevestigd waren aan de

buitenzijde der waggonvensters en aangename koelte verspreidden bij

de verdamping van het water in de reeds nu brandend heete zonnestralen.

Ik slurpte dorstig mijn thee, gemakkelijk steunend op de kussens,

die mijn bediende 's avonds te voren zorgzaam had opgestapeld,

en verwonderde mij over het nette en opgeruimde uitzien van den in

't wit gekleeden "jongen", die, met vijftig collega's samen in één

waggon geperst, voor een tiende deel van 't reisgeld van zijn heer

den nachtelijken spoorrit had gedaan.

Europeanen hebben in de eerste klasse in den zomer steeds een halven

waggon voor zich alleen; maar men heeft die ruimte hier ook wel noodig,

waar men zoo verwend wordt en zooveel bagage moet meesleepen, om

steeds des avonds trots de hitte te kunnen verschijnen in europeesche

gezelschapskleeding.

In Ihelam liet ik alle lastige koffers en pakken achter onder bewaring

van mijn boys en maakte mij gereed om, vrij van alle banden, naar

Kaschmir te reizen. Toen ik aan het station het voornemen te kennen

gaf, den weg naar Kaschmir, voor zoo ver hij berijdbaar was, per

rijtuig af te leggen, verscheen er even daarna een engelsche officier

en deed zeer vriendelijk het aanbod, mij een tweewielig wagentje,

een tonga, zooals hier veel gebruikt wordt, te verschaffen. Hij ried

mij aan, eerst nog de groote werken aan de rivier te bezichtigen,

waar veel olifanten aan meewerkten. Natuurlijk volgde ik dien raad

op en was verbaasd, de gedresseerde olifanten, die ik vroeger alleen

in het circus had bewonderd, hier zoo uitstekend voor practische

doeleinden in functie te zien.

Op den nek van de reusachtige dieren zaten de geleiders, bewerkten

aanhoudend het voorhoofd van hun beest met een stok met ijzeren punt,

schopten heftig met de beenen en spraken hun daarbij goedig toe op de

manier, waarop de russische iwostnik praat tot zijn rijtuigpaard. De

goedmoedige kolossen gehoorzaamden hun kleinen pijniger met de grootste

stiptheid, droegen met hun snuit zware boomstammen en op hun tanden

groote bundels andere dingen heen en weer en stapten daarbij met

onverstoorde zekerheid over de smalle, glibberige paden langs den

steilen rivieroever.

Eenige olifanten waren met hun werk al klaar en namen een bad in

de rivier, waarbij hun kornaks hen ijverig borstelden, en behagelijk

spoten de dieren met opgeheven snuiten zich dikke waterstralen over den

rug, om het reinigingsproces te vergemakkelijken. Tevreden wandelden

zij daarop naar het bosch, om er hun maal van gras en bladeren tot

zich te nemen, dat buiten een zekere hoeveelheid rijst al 't voedsel

is, dat ze gebruiken.

De leider van het bouwwerk prees de verrichtingen der olifanten zeer en

beweerde, dat één zoo'n dier hem meer waard was dan vijftig inlandsche

arbeiders en veel minder kostte, daarbij nooit stal of wegliep, en

geen der andere ondeugden bezat van de menschelijke arbeiders in Indië.

Al die mooie eigenschappen en de dankbaarheid en gewilligheid

tegenover hun oppassers, niettegenstaande hun verstand en het

bewustzijn hunner kracht, daarbij het sterke herinneringsvermogen

voor krenking en beleedigingen, die zij vaak na langen tijd nog

beantwoorden, wijst op de hooge plaats, door deze dieren ingenomen

in de wereld der viervoeters.

Hoe werkzaam het gemoedsleven der olifanten is, trots hun

dikhuidigheid, ziet men hieraan, dat zij tot de weinige dieren

behooren die kunnen weenen. Nooit vergeet ik den vreemden aanblik,

toen een olifant, wiens poot gekwetst was door een neervallend blok,

met opgetrokken poot bleef staan, terwijl dikke tranen langs zijn

wangen vloeiden.

Intusschen was er een wagentje voor mij besteld, en spoedig vlogen we

in gestrekten draf de stad uit. Buiten kwam ons een troep zwaar beladen

kameelen tegen; maar daarna werd de streek eenzaam en stil, de bebouwde

velden verdwenen, maakten plaats voor groene heide, en de heuvels aan

den kant van den weg groeiden aan tot bergen. Na een paar uren snel te

hebben gereden, bereikten wij een bergstadje, in welks dak-bungalow

ik uitstapte, daar de rijweg er ten einde was. De dak-bungalows zijn

eenvoudige logementen, die door de regeering op vele punten in Indië

ten gerieve der Europeanen zijn opgericht en die men tegen betaling van

een roepij mag gebruiken. De indische bewaker werd gehaald, om mij het

huis open te sluiten, dat een aantal primitief ingerichte slaapkamers,

een salon met kook- en eetgerei en een aantal oude couranten bevatte.

Over de bereiding van een maaltijd kon ik mij met hem onderhouden;

maar verder reikte zijn Engelsch niet. Tevergeefs beproefde ik hem

duidelijk te maken, dat ik een rijpaard noodig had en een gids naar

Kaschmir, en het duurde lang, eer in de plaats een taalkenner gevonden

werd, die mijn begeerten begreep. Engelschen waren er hier niet, wèl

bedelaars, die in massa kwamen, om van zoo'n zeldzamen europeeschen

gast iets te ontvangen.

Mijn belangstelling werd intusschen alleen gaande gemaakt door een

bepaald origineelen fakir, die ter zelfkastijding zich en den vliegen

het genoegen had gedaan, zijn gansche lichaam met suiker te besmeren,

zoodat hij door de massa der op hem te gast gaande dieren nu en dan

een neger geleek, om dan op eens, bij een haastige beweging, weer in

zijn suikerpakje te schitteren.

Natuurlijk gelukt het hem niet, mij geld ter verdere vliegenvoedering

af te troggelen. Ik keerde mijn welwillendheid liever naar eenige

slangenbezweerders, door wie ik mij een particuliere voorstelling

liet geven. Bij 't geluid van het fluitachtig instrument van den

bezweerder kwam er beweging in den zak, die vóór hem lag, en er

sloop een slangetje uit, dat zich oprichtte en weldra op de maat der

muziek het kopje draaide en wendde. Volkomen onverklaarbaar leek mij

een kunststuk, dat de man ten slotte ten beste gaf, maar dat geen

aanspraak op originaliteit kan maken, daar de bijbelsche Mozes reeds

iets dergelijks heeft vertoond.

De Hindoe greep namelijk de slang bij den staart, zwaaide haar

in de lucht in een kring vond, zoodat zij lang uitgerekt leek en

had plotseling in plaats van een slang een even langen stok in de

hand. Daarbij was hij zoo goed als naakt, kon onder zijn kleederen

zeker niets verbergen en stond bij al zijn kunststukken dicht vóór mij,

zonder dat ik de manier, waarop hij te werk ging, kon herkennen.

Na de voorstelling kwam er al gauw een gids met de gewenschte paarden,

zoodat ik nog vroeg in den namiddag kon vertrekken. De weg liep langs

den oever van de Ihelamrivier, die van Srinagar komt, de hoofdstad van

Kaschmir; maar reeds spoedig moesten wij in het rivierbed zelf over

alleronaangenaamste steenen of diep in 't water verder rijden. Uren

lang ging het zoo tusschen steile oevers, en het werd mij nu wel

duidelijk, dat deze weg alleen bij lagen waterstand te begaan is,

zooals mij was gezegd. Eindelijk was er weer een weg langs den oever,

en toen ging het steil bergop op kalen rotsigen grond.

Het uitzicht werd steeds mooier en meer omvattend. Als ik achterom

keek, zag ik de onbegrensde vlakte vóór mij met steden en dorpen in de

verte; naast mij werd het rivierdal steeds breeder en was bedekt met

groene velden en vriendelijke aanplantingen. Beneden in de diepte bij

den stroom zag ik een brandstapel rooken, waarop een Hindoe verbrand

werd, die niet het geluk had gehad, vóór zijn dood nog de Ganges te

bereiken. Door mijn verrekijker zag ik de familieleden gehurkt zitten

om den brandenden houtstapel en de vlammen aanwakkeren, om later de

verkoolde resten in de Ihelam te werpen, bij gebrek aan de golven

van de heilige rivieren Ganges en Dzjoemna.

Over verschillende bergketenen, op moeilijke, ja vaak bedenkelijke

wegen, waar elke tred kleine steenlawinen naar beneden storten deed,

bereikte ik tegen den avond den kam van een hooger gebergte, dat

de grens vormt van het onafhankelijk Kaschmir. Die grens zelve werd

boven door een middeleeuwsche vesting aangeduid. De geweldige poort

en de massieve muren waren bezig te vervallen en werden in 't geheel

niet meer bewaakt. Ongehinderd reed ik de donkere poort binnen en

was eenige oogenblikken later in Kaschmir.

De eerste blik in het land was veelbelovend. De weg daalde af in

een wijd, groen, eenzaam dal, en achter de hoogten aan den overkant

verrezen, door de stralen van de avondzon verlicht, de reuzen van

den Himalaya omhoog.

Toen wij naar het dal reden, ontmoetten wij eenige kinderen, die

koperen vaatwerk op het hoofd droegen en met hun mooie huidskleur en

de bijzonder edele gelaatstrekken zelf geleken op heerlijke bronzen

figuurtjes. Ook in het dorp, dat wij spoedig daarna bereikten, viel

mij de schoonheid van de kinderen, vooral der knapen, op. In dit

dorp evenwel en in het volgend was geen dak-bungalow, en ik moest het

grootste gedeelte van den lichten maannacht blijven doorrijden, vóór ik

het eerstvolgend stadje bereikte. Het was een verrukkelijke rit, in de

verfrisschende koelte na de hitte van den dag, in de diepe nachtelijke

stilte door de eenzame, flauw verlichte bergnatuur te rijden.

Het begon al te schemeren, toen ik de plaats bereikte, waar weer

een dak-bungalow beschikbaar was. Bij de eerste huizen, die alle

van elkander afgezonderd, in het groen lagen, moest ik van het

paard gaan en het aan den teugel leiden, want alle bewoners hadden

hun nachtleger in de open lucht gespreid, zoodat ze met hun hoofden

beslist den weg versperden. Mijn gids schudde enkele slapers wakker,

en na veel moeite vonden wij het dak-bungalow en ook den houder van

den daarbij behoorenden sleutel.

Bij 't naderen van Japan werkte onze machine onder hooge drukking,

en 't geheele schip sidderde onder het sterke voorwaartsdringen van

de schroef, en toch keken wij angstig op ons horloge en zouden graag

onze snelheid hebben verhoogd. Wij kwamen uit het ongastvrije China met

zijn winterkoude, en van de vraag, of wij vóór zonsondergang de haven

zouden halen, hing het af, of de havenpolitie van Jokohama ons zou

vergunnen, nog dezen avond den grond van 't lenteland te drukken. En

de zon stond reeds laag, dichtbij den top van den Foesiyama met

witte kruin, die even te voren, veel hooger dan wij gezocht hadden,

uit den nevel was opgedoken.

Toen wij echter, om een landtong buigend, in de ruime Jeddobaai

binnenvoeren, zagen wij vóór ons, eveneens naar de haven van Jokohama

koers zettend, een vloot van verscheiden honderden visschersschuiten

met bonte, meest vierkante zeilen, en nu wisten wij, dat wij niet te

laat kwamen.

Wij haalden de booten zelfs in en zagen ze bezet met kleine, gele

menschen met zwart, borstelachtig, opstaand haar, die ijverig met zeil

en roer bezig waren. Dat de gele kleur van het gelaat zich over het

geheele lichaam voortzette, was gemakkelijk te zien, want bij elke

haastige beweging van de menschjes verschoof het kamerjaponachtige

gewaad, en het bleek dat de kimono dan alleen zulk een zedig, deftig

gewaad is als hij eerst lijkt, wanneer de drager zich òf zeer langzaam

en voorzichtig beweegt òf een gesloten onderkleeding draagt.

De moeite, om de bagage langs de douane en in 't hôtel te brengen,

liet ik aan anderen over en ik begaf mij aan wal, om van alle kleine

zorgen vrij den eersten indruk van de stad te genieten.

Ik stapte in een der gereedstaande riksja's, de als veêrtjes zoo

lichte en toch stevige tweewielige miniatuurvictoria's, die in een

flinken draf door een inboorling worden getrokken. Alleen bijzondere

voornaamheid of sterke corpulentie van den passagier vereischt een

tweeden of een derden koelie voor het schuiven; hoogstens neemt men,

als men haast heeft, een voorlooper, om ruim baan te maken.

Het allermeest viel overal in 't oog de rijkdom aan groen en bonte

bloemen tusschen de huizen en ervoor, wat sterk uitkwam na de reis

door het donkere China. Eerst rolde mijn wagentje langs de breede

kade voorbij prachtige, europeesche gebouwen. Toen wij daarna in de

echt japansche stad kwamen, die zich ver in de lengte uitstrekt,

waren reeds veel duizenden bonte papieren lantarens opgestoken,

die dicht naast elkander vóór de huisjes hangend, de straten omzoomden.

Ook mijn menschpaard stak zijn licht op, evenals de andere

riksjakoelies. De lichtpunten vóór ons in de straat vermeerderden en

warrelden door elkander op grillige manier. De feestelijke indruk van

't geheel werd nog verhoogd door het lichtschijnsel uit de huizen,

welker wanden enkel uit open latwerk bestaan en met tusschenruimten

van papier zijn beplakt.

Dikwijls waren de muren uit elkaâr geschoven, zoodat ik naar binnen

kon zien, maar dat waren meest interieurs van koop- en handwerkslieden,

wier namen en aanbevelingen met de sierlijke chineesche letterteekens

prijkten op lange strooken papier, als vlaggen over de straat hangend.

Alle straten waren vol vreemde en toch zoo bekende figuurtjes. Dit

waren juist dezelfde sierlijke vrouwtjes, die er zoo keurig op

porselein en verlakte blaadjes uitzien met hun groote strikken op

den rug, den kunstigen vlinder-haardos, het poppengezicht en dikwijls

met een kaalgeschoren kindje op den rug, dat een lachwekkend pittig

en snugger gezichtje heeft.

De mannen zijn meestal zeer leelijk, vooral wanneer zij europeesche

kleeding dragen; dan zien ze er, zelfs als ze door de beste kleermakers

bediend worden, meestal net zoo uit als een boerenzoon, die in de

stad paradeert met een mooi nieuw pak, dat hem niet heelemaal past.

Eindelijk zocht ik mijn hôtel op de kade en kwam daar in een gansch

andere wereld. Het was een van de wereldhôtels, waar men voor den

internationalen prijs van 20 francs een eerste-klas verzorging

kan genieten. De amerikaansche invloed is er op aangename wijze

merkbaar. Alleen de handig en vlug bedienende japansche boys

herinnerden eraan, dat men zich niet in een fransch Riviera-hôtel,

maar in het verre Oost-Azië bevond.

In den helderen zonneschijn zag alles er den volgenden morgen nog veel

vriendelijker uit. In de hôtelkamers waren alle vazen met bloeiende

takken gevuld, en buiten was alles een witbloeiende tuin. In de

voorstad klom nog steeds de lentestemming, want de schuifwanden der

huizen waren meest opengeschoven, en in elk hoekje der vertrekken

prijkten lentebloemen, men kwam zelfs geen oud vrouwtje tegen, of ze

droeg een bloeienden kersentak in de hand.

Eén oudje maakte zelfs zulk een diepe buiging voor mij en zoog daarbij

met den hoogsten eerbied de lucht door de toegeknepen lippen in, dat

ik tevergeefs beproefde, den groet even eerbiedig te beantwoorden. En

toen ik de aardige, kleine, opgedirkte nesans den gewonen groet

"ohaio!" toeriep, kon ik over mijn succes als komiek bepaald tevreden

zijn, want het lachen en gichelen der vroolijke, kleine meisjes wou

toen maar niet eindigen.

Toen ik een school voorbij ging, was het juist pauze. De kinderen

stormden naar buiten en keken mij vol verbazing, volkomen onbevangen

aan; maar ze waren niet lastig of opdringerig. De kleine "eerwaarden",

zooals alle Japanners elkander onderling betitelen, waren juist zóó

gekleed als hunne ouders, en bij de meisjes zag de groote "obi" op den

rug er even dwaas uit, als bij de jongens het eenzame haarbundeltje

op den kalen schedel!

Reeds hadden de onderwijzers, die binnen het gebouw waren, mij

bemerkt. Ze kwamen naar buiten, boden mij van alle kanten hun diensten

aan, bekeken mij nieuwsgierig en rustten niet, voordat ik het inwendige

van de geheele school nauwkeurig had bekeken.

Alles was zeer netjes en practisch, en wat mij vooral trof,

waren de voortreffelijke landkaarten aan den wand. Het onderwijs

moet er veel last van ondervinden, dat men altijd nog chineesche

letterteekens gebruikt, waarvan er 3000 verschillende moeten worden

onderscheiden, zoodat men ze natuurlijk lang niet alle in de school

kan onderwijzen. Tegenwoordig begint men reeds, het Japansch met

europeesche, latijnsche letters te schrijven.

Een kleine jongen bracht mij toen langs de kust weer terug naar

mijn hôtel.

In zee lagen buiten japansche oorlogsschepen, en daaronder één, dat

het grootste pantserschip van de wereld moet zijn, en meer in mijn

nabijheid waren in het ondiepe water wel een vijftigtal meisjes aan

het rondplassen, met hoog opgeschorte kleederen, bezig zeewier in te

zamelen, dat als toespijs bij het middagmaal moest dienen.

Des avonds bracht ik een bezoek aan de schouwburgen. Ik zag eerst een

klassiek stuk uit de oude geschiedenis, waarbij prachtige gewaden

vielen te bewonderen en een hoofdrol werd gespeeld door allerlei

griezeligheden, als het "karakiri", opensnijden van den buik,

en waarbij werkelijk bloed werd vergoten. Ook zag ik een modern

realistisch stuk, waar ook bloed in vergoten werd.

Eerst werd een ongelukkige grijsaard jammerlijk vermoord. Later

marscheerden over het "bloemenpad", een voetpad, dat van het tooneel

midden door het publiek leidt en waar de belangrijkste episoden en

tooneelen op worden afgespeeld, politieambtenaren en een dokter in

een lange, zwarte jas. De dokter pakte zijn grooten koffer uit en

onderzocht, bij de op het hoogst gespannen verwachting van het publiek,

met alle mogelijke glinsterende instrumenten op 't alleruitvoerigst

het lijk, om eindelijk den dood te constateeren. Daarna vervolging

en gevangenneming van den moordenaar en de geheele behandeling vóór

de rechtbank. Toen evenwel de opperrechter na een rede van anderhalf

uur nog geen plan scheen te hebben op te houden, gaf ik er de voorkeur

aan, mij uit de voeten te maken, hoe graag ik de terechtstelling ook

zou hebben bijgewoond.

Een uurtje sporens bracht mij uit Jokohama naar Tokio. De stations

zijn overal opvallend klein, zelfs in de hoofdstad, maar alles gaat

er vlug en goed, en de waggons zijn gemakkelijk op zijn Amerikaansch

ingericht. Eigenaardig klinkt op de perrons 't geklikklak van de

klompjes der Japanners. Die voetbekleeding met houten sandalen is

zeer practisch. In huis, op de fijne matten, loopt men op kousen met

stevige zolen en afgezonderden grooten teen; gaat men uit, dan stapt

men eenvoudig op de sandalen, die bij de deur staan, en een lint of

band naast den grooten teen hout 't klompje aan den voet vast. Bij

nat weêr heeft men plankjes met een opstaanden rand van 5 à 10 c.M.,

waarmee men droogvoets stapt door de ergste plassen.

Wat een last voor den vreemdeling is het, om telkens vóór hij een

japansch huis binnentreedt, zijn omslachtig schoeisel te moeten

uittrekken! En ik had nog het ongeluk, schoenen met gespen te dragen,

die ik in den eersten dag minstens twintigmaal open en dicht moest

gespen, want het was een feestdag, en er was geen enkele schoenenwinkel

open.

Dadelijk den eersten dag in Tokio ondernam ik, alleen geleid door

het plan der stad uit de engelsche Murray-uitgave, een tocht per

rijwiel van mijn hôtel in 't Zuiden der stad naar den Asakusatempel,

het grootste nationale heiligdom van Tokio.

Ik dacht den rit in een kwartier te kunnen doen, maar had er meer

dan een uur voor noodig, want op den platten grond waren alleen de

hoofdstraten aangegeven, en ik wist nog niet, hoe uitgestrekt deze

stad van twee millioen zielen was.

Tokio zal wel de uitgestrektste stad der wereld zijn; de middellijn

van de vrijwel ronde ruimte is circa 25 K.M., en men kan die

uitgestrektheid begrijpen, als men bedenkt, dat de huisjes er, evenals

te Jokohama, alle van elkaâr gescheiden staan in de straten. Slechts

weinig europeesche huizen staan ertusschen, en dan zijn dat meestal

openbare gebouwen. Het was er zeer druk in de straten, en verscheiden

Japanners zag ik in europeesche kleederdracht.

Naast den ingang tot het tempelplein zag ik twee van die

karakteristieke torens met de vele opgewipte daken, het eene boven het

andere en alle met klokjes behangen. De geheele ruimte en alle wegen

vóór en om den tempel waren overvol van menschen, die zich samendrongen

om de vele winkeltjes en kramen; het geheel zag eruit als een kermis.

De tempel zelf was van voren open en de achtergrond werd ingenomen

door veel Boeddhafiguren. Naast sommige van die zwaarlijvige oude

heeren, die waarschijnlijk wat te slaperig waren geworden, hing een

bel, waardoor men hun opmerkzaamheid kon trekken. Vóór anderen stond

op een paar pas afstands een traliewerk met nauwe mazen, waardoor de

belanghebbenden hun wenschbriefjes, tot een balletje ineengedraaid,

naar den god moesten spuwen, die hun ondanks dat gemis aan respect

vergenoegd toelacht, want de meeste balletjes blijven in het hekwerk

hangen en dan behoeft hij zich om de wenschen niet te bekommeren.

Het voornaamste deel der stad, waar de meeste villa's van de Europeanen

en ook de gezantschapsgebouwen liggen, is de keizersstad in het

centrum van Tokio. Zij wordt door een geweldigen muur en een breede

gracht omsloten, en een even sterke binnenmuur omringt de keizerlijke

gebouwen. Op wijde open pleinen zag ik er juist de gardecavalerie

een oefening houden.

Mijn europeesch middagmaal in het hôtel versmadend, ging ik in een

japansche restauratie eten. Toen kleine moesme's de achterwanden van

de zaal uiteenschoven, kreeg ik een echten, japanschen miniatuurtuin

te zien. Zoo'n tuintje maakt den indruk van zeer groot te zijn, want

alleen de voorwerpen en de planten, die op den voorgrond staan, hebben

hun natuurlijke grootte. Ze worden naar achteren toe al kleiner; de

boomen en struiken worden kunstig gekweekt tot dwergvormen, zonder dat

zij hun natuurlijk aanzien verliezen, en de kleine bruggen, watervallen

en pagoden behooren dan bij het poppige geheel. De zinsbegoocheling

is zoo volkomen, dat men een groot park vóór zich meent te zien in

een betrekkelijk kleine ruimte.

Het was mijn wensch, ook iets van het binnenland te zien, en terwijl

ik nog overdacht, hoe dat het best in te richten, klopte aan mijn

deur een japansch heertje, dat zich in correct Duitsch als gids

aanbood. Daar hij mij beviel, goede getuigschriften had en een goed

fietser beweerde te zijn, huurde ik hem voor een langere fietstoer

door het binnenland. Ons eerste doel was Nikko, de heilige stad in

het gebergte.

Wij overnachtten op den tocht over de heerlijk gladde wegen in het dorp

Akabane, goed verzorgd door aardige japansche meisjes, en lang zocht ik

's avonds in het woordenboek japansche termen op, om vrijer te kunnen

praten met het vroolijke volkje, terwijl de kaars flikkerde op het

kleine, lage nachttafeltje en ik op de zachte kussens lag te rusten.

Het mooiste gedeelte van den weg naar Nikko was het laatste, een 30

K.M. lange, prachtige laan van hooge boomen, bestemd om de geloovigen,

die naar de heilige tempelstad op weg zijn, in de rechte stemming te

brengen. Per fiets zelfs reden wij volle twee uur lang op dien weg, die

door overoude boomen van wel 30 M. hoogte overschaduwd wordt, terwijl

tusschen de zware stammen telkens kijkjes werden geopend op een zonnig

berglandschap, niet ongelijk aan dat der italiaansche Apennijnen.

't Bergstadje zelf ligt langgerekt aan een schuimende rivier, door

dennenbosch omgeven. De reusachtige tempelgebouwen zijn de beroemdste

van Japan, en als men de bronzen voorwerpen en de lakwerken van

den tempelschat beziet, merkt men eerst, hoeveel minder de dingen

waard zijn, die van dien aard in de winkels van Tokio en Jokohama

verkocht worden.

Maar de houten gevels der voornaamste gebouwen zelf, al zijn ze ook nog

zoo kunstvaardig uitgesneden, kunnen op een Europeaan, die nu eenmaal

aan monumentale steenen gebouwen gewend is, nooit dien overweldigenden

indruk maken, dien zij op den Oostaziaat uitoefenenen. Ook de verdere

omgeving van de stad is prachtig, en het speet mij, dat ik die al

zoo spoedig moest verlaten.

Te Kobe, waar ik later vertoefde, ondernam ik met een kleine

kuststoomboot een tochtje op de binnenzee van Japan. Die vaart langs

de duizenden beschut gelegen eilanden is een groot genoegen, vooral

als men dicht langs den oever gaat en 't drukke verkeer op 't land

kan waarnemen. Den tweeden dag kwamen we aan ons doel, het heilig

eilandje Miyasjima. Het is met een heerlijk dicht loofbosch bezet,

waarin men uren lang in half-donker loopt, om dan aan de kust weer

plotseling het schitterend uitzicht op de andere eilanden en de blauwe

zee te genieten.

Het aardigste hôtel van heel Japan heb ik daar bewoond; 't bestond

uit wel een paar dozijn allerliefste japansche huisjes, elk met twee

of drie vertrekken voor één gast, tusschen vijvers en ruischende

beekjes in een heerlijk park. Vriendelijke gezelligheid vond ik er

onder het argelooze volkje, soms bij onschuldig kaartspel en de kleine

vingerhoedjes saké of rijstwijn, en eerst toen ik mij eenige dagen

later weer aan boord van een elegante stoomboot onder Europeanen

bevond, kreeg ik het gevoel van eenzaamheid, dat iemand soms kan

overvallen in een vreemd werelddeel onder onverschillige menschen,

maar dat men nooit gevoelt, als men des voorjaars in Japan gaat reizen.

Een geheelen dag waren wij langs Korea's oostkust noordwaarts gevaren

en hadden een meer dan 2000 M. hoog oprijzende, besneeuwde bergketen

vóór ons gezien, die even kaal en ongastvrij leek, als het chineesche

kustland.

Toen ik daarna 's morgens ontwaakte, lag het schip reeds voor anker

in de haven van Gensan, de noordelijkste plaats van Korea die door

de stoombooten naar Wladiwostok wordt aangedaan.

Het stadje, in japansch-chineeschen bouwtrant, ligt zeer schilderachtig

aan den voet der hooge bergen in een wijde bocht. Eenige straten

op de helling waren bevolkt met in het wit gekleede figuren met een

zonderlingen breedgeranden hoed met kleinen, hoogen bol, een hoed,

gelijkend op dien der Rondkoppen uit Cromwell's tijd. Dwaas staat

dat hoofddeksel op de dikke, goedmoedig domme Mongolen-gezichten,

en daar het maar even past op den haarknoop, moet het met een zwart

lintje onder de kin worden vastgebonden. Maar niettegenstaande dat

wiebelt de hoed bij elke haastige beweging, zoodat de zorg, om den

hoed op het hoofd te houden, het voornaamste deel van den dagelijkschen

arbeid van een Koreaan uitmaakt.

Men zag er veel Japanners, en in een zindelijk japansch hôtel nam ik

mijn intrek. Het tolwezen der havens van Korea wordt door engelsche

beambten, die in koreaanschen dienst zijn, bestuurd, en daar ik wist,

dat ook in Gensan een der vijf daar wonende Europeanen als zulk een

commissioner hoog stond aangeschreven, zocht ik hem op, ten einde

hulp en raad te vragen voor mijn reis dwars door Korea. Ik had al

vroeger veel moeite gedaan, om daaromtrent inlichtingen te krijgen,

maar het was mij niet gelukt.

Als altijd bij Engelschen in 't buitenland was de ontvangst, die wij in

de mooie villa, waar de ambtenaar met zijn beminnelijke vrouw woonde,

te beurt viel, zeer innemend, en dadelijk werden maatregelen genomen,

om de omslachtige uitrusting, voor mij en mijn bediende noodig,

bijeen te krijgen.

De weg dwars door Korea tot de hoofdstad Seoel bedraagt 250 K.M., maar

met een omweg naar het Zuiden ter wille van de jacht zouden het 400 à

500 K.M. zijn. Zeer moeilijk was het, een betrouwbaren gids te krijgen,

en de kaarten zijn uiterst gebrekkig. Er was geen mogelijkheid op,

iemand te vinden, die mij geleiden kon en ook maar enkele brokken

van eenige europeesche taal meester was, en zoo moest ik ten slotte

een jongen knaap aannemen, met wien ik mij in de eerstvolgende weken

enkel door gestes en een paar koreaansche woorden kon onderhouden,

welke laatste ik mij nog gauw door den tolk van den commissioner had

laten voorzeggen.

Bijna nog bezwaarlijker ging het, paarden te krijgen, waarvan ik er

vier noodig had. Eén ervan zou alleen geld hebben te dragen, maar

geen goud en zilver, doch zakken met koreaansche kopermunten, die in

't binnenland alleen geldig zijn. Vijf ervan zijn ongeveer één penning

(dus gaan er ruim 8 van op één hollandsche cent), zoodat een paard

nauwelijks f 60 (holl.) dragen kan.

Eerst den tweeden dag werden er paarden gevonden, die reeds met lasten

gedroogde visch onderweg waren en voor mij teruggehaald werden. Zadels

zijn er in Korea niet; die moest ik leenen van europeesche bekenden.

Proviand en keukengereedschap werd gekocht en daar men algemeen een

tent voor onmisbaar hield, zocht en vond ik een japanschen snijder,

die beloofde, voor een waarde van 12 holl. guldens mij een tent van

dubbel linnen te bezorgen. Hij viel echter 's nachts onder het werk in

slaap en bracht het werk zijner handen eerst tegen den middag; maar

't was dan ook een prachtstuk van geschiktheid en duurzaamheid. Men

kon erin staan; er was plaats voor vier personen om te slapen, en

de tent kon zeer snel met behulp van drie stangen worden opgezet. De

touwen worden er van menschenhaar gedraaid en zijn onverslijtelijk.

Door de krachtdadige hulp van den commissioner waren eindelijk na twee

dagen alle hinderpalen overwonnen, en ik kon opbreken. Buiten mijn

gids had ik nog twee Koreanen als paardenknechten en drijvers der beide

pakpaarden bij mij. De eene was altijd stil als 't graf, een vlijtige

knaap, die de dieren bijna geheel alleen verzorgde, de andere was,

trots zijn afschrikkende leelijkheid, verbazend ijdel; hij had drie

hoeden bij zich, de eene nog hooger dan de andere. Altijd bereid om een

grapje te maken, zong hij van den morgen tot den avond zijn eentonige

liedjes met eindelooze trillers, sloot innige vriendschap met mijn even

langen, duitschen bediende en bracht dien ten slotte er toe, samen door

't heerlijkste tweestemmig gezang den marsch te veraangenamen.

De paarden, die nooit harder dan vlug stapvoets gingen, waren, als

alle koreaansche paarden, zeer lastig. Op 't eind der reis had elk

van ons kwetsuren van hoefslagen, en het verbaast mij nog, dat bij die

herhaalde stooten tegen de borst en den buik geen zware verwondingen

werden toegebracht; de stallen waren iederen morgen kapotgeslagen.

De eerste twee dagen reden wij langs de zee naar het Zuiden, vaak over

steile rotsen of er omheen door de zee. In 't begin kwamen we door vele

dorpen. De vrouwen, die wij tegenkwamen, gingen op zij en draaiden ons

zedig den rug toe, als ze niet gesluierd waren. De dorpen herinnerden

dikwijls in den bouwtrant van de huizen aan arabische, meestal waren

het hutten van stroo en leem. Uit vele woningen kwam een benauwde,

onfrissche lucht, want in de vuile, van ongedierte wemelende huizen

wordt onder den vloer gestookt. Het wordt er dan bovenmatig warm en

luchten doet men nooit.

Te Tong-Tsjen, waar wij aan den avond van den tweeden dag kwamen,

liet ik de tent opslaan op de begraafplaats, die aan den oever eener

rivier onder oude boomen lag. Ook later gaf ik aan zulke kampen de

voorkeur, daar zij bij het bestaande bijgeloof der Koreanen ons voor

nachtelijke bezoeken beveiligden, beter dan mijn waakzame hond en

de schietoefeningen, die wij dikwijls hielden, om aan het volk onze

weerbaarheid te toonen, als het niet al te vriendelijk gezind scheen.

De bodem van de tent werd met een laag stroo en dekens belegd. Wij

sliepen daar honderdmaal beter en veiliger, dan in de koreaansche

woningen. Mijn maal, dat meest uit eenden en fazanten bestond, die

wij overal onderweg in massa aantroffen, werd door mijn bediende bij

het open vuur vóór de tent bereid onder de oogen der gezamenlijke

dorpsbewoners.

De volgende dag werd voor de tijgerjacht bestemd, daar de menschen

allen met een gewichtig gezicht "bohm, bohm" riepen en op 't gebergte

wijzend de beweging van schieten maakten. Een der belangrijkste

woorden van mijn armzaligen koreaanschen woordenschat was nu juist

bohm, de tijger.

Met acht dorpsbewoners, die zich met lange speren gewapend hadden,

braken wij den volgenden morgen op. Mijn zangerige paardenknecht

mocht natuurlijk ook niet ontbreken; hij voerde een groot woord,

trachtte mijn bediende goeden raad voor alle mogelijke eventualiteiten

te geven en gesticuleerde daarbij met zijn spies zoo heftig, dat hij

ontelbare malen zijn hoed, dat kind van vele zorgen, moest naloopen,

als hij den berg afrolde.

Na een marsch van vele uren in de bergen kwamen we aan een zeer

romantische bergkloof, in welker diepte zich het hol van den tijger

moest bevinden. Onze jachtgenooten waren al te voren steeds stiller

geworden; de zanger liep geheel achteraan, en toen wij aan den rand der

kloof werkelijk eenige volkomen versche tijgersporen vonden, beduidden

mij de dappere speerdragers, dat zij in geen geval meer naar beneden

zouden dalen in de kloof; maar dat zij er de voorkeur aan gaven, van

bovenaf een kijkje te nemen. Niettemin begonnen ze allen ijverig hun

lansen te wetten, vermoedelijk om hun dapperheid ermee op het lijk

van den tijger te toonen en mij 't gehoopte, mooie vel te bederven.

Zoo gingen wij dan alleen naar beneden, echter niet zonder dat ik mijn

bediende beval, zijn muzikalen vriend ondanks diens tegenstribbelen,

mee te nemen, opdat hij van nabij zou zien, wat wij deden, en wij,

als we mochten worden opgegeten, ten minste in zijn gezangen zouden

voortleven!

Van de Ganges naar den Amazonenstroom De Aarde en haar Volken, 1904 · 第 1 / 4 段