HOOFDAFDEELING VI. HOLTEDIEREN.

Ook de diersoorten van deze hoofdafdeelingen zijn met weinige

uitzonderingen straalsgewijs symmetrisch van bouw. Zij bestaan

uit eenen lichaamswand, welke eene lichaamsholte insluit, die bij

de eenvoudigst gebouwde Holtedieren (zoetwaterpolyp) zakvormig is,

maar bij de hoogere dieren dezer groep uit verschillende afdeelingen

is samengesteld, en niet slechts voor de opneming van spijs en voor

de vertering, maar ook voor de rondvoering der verteerde voedende

stoffen dient. Bij verscheiden Holtedieren zet zich in den lichaamswand

eene harde zelfstandigheid af, die ook na den dood blijft bestaan;

daaruit zijn opgebouwd de roode koralen, die voor de vervaardiging

van verschillende sieraden dienen, alsmede de polypen, welke de

"koraaleilanden" vormen.--Met uitzondering alleen van de sponzen,

bezitten alle Holtedieren zoogenoemde "netelorganen", met behulp van

welke zij de door hen gevangen dieren dooden, en waardoor zij voor den

aanval van andere dieren beschut zijn.--Zij planten zich door eieren

voort, vele echter door vorming van knoppen, die zich later kunnen

afscheiden en aldus zelfstandige dieren worden. (Zoetwaterpolyp). Bij

vele soorten komt het echter voor, dat de knoppen gedurende haar

geheele leven blijven vastzitten; dan vormen zij een' zoogenoemden

"polypenstok". Er zijn ook vrij in de zee rondzwemmende Holtedieren,

nl. de kwallen (fig. 164).--Daar bijkans alle Holtedieren in de zee

leven, en de weinige overigen in 't zoete water, zijn zij geen van

allen voor den landbouw van beteekenis.

Beginselen der dierkunde · 第 25 / 28 题