De spinachtigen ademen--voorzoover zij behalve de huid nog
afzonderlijke ademhalingsorganen hebben--door tracheeën of door
zoogenoemde "longzakken", die slechts eene wijziging van tracheeën
zijn. Het lichaam bestaat hoogstens (zooals bij de ware spinnen)
uit twee lichaamsafdeelingen, welke ieder voor zich ongeleed zijn:
kopborststuk en achterlijf (fig. 154). Terwijl het laatste lichaamsdeel
geene ledematen heeft, bezit het eerste als aanhangselen de vergift
uitstortende monddeelen, alsmede 4 paar pooten.
Er zijn echter ook spinachtigen (de mijten, fig. 155), bij welke ook
't kopborststuk en 't achterlijf nog weer tot één ongeleed lichaam
vereenigd zijn, zoodat het dier nog slechts door de gelede pooten
als een Geleed dier te herkennen is (zie bl. 127).
Tot de spinachtigen behooren o. a. de volgende orden: ware spinnen,
schorpioenen, langpootspinnen of hooiwagens, mijten.
De ware spinnen zijn, voorzoover zij òf rustig in hare web zittende
òf de prooi achtervolgende, schadelijke of lastige insekten vangen,
eenigszins nuttig.
Tot de mijten behooren o. a. de kaasmijt, die op harde soorten van kaas
bij duizenden kan voorkomen, en de kaas in een poeder verandert,--de
meelmijt, die zich sterk vermeerdert in meel, dat op eene warme,
vochtige plaats bewaard wordt,--de schurftmijten, waarvan verschillende
soorten bij onderscheiden dieren en ook bij den mensch eene huidziekte
kunnen veroorzaken,--de teken, die gewoonlijk op den grond leven,
maar soms tegen struiken en kruidachtige planten opklimmen, om van
deze op honden, schapen, runderen, enz., ook wel op den mensch, over
te gaan, waaraan zij zich vast hechten, en dien zij bloed afzuigen.