LENTELEVEN

Als je meent, dat de hei alleen maar mooi is in den nazomer, wanneer de

erica bloeit en haar herfstweelde in alle schakeeringen van paars en

rood ten toon spreidt, dan heb je het heelemaal mis.

Want de hei is altijd mooi!

De hei is mooi bij hooge blauwe luchten, die lijnen en kleuren zoo

scherp doen uitkomen, en bij laag neêrhangende regenwolken, wanneer de

toppen der boomen in nevel zijn gehuld; in den zomer, wanneer 't heete

zand de lucht daarboven doet trillen en de horizon in blauwigen nevel

wordt weggedoezeld, en in den winter, wanneer 't kale struikgewas zich

zwart tegen den besneeuwden bodem afteekent en de dennebosschen zwijgend

op de witte vlakten nederzien.

Wat in de hei zoo aantrekt, is de rust, de diepe, plechtige rust. Het is

er zoo stil, zoo verheven stil. Men voelt er zich als in een heiligdom.

Een heiligdom mag niet druk zijn. Lijnen, verhoudingen, kleuren, 't moet

alles in harmonie zijn. Niets mag er wezen, dat te veel de aandacht

trekt, want dan wordt de harmonie verbroken en komt er een te harde toon

in den lofzang, die er door henen ruischt. Het verhevene is altijd

harmonisch. Het majestueuse is altijd stil. De kleine mensch maakt

gaarne drukte. God spreekt in de stilte. Die in Gods heiligdommen

ingaat, gaat in de stilte in en dan wordt ook zijn hart een heiligdom,

waarin vrede woont.

Zulk een heilige tempel is de hei. Is er hooger koepeldak denkbaar dan

de hemel, die er zich over heen welft, wijder ruimte dan de eindelooze

uitgestrektheid van den golvenden grond? De hoogste heuvel daar is een

kansel, waarop je de grootheid Gods zoudt willen verkondigen, die groep

statige boomen er om heen een orgel, waar de psalm zijner eer uit

oprijst.

Zie je die houthakkers, die daar midden op de hei een vuurtje hebben

aangemaakt? Wat zitten ze met hun blauwe kielen en roode dassen daar

aardig om heen! Schilderachtiger en vrediger kan het al niet. Maar het

intiemste is toch wel het rookzuiltje, dat regelrecht naar boven stijgt,

telkens veranderend en toch zich zelf gelijk blijvend, steeds zich

bewegende en toch stil: een gebed, ten hemel gezonden. En onwillekeurig

kom je in de stemming om meê te bidden.

Ben je blij, ga dan naar de wijde, zwijgende heidevelden en jubel daar

je blijdschap uit. Ben je bedroefd, ga dan ook, want de hei verstaat

de smart van 't arme menschenhart, zij hoort, wat niet kan worden

uitgesproken, zacht klaagt zij mede de klacht, die niet onder woorden

kan worden gebracht.

Nu zijn er misschien stadsmenschen, die meenen, dat je tot de beschaafde

kringen moet behooren, om de taal der natuur te verstaan! Wanneer ze een

paar weken buiten zijn, genieten ze van de stilte, zoo in tegenstelling

met het drukke stadsleven, van de eenvoudige schoonheid van bosch en

hei, die niets gemeen heeft met de vermoeiende schittering der hel

verlichte straten, en keeren verkwikt terug naar hun bezig leven. Maar

't is de vraag, of zij de taal der natuur hebben verstaan!

Het intieme meêleven met de natuur, het door en door begrijpen van haar

spraak, moet je toch eigenlijk zoeken bij hen, die er dagelijks meê

omgaan, ja, zelven een stuk natuur zijn geworden. Zij zullen het zich

misschien niet zoo bewust zijn, het niet met zoovele woorden kunnen

uitdrukken, maar zij leven veel inniger met de natuur mede dan menig

beschaafd mensch wiens hoofd en hart door allerlei zorgen is ingenomen.

Geen enkele verandering van windrichting of wolkenformatie ontgaat hun.

Zij hebben overdag geen zakuurwerk noodig om te zien, hoe laat het is en

richten zich naar den stand der zon even nauwkeurig als de stationschef

naar zijn klok. Zij weten, wat het loeien van hun beesten en het blaten

van hun schapen beteekent, het zenuwachtig trappelen van hun paarden,

of 't onrustig heen en weer schuren van hun kalveren. Zij geven acht op

de richting der vogels, op het gonzen van de bijen, op het ruischen van

de beek. Alle geluiden in de natuur hebben beteekenis voor hen, alles

spreekt tot hen. Zet eens een buitenman in de stad. Eerst kijkt hij zijn

oogen uit en meent, dat alle menschen hun zondagsche spullen aan hebben,

maar al heel spoedig zoekt zijn oog den wijden hemel, de zon, de maan,

de bosschen, de velden, ach, hij zou het tusschen al die steenen huizen

niet lang uithouden!

Zoo was het tenminste Jaap Boesveld gegaan, toen hij een paar dagen

bij zijn zuster in de stad was geweest om zijn dochter te bezoeken, die

in 't ziekenhuis lag, maar hoeveel mooie dingsigheidjes hij ook in de

winkels achter de ramen had zien liggen, en hoeveel vreemds hij ook van

de stadslui had gezien, hij had toch telkens tegen zijn zuster moeten

zeggen: »mensch, ik weet niet, hoe je het hier uithoudt!« »Gewoonte,

Jaap, alles gewoonte,« had zij hem geantwoord, »en een mensch heeft er

zijn brood.« Jaap had daar op niets kunnen antwoorden, maar hij was

blij geweest, toen hij weer met Jenneke, de vrouw, in zijn hoeve op de

stille hei terug was. 's Avonds zag hij voor zijn huis de maan opgaan.

't Trof hem, hoe plechtig stil 't daar buiten was en hoe statig de maan

omhoog rees. In de stad moest je 'm zoeken tusschen hooge daken en

schoorsteenen, maar hier zag je 'm al, krek als ie boven den horizon

kwam. En Jaap had een gevoel gekregen, of hij zijn pet had willen

afnemen, net als in de kerk, wanneer de meester zoo mooi op 't orgel

speelde.

Jaap hield veel van de hei. En weet je waarom?

Omdat je er zoo goed kon prakkizeeren.

Dat prakkizeeren was zooveel als een familiekwaal. Vader had er ook last

van gehad, maar toen hij er meê was opgehouden, was 't ook metéén met

hem gedaan geweest. Vader prakkizeerde zóó diep, dat de meester en zelfs

de dominee hem om raad kwamen vragen. »Boesveld, wat moeten wij doen?«

En dan had vader nooit dadelijk antwoord kunnen geven, maar als 't

dan later goed of slecht uitkwam, zei vader altijd: »dat had ik wel

gedacht.« Veel spreken deed vader niet, want, zie je, die veel zegt,

heeft veel te verantwoorden, maar denken deed hij zooveel te meer!

Op het laatst van zijn leven was hij er over gaan prakkizeeren, waarom

hij na een moeizaam leven niet stillekes mocht sterven, en waarom hij

anderen tot last moest zijn. En of zij hem al hadden gezegd, dat vader

heelemaal niet tot last was en dat ze vader nog graag wat bij zich

hielden, het had niet geholpen.

Eindelijk was de dominee er aan te pas gekomen. Die had hem gezegd, dat

hij niet langer zoo mocht tobben en geloovig moest afwachten, wat God

doen zou.

Dat had geholpen, maar toen was 't ook metéén met vader gedaan geweest.

Jaap was graag op de hei. Wanneer hij 's morgens den dauw op de

heiplanten zag glinsteren in de zon en zoo'n grooten droppel zag

schitteren in een spinneweb, was het hem, of er een sterretje van den

hemel was gevallen, dat onze lieve Heer vergeten had op te rapen. Zóó

had hij gedacht, wanneer zijn kleine Geertje met hem naar buiten liep

en dan schik had in die mooie sterretjes, zooals zij ze noemde.

Ach, Geertje! ach, Geertje!

Één plek in de hei was er, waar Jaap altijd naar moest kijken. Dat was

de plek, waar drie berken stonden. Wat stonden ze daar met hun zilveren

stammetjes aardig bij elkaar! In het voorjaar kwamen ze met hun glimmend

wit zoo mooi tegen de helder blauwe lucht uit, en als dan de eerste

blaadjes kwamen, wel, dan was nergens teerder groen te vinden.

Jammer, dezen zomer was het kleinste der drie boompjes dood gegaan. Hoe

dat gekomen was? Misschien had 't grootste van de twee andere 't geen

lucht gegeven om te leven. Wie zal 't zeggen? Nu kon je niet zien, dat

't kleinste berkje dood was, tenminste niet op een afstand, want 't was

laat in November, guur en somber en ze hadden alle drie hun bladeren

verloren.

Waarom hij toch telkens naar die berken moest kijken? Omdat daar 't

plekske was, waar zijn eenig kind, zijn Geertje, zoo graag had gespeeld,

toen ze klein was.

Hij ziet haar nog met haar blonde haren onder den strooien hoed uit

en met haar pop in de bloote armen. Uren kon zij daar heen en weer

drentelen in haar katoenen jurkje en bonte schort, terwijl vader in de

nabijheid hout hakte of dennen pootte.

Die drie berken had zij »Vader« en »Moeder« en »Geertje« genoemd. De

langste was »Vader«, de dikste »Moeder« en de kleinste, »Geertje«, of

»ikke«, zooals ze altijd zei. En dan lachte ze zoo helder, dat 't

aardigheid was en je wel moest meêlachen.

Waarom was Geertje niet bij vader en moeder thuis gebleven?

Ze had met alle geweld naar de stad gewild. Ze kon op de stille hei niet

aarden. Ze moest onder de menschen.

Vader en moeder hadden er eerst erg op tegen gehad. Maar hoe gaat het,

wanneer zoo'n kind eenmaal haar zinnen er op heeft gezet en je een

zuster in de stad hebt wonen! En zoo was zij gegaan. Maar hij had er

hartzeer genoeg van gehad. Waarom was hij niet standvastiger geweest en

neen blijven zeggen?

Anderhalf jaar geleden was ze nog thuis geweest. Voor 't laatst! Ze

had toen wel erg wonderlijk gedaan en veel zitten prakkizeeren, maar

hij had daar niet zooveel acht op geslagen, want dat zat nu eenmaal

in de familie. Wel had hij 't vreemd gevonden, dat zij telkens zoo had

gehuild! Geertje was niet meer de vroolijke Geertje van vroeger geweest.

En toen ze wegging, had ze zóó schrikkelijk gehuild, dat hij meewarig

had moeten zeggen: »nou kind, hou je maar goed.«

Jenneke, de vrouw, had 't beter begrepen. Daar zijn 't dan ook vrouwlui

voor. Want toen een groot half jaar later de tijding kwam van de

geboorte van Geertjes kindje, een jongetje, toen was zij heelemaal niet

van streek geweest, zooals hij, maar kalm en bedaard en had precies

geweten, wat ze deed. Ze zei hem toen nog, dat hij niet zoo boos mocht

wezen, dat 't toch zijn eigen kind was en dat hij haar niet verstooten

mocht.

En dat had hij ook niet gedaan. Ze had zelfs wel thuis mogen komen,

maar.... zonder 't kind. Altijd die schande voor oogen, dat wilde hij

niet.

Daarom had hij ook dadelijk voor ouderling bedankt. De dominee was nog

bij hem geweest en had getracht hem tot aanblijven te bewegen, maar Jaap

was onverzettelijk geweest. Een ouderling moest iemand zijn, die zijn

huis wèl wist te regeeren, dat wist dominee toch ook wel. Deze zei toen,

dat een vader toch niet verantwoordelijk was voor wat zijn dochter

buiten's huis verkeerd deed, maar, zie je, daar had nou de dominee zoo

geen verstand van, wat die had geen kinders en kon dus niet weten, wat

een vader in zoo'n geval voelde.

Zoo was Geertje weggebleven. Zij wilde niet zonder haar kindje thuis

komen en daarom was ze dadelijk na haar bevalling hard aan 't werk

gegaan om 't kostgeld voor 't kind te kunnen betalen. Tante was te oud

geweest om 't kind bij zich te nemen.

Of had Geertje zelve ook niet willen thuiskomen om de schande in het

dorp?

Dat vroeg Jaap zich gedurig af, terwijl hij naast zijn bruine voortliep,

die in gelijkmatigen tred de kar met plaggen voorttrok.

Geertje was reeds een maand of zes in het ziekenhuis. Al dadelijk, toen

ze uit werken was gegaan, was ze gaan sukkelen en eindelijk was 't zóó

erg geworden, dat de dokter het beter had gevonden ze in 't ziekenhuis

te doen opnemen.

Hij en Jenneke hadden haar al eens bezocht. Ze lag op een groote zaal.

Mensch, mensch, wat 'n zieken bij elkaar! Zoo iets had hij nog van zijn

leven niet gezien! Hij had Geertje eerst heelemaal niet kunnen vinden,

maar een zuster,--een vriendelijk schepseltje, dat was niet anders te

zeggen--had hem den weg gewezen: op één na de laatste krib rechts. En

daar lag ze. Eerst was ze wat beduusd geweest, toen ze vader en moeder

zag, maar anders had 't nog al geschikt. Wel had ze niet veel gezegd

en gedurig de oogen dicht gedaan en dan waren er zoo'n paar diepe,

pijnlijke rimpels gekomen, net of ze over 't een of ander lag te

prakkizeeren, waar ze geen weg meê wist; heelemaal niet meer de

vroolijke Geertje van vroeger. Ze had onrustig met 't hoofd liggen

draaien en op alle vragen weinig asem gegeven.

Maar de laatste weken was 't niet al te best geweest. Jenneke had 't

niet langer kunnen uithouden en was naar haar schoonzuster gegaan om

Geertje dagelijks te kunnen bezoeken. Nou, dat vond Jaap voor de

gerustigheid veel beter. Je kon toch zoo'n onnozel schaap niet

moederzalig alleen laten liggen.

Nu had hij dien morgen, juist toen hij op 't punt stond de plaggen te

gaan halen, waarmede hij nu terugkwam, een brievekaart uit 't ziekenhuis

gekregen, zeker van een zuster, dat Geertje hard ziek was en graag had,

dat hij overkwam.

Hij had natuurlijk niet dadelijk kunnen gaan, want je moet toch eerst

overleggen, hoe je den boel vóór mekaar moet krijgen. Twee koeien,

waarvan de stal moest worden uitgemest en waarvoor hij juist de plaggen

had gehaald, een paard en vier varkens, dat kon je toch niet allemaal

op eens aan een jongen knecht overlaten. Maar als hij morgen met den

eersten trein ging, kon hij al om tien uur 's morgens in de stad zijn.

Geertje hard ziek! Arm kind! Nou zou ze wel sterven. Hij had altijd nog

hoop gehad, dat 't ten langen leste nog wel zou schikken, maar nou was

't mis!

Zou ze voor d'r zelve vrede hebben? Want ze had toch in de zonde

geleefd. Zou ze voor Gods rechterstoel kunnen bestaan, als de boeken

geopend werden? Als hij ze morgen zag, zou hij vragen, hoe of ze er vóór

stond. Dat was hij als vader verplicht. Ach, hij had 't haar bij zijn

eerste bezoek ook al willen vragen, maar toen had hij niets kunnen

uitbrengen. Hij had zoo'n medelijden met haar gehad. 't Was niet trouw

geweest. Maar nu zou hij beter oppassen. Al was 't zijn eigen Geertje,

hij zou 't haar aanzeggen. Ja, juist omdat 't zijn eigen kind was, zou

hij 't haar aanzeggen. Hij zou zijn eigen smart trachten te vergeten en

alleen aan 't zieleheil van zijn kind denken.

Arm kind, zoo jong nog en dan te moeten sterven door eigen schuld. Want

't Woord sprak waarheid: »de bezoldiging der zonde is de dood.«

Zóó liep Jaap Boesveld te peinzen naast zijn bruine, die rustig de kar

met plaggen voorttrok.

Hij had de zweep onder den arm en het pijpke, hoewel reeds lang

leeggerookt, vast tusschen de tanden. Niet dat Jaap de zweep ooit

gebruikte. Paarden moet je niet slaan. Je moet tegen ze praten: »hu

bruine! Kom bruine! Wat is er bruine?« dan kon je alles van ze gedaan

krijgen. Net menschen, die dieren.

En Geertje dan? Of was hij misschien te zacht tegen haar geweest,

te toegefelijk? Nou ging ze sterven, door eigen schuld.--Door eigen

schuld? Die vraag rees voor het eerst in zijn hart op, heel beslist en

duidelijk. Door eigen schuld, Jaap? Maar als jij ze met haar kindje in

huis had willen nemen, als jij je hoogmoed wat meer de zweep had laten

voelen, had ze zich dan ook behoeven dood te werken? Hij moest erkennen,

dat, als hij tegenover Geertje te toegefelijk was geweest, hij het

tegenover zijn eigen hoogmoed nog veel meer was geweest. Bij zijn bezoek

in 't ziekenhuis had hij niet naar 't kind willen vragen. Hij had nooit

met iemand over 't kind willen spreken. Was Geertje misschien daarom zoo

stil geweest?

Jaap had zich deze dingen nog nooit zoo afgevraagd als nu. Hij had er

nooit aan getwijfeld, of hij had goed gehandeld, maar of het kwam van

den schrik, dat hij Geertje zou moeten verliezen, dat wist hij niet,

maar hij begon aan de rechtmatigheid van zijn gedrag te twijfelen.

Maar Geertje zelve had toch ook nooit met haar kind op 't dorp willen

komen. Dat wist Jaap zeker, want ze had net 't karakter van haar vader.

Met die gedachte paaide hij zich.

Als Geertje er voor haarzelve nu maar goed vóór stond. Hij zou het haar

vragen. Hij had zelfs den dominee ook eens gevraagd, of hij geloofde

in den eenigen algenoegzamen Zaligmaker, en of hij wel vlak lag in de

waarheid, die hij anderen verkondigde. Jongen, jongen, 't was toch

bijster ellendig anderen te prediken en zelf verwerpelijk te worden. Hij

had 't den dominee gevraagd, omdat hij 't als ouderling verplicht was

geweest. Hij zou het zijn eigen vleesch en bloed ook vragen. Dat was hij

als vader verplicht.--Vreemd, tegenover zoo'n onnozel kind was 't toch

veel moeilijker, dan tegenover zoo'n wildvreemden dominee! Maar dat

kwam, omdat 't zoo eigen was.

Intusschen was Jaap met zijn bruine den weg langs 't bosch afgekomen

en den voet van den grintweg genaderd, die langzaam opliep naar den

heuvelrug. Bruine was gewend dat gedeelte van den weg wat harder aan te

stappen en boven te wachten op zijn baas. Jaap liet hem dus stil zijn

gang gaan en volgde langzaam.

Als Geertje stierf, waar leefde hij dan nog voor? Hij had zoo graag zijn

spulletje aan haar vermaakt, als 't nog eens tot een goed huwelijk was

gekomen. Maar nu? Zijn vader had ook gevraagd, waarvoor hij leefde, maar

die was toen oud geweest, terwijl hij, Jaap, nog een betrekkelijk jonge

kerel was van zes en veertig jaar! En op eenmaal werd het heel donker in

zijn ziel. Hij kon de stem van zelfverwijt, die zich telkens weer bij

hem deed hooren, maar niet tot zwijgen brengen. Waarom had hij Geertje

niet met 't kind thuis willen nemen? Waarom had hij haar alleen den last

harer schande laten dragen?

Bruine stond reeds boven op den heuvel te wachten. Jaap liep wat harder

aan en was weldra boven. De lucht was grauw en de avond begon te vallen.

't Was doodstil om hem heen. Het eenige antwoord, dat de hei op al zijn

vragen gaf, was 't ritselen van 't dorre beukeblad, als er een windstoot

door de struiken ging.

Jaap leunde met zijn rug tegen de kar. »Stil bruine, de baas moet

nog even de pijp aansteken.« Hoe meer de zorgen hem drukten, des te

krachtiger rookwolken blies hij uit. Dat was voor Jenneke altijd een

teeken om hem maar stil met rust te laten.

De wind kwam uit 't Zuidwesten opzetten. Met den rug daarheen gekeerd,

achter zijn kar, streek hij een lucifer aan tegen den binnenkant van

zijn jas. De wind blies 't vlammetje uit. Weer een aangestoken, nog een,

nog een. 't Ging niet, hij moest 't opgeven.

Plotseling kwam de zon door een spleet in de wolken te voorschijn en

wierp vóór het scheiden een gouden lichtgloed over bosch en hei. Zie,

hoe alles gloeide en tintelde! Wat een schakeeringen van groen en bruin

en wit! In vierkante vakken zag je het lichte groen van den jongen

dennenaanplant met 't donkere bruin der uitgebloeide heidestruiken daar

tusschenin. Het dorre blad onder aan eike- en beukeboomen straalde in

hel-bruin en in de verte trilden de sparrebosschen van vreugd in hun

gouden feestgewaad. En dan telkens daartusschen in die bultige heuvels

met hun witte zandhellingen en die plekken zwarte hei; het was alles één

harmonisch geheel: vóór 't scheiden van den dag zong de hei haar

avondzonnezang, vredig en plechtig.

Maar 't ging alles aan Jaap voorbij. Hij zag niets dan zijn eigen leed,

hij hoorde niets dan 't zuchten van eigen hart. Hij stond daar, met

den rug naar 't licht toegekeerd, de pet diep in de oogen, voor zich

uitstarende naar de zwaar neêrhangende luchten, die, nadat de zon achter

een grijze bank was weggezonken, in vale eentonigheid over de hei

wegdreven.

't Werd avond en nog stond Jaap in 't duister te staren, verdiept in

eigen leed. Als je beneden op den weg had gestaan, had je de silhouetten

van paard en kar en boer daar op den heuvel zich duidelijk tegen den

avondhemel kunnen zien afteekenen. Onbewegelijk stond 't geheel daar,

als uit de hei opgegroeid.

Er begon regen te vallen. Toen kwam er beweging in 't heidebeeld. 't

Kiezel knarste onder de lompe wielen, stootend en knoerpend ging de kar

den heuvel af, de duisternis in. De omtrekken werden al flauwer, 't

geluid der wielen al zwakker, eindelijk werd het heelemaal stil. De hei

zou ook dit leed, als zooveel ander, zwijgend bewaren, als straks de

plek, waar 't haar werd toevertrouwd, zou zijn toegedekt met 't zwarte

kleed van den nacht--------------------------------

* * * * *

Den volgenden morgen om half elf schelde Jaap Boesveld aan bij den

hoofdportier van 't ziekenhuis: »of hij al bij Geertje Boesveld terecht

kon?«

Jawel, die had doorloopend bezoek. De eerste deur rechts, twee trappen

op en dan de eerste deur links, zaal 5.

Jaap ging. Hij wist den weg nog wel van den vorigen keer. Aan den ingang

der zaal bleef hij weifelend staan. Toen kwam er een zuster naar hem

toe, die hem met iets heel vriendelijks in haar stem vroeg: »U komt

zeker Geertje Boesveld opzoeken? Dat zal zij aardig vinden; kom maar

meê, haar moeder is er al.« En terwijl zij met hem naar 't eind van de

lange zaal ging, waar Geertje's bed stond met een wit schermpje er om

heen, zeide zij zacht tot hem: »U wilt er wel om denken, dat zij heel

ziek is?«

Jaap antwoordde niets, 't dwarrelde alles voor zijn oogen. De zuster

schoof tusschen het bed en het scherm in, links van de zieke, terwijl

rechts aan het hoofdeinde haar moeder zat. Langzaam ging Jaap naar

Geertje toe en lei zwijgend zijn hand op haar arm. Zij had de oogen toe

en scheen te sluimeren.

Wat was ze afgevallen en wat zag ze bleek! In half zittende houding,

hoog tegen de kussens aan, met haar dikke blonde vlechten langs de

slapen over de ingevallen borst, lag ze daar als een wassen beeld.

Jaap boog zich voorzichtig over haar heen en gaf haar een kus op het

voorhoofd. Zij sloeg de oogen op en staarde vóór zich uit als

terugkomende ver uit een droomenland, waarvan zij de beelden nog

vasthield.

»Kijk eens Geertje, wie daar is! Zie je 't wel, 't is je vader, die eens

komt zien, hoe 't met je gaat.« Met deze woorden riep de zuster haar

zacht tot de werkelijkheid terug, terwijl zij haar met de hand over 't

hoofd streek.

Geertje deed haar oogen wijd open en toen zij haar vader zag, gleed er

een blijde glimlach over haar mager gezichtje, als een heldere

zonnestraal over een somber najaarslandschap.

Zie je, Jaap, toen de zon gisteren op de hei plotseling doorbrak, merkte

je niets van het lied, dat de scheidende dag als zijn avondzonnezang

zong. Maar hier zie je toch wel den zonneschijn over Geertje's gelaat,

hier hoor je toch wel het afscheidslied van het scheidende leven?

Hij zei Jenneke met een knik g'ndag en zette zich zwijgend tegenover

haar. De onderarmen lei hij op de knieën en de handen liet hij slap

naar beneden hangen en met zijn vingers draaide hij zijn pet heen en

weer. Zóó zat hij naar Geertje te staren.

Nu kon je toch wel zien, dat vader en dochter op elkaar leken. Datzelfde

regelmatige gezicht, dat vierkante voorhoofd, die rechte neus, die

smalle lippen en die breede kin. D'r mooie blauwe oogen had ze van

moeder, maar anders was ze krek d'r vader.

Jenneke zat met betraande oogen aan Geertjes hoofdeinde. Zij hield

Geertjes magere hand vast. De eenige, die er blij en tevreden uitzag,

was de zieke zelve. Zij keek maar rustig naar vader en lachte hem

vriendelijk toe. Al gaf Jaap er zich geen rekenschap van, toch onderging

hij den invloed van Geertje's vredige blijdschap. Hij had verwacht weer

die diepe, pijnlijke rimpels tusschen de oogen te zien, weer dien

onrustigen blik en die ongedurige houding. Hij had zich voorgenomen haar

te vragen, of ze wel vrede had. Maar dat behoefde niet meer! En nu hij

dien glimlach op haar gelaat zag, nu daalde daar op eenmaal een groote

warmte in zijn ziel, en vóórdat hij 't wist, was de vraag er al uit:

»Geertje, hoe gaat 't met je kind, met den kleinen Gerrit?«

Zij antwoordde niet, maar zag hem lang en rustig met haar groote blauwe

oogen aan. Daarna zeide zij, terwijl zij haar hand uit die van moeder

losmaakte en aan haar vader reikte: »Dank u, vader, dat u me vergeven

hebt.«

Op de Levensreis · 第 12 / 36 题