Wie het gebed verzuimt, de stille, gestadige gemeenschapsoefening met
God, berooft zich zelf daardoor moedwillig van de rijkste bron van
kracht.
Wanneer het geestelijk leven niet voortdurend onderhouden wordt, moèt
het wel zwakker worden en sterven. Men heeft de gebedsoefening zoo vaak
vergeleken--en een betere vergelijking kan men wel niet vinden--bij het
naar boven komen van den duiker, die lang op den bodem van het water
gewerkt heeft, maar nu een tijd lang weer in de vrije lucht moet
ademhalen om nieuwe kracht te verzamelen--anders hield hij het niet vol.
Onze Heiland geeft ons hier, gelijk in alles, het voorbeeld. Altijd
weder zocht Hij het aangezicht, de gemeenschap zijns Vaders. En in 't
bijzonder, wanneer de verzoeking zeer sterk tot Hem was gekomen, beklom
Hij den berg, om in de stilte, ver van het menschengewoel af, met God te
verkeeren en zóó in staat te zijn den Satan te wederstaan.
Wie onzer zal dan niet, op oneindigen afstand den Heiland achterna,
dagelijks in het gebed God zoeken, opdat de krachten des toekomenden
levens telkens opnieuw ons toevloeien; opdat wij in staat zijn den
strijd des levens te strijden en weerstand te bieden aan de listige
omleidingen des boozen?