BELIJDENIS

Nadat de Heiland in Galiléa en ook aan gene zijde van de zee van

Tiberias Zijn krachten betoond, Zijn teekenen gedaan en Zijn woorden

gesproken had--krachten en teekenen en woorden, die Hem tot het

middelpunt hadden gemaakt van opgewonden bewondering--heeft Hij zich,

met Zijn discipelen, begeven naar de stille landstreken ten noorden van

het Galileesche meer en aan Zijn discipelen twee vragen gesteld. Ten

eerste: »wie zeggen de menschen, dat ik, de Zoon des menschen, ben?« en

ten tweede: »wie zegt gij, dat ik ben?« Op deze beide vragen hebben de

discipelen geantwoord.

Volgens de menschen is Jezus Elias, of Johannes de Dooper of een van de

Profeten.

En volgens henzelven, Petrus treedt nu op als hun woordvoerder, is Hij

de Christus, de Zoon des levenden Gods.

Na deze uitspraak van Petrus, waarop het bekende woord volgt: »Zalig

zijt gij, Simon Bar-Jona; want vleesch en bloed heeft u dat niet

geopenbaard, maar mijn Vader, die in de hemelen is« (Matth. 16: 14-19)

verbiedt de Heiland Zijn discipelen, aan iemand te zeggen: »dat Hij was

Jezus de Christus.«

Dit is een opmerkelijk verbod. Het werd met allen nadruk uitgesproken.

Markus toch, deze gebeurtenis met weinig woorden weergevend, deelt mede:

»En Hij gebood hun _scherpelijk_, dat zij het niemand zeggen zouden van

hem.« (Markus 8: 30).

Wat zou er gebeurd zijn, indien de discipelen hun overtuiging, dat Jezus

de Christus, de lang verwachte Godskoning is, eens hadden mogen prediken

aan die vele honderden in Galiléa, die Jezus bewonderend hadden omringd?

Als een loopend vuur zou zich de mare, een blijmare van de hoogste

beteekenis, hebben verbreid. Zonder ernstig nadenken, zonder eigen

overtuiging, zou de schare haar hebben overgenomen. Velen onder hen

zouden naar de wapenen hebben gegrepen, om zich bij den Christus

te voegen en Hem te steunen in Zijn opstand tegen de Romeinsche

overheersching. Allen zouden op Hem de verwachting hebben gebouwd,

dat Hij het Messiasrijk nu zou vestigen; dat nu de heerlijke tijd

van verlossing en vrede en welvaart zou zijn aangebroken.

En deze allen zouden bitter worden teleurgesteld, wanneer het hun zou

blijken, dat al die heerlijkheid een ijdele droom was geweest. Sneller,

dan zij opgekomen was, zou de bewondering neerslaan tot verachting. En

de liefde, die Jezus als den beloofden Profeet of als den verwachten

Elias prees, zou wijken voor een haat, die in deze teleurgestelde liefde

zijn brandstof zou vinden. Wie eerst Jezus volgden, zouden dan Hem

verlaten; wie eerst Hem bewonderden, zouden dan Hem verfoeien; wie eerst

Hem zegenden, zouden dan Hem vloeken.

Dit wìst Jezus.

En vandaar dat scherpe verbod, om aan iemand te zeggen, dat Hij de

Christus was.

Zeker! Jezus wil erkend zijn als de Christus. Welt deze belijdenis op

uit het tot overtuiging gebrachte gemoed, dan spreekt de Heiland zalig

hem, die zóó spreekt.

Zeker! Jezus wil niets liever, dan dat niet alleen Galiléa, maar ook

Judéa en Jeruzalem Hem als Davids Zoon belijdt. En Hij beveelt, dat het

Evangelie alom worde verkondigd, opdat alle creaturen zouden komen tot

Hem als hun Koning.

Maar geen belijdenis, die den naam van belijdenis draagt en het wezen

er van mist, omdat de grondslag der eigen ervaring er aan ontbreekt.

Geen belijdenis, die alleen maar kan napraten, daar de persoonlijke

erkentenis er niet aan voorafging.

Eén woord, maar tintelend van liefde, is, als belijdenis, meer waard,

dan de keurigste formule, de meest preciese overtuiging, maar waaraan

het persoonlijk ervarene, het in eigen leven ondervondene ontbreekt.

Op de Levensreis · 第 8 / 36 题