Om het eeuwige leven te verwerven, heeft de mensch àlles op te offeren.
Dit verstaan vele menschen niet.
Voor het verkrijgen van aardsche goederen willen zij zich wel veel
inspanning getroosten. Men bewondert den man, die, rijk willende worden,
reeds als knaap begonnen is zich alle genot te ontzeggen en centen en
stuivers heeft bijeengeschraapt, om zoo langzamerhand in het bezit van
een groot kapitaal te komen. Men vindt 't een vanzelfsheid, dat de
Grieksche kampvechter zich jaren aaneen oefende om later den kampprijs
te verwerven. Men prijst den jonkman, die na jarenlange ingespannen
studie, de vereischte diploma's heeft verworven, die hem in staat
stellen straks de lang begeerde betrekking te aanvaarden.
Maar aangaande het allerhoogste, het eeuwig goed schijnen velen te
denken, dat het hun als 't ware zoo maar in den schoot zal worden
geworpen. O, hoe vergissen zij zich! Want is 't eensdeels waar, dat de
zaligheid een genadegift Gods is, men vergete aan de andere zijde niet,
dat er geschreven staat: strijd den goeden strijd des geloofs, grijp
naar het eeuwige leven!
_Voor een eeuw'gen levenskrans,_
_Heer, dit arme leven gansch!_