72. DE WOLGA EN MOSKOU.

Van de grens tusschen Azië en Europa leidt ons de trein over Oefa naar

het Westen en naar Samara. Bij Sysran gaan wij over den Wolga over een

brug die anderhalve kilometer lang is. Hier zijn wij bij de grootste

rivier van Europa, de geweldige Wolga, die een lengte heeft van 3700

kilometer, en tusschen Petersburg en Moskou, slechts 340 kilometer van

de Finsche golf, ontspringt. Zij stroomt door geheel Europeesch Rusland

en behoort tot twintig gouvernementen. Haar rechter oever is hoog en

steil, haar linker vlak. Haar mond aan de Kaspische zee vormt een zeer

uitgestrekte delta.

Als men nu bij Sysran over de lange brug over de Wolga gaat, en de

lucht niet heel helder is, dan denkt men een meer voor zich te hebben,

want den tegenovergestelden oever rechts is niet te zien. Maar nog

verder, daar, waar de rivier zijn laatste scherpe kniebocht maakt, om

zich naar de Kaspische zee te richten, bedraagt de breedte bijna 10

kilometer! Hier zijn de oevers vlak en de oneindige steppen strekken

zich naar alle kanten uit.

De Wolga is bijna over haar geheele loop bevaarbaar, en heeft veertig

zijrivieren die eveneens bevaarbaar zijn. Ongeveer vijf maanden is de

rivier bevroren en als het ijs in het voorjaar met gekraak als van den

donder losbreekt, vernielt de ijsgang de oevers. Dank zij de Wolga en

haar kanalen kan men per stoomboot van de Oostzee naar de Kaspische zee

varen, ja, ook van de Kaspische zee de Wolga op, door de Dwina in de

Witte zee komen. Maar de Wolga is niet alleen een belangrijke handels-

en verkeersweg, maar bezit ook een onuitputtelijken rijkdom aan visch.

Door de steur- en sterletvisscherij worden groote vermogens gewonnen.

Als de trein zwaar en langzaam over de Wolgabrug gerateld is, gaat hij

in west-noord-westelijke richting verder, naar het eigenlijke hart van

het heilig Rusland. Wij rijden door verschillende steden, en de dag

nadert zijn eind. De conducteur gaat van afdeeling tot afdeeling en

zegt de reizigers dat men binnen een uur in Moskou is.

Ik ben vaak in Moskou geweest, en steeds verheugde het mij de stad

terug te zien. Zij is een beeld van het oude, onvervalschte Rusland,

een tehuis van degelijke, eenvoudige en ouderwetsche zeden en

gebruiken, van trouw en oprechtheid en een kinderlijk rein geloof, aan

den godsdienst van het land, de Grieksch-Katholieke leer. Op de kromme,

slingerende en slecht geplaveide straten wemelt het van Tartaarsche,

Perzische en Kaukasische typen tusschen Slavische burgers en boeren,

die onverwoestbare, Russische boeren, die het zoo slecht gaat, en die

zich als slaven moeten afbeulen, die Zaterdagsavonds altijd te diep in

het glas kijken, maar altijd tevreden, goedhartig en opgeruimd gestemd

zijn. Ziet maar eens naar die lange, slanke geestelijken, met vollen

baard en golvende haren, in hun lange, bruine gewaden, op het hoofd een

zwarten baret! Zij zijn hier maar al te gewone verschijningen want in

Moskou zijn 450 kerken en een menigte kloosters.

Aan beide zijden van de kleine Moskwa, die zich in de Oka, een

zijrivier van de Wolga stort, verheft zich de stad, waarin meer dan een

millioen menschen wonen. Het Kremlin is het oudste deel en het hartje

van Moskou. Zijn muur werd in de laatste jaren van de vijftiende eeuw

opgetrokken. Hij is 20 meter hoog, met tinnen voorzien en heeft

achttien torens en vijf poorten. Binnen zijn onregelmatigen vijfhoek

met een omvang van twee kilometer, liggen keukens, paleizen, musea, en

andere openbare gebouwen. Daar verheft zich met vijf verdiepingen, de

82 meter hooge klokketoren van Iwan Weliki. Van de bovenste omgang

overziet men den geheelen horizon en men heeft de geheele stad

onmiddellijk onder zich. Men ziet hoe de straten op de spaken van een

wiel gelijken, van het Kremlin uit naar alle kanten uitgaande en hoe

deze spaken, weer door ringstraten worden gesneden. Tusschen deze

straten strekken zich de menigte lompe steenen huizen uit, en uit deze

zee van huizen verheffen zich knolvormige koepels met groene daken en

gouden, Grieksche kruizen. Dwars door de stad slingert de Moskwa in

scherpe S-vormige bochten, en de met torens versierde muren van het

Kremlin spiegelen zich in het water.

In de klokkenkamer van een Iwan-Welikitoren hangen drie en dertig

klokken van verschillende grootte. Aan den voet staat de omlaaggestorte

„czarenklok” die 201.000 kilogram weegt en een omvang heeft van 20

meter. Bij den val brak een stuk van den rand af, zij is daardoor niet

meer te gebruiken maar staat als sieraad op een voetstuk.

Binnen den muur van het Kremlin ligt ook de

Maria-hemelvaartskathedraal. Zij wordt gekroond door een 42 meter

hoogen koepel, en heeft op de vier hoeken kleine koepels. Midden in het

Kremlin is zij niet alleen het werkelijk hart van Moskou maar van

geheel Rusland. Want hier worden de Russische Czaren gekroond, terwijl

de Iwan Weliki’s klokken met donderende stemmen over de stad dreunen.

Het inwendige der kathedraal maakt een onbeschrijfelijken indruk. Het

licht, dat door de hooge smalle vensters valt is niet genoeg om de kerk

te verlichten en het wordt buitendien nog door gouden standaards en met

heiligenbeelden en kruizen gedempt. Het inwendige der kerk is overvol

van een ontzaglijke menigte godsdienstige voorwerpen en heiligenbeelden

uit gedegen goud, van welke gezicht en handen slechts beschilderd zijn.

Er voor branden waskaarsen, van welke de rook naar de gewelfde bogen

omhoog kronkelt en de kerkvaandels in een grijs-blauwen nevel hult.

Voor de rechtgeloovige Russen is het Kremlin bijna een heilige plaats.

Zij gaan ter bedevaart naar zijn kerken en kloosters met dezelfde

vereering als de Tibetanen naar de Boeddha-heiligdommen. „Moskou wordt

slechts door het Kremlin en het Kremlin slechts door den hemel

overtroffen,” zeggen zij.

Er is bijna geen jaar in de geschiedenis van Moskou zoo beroemd als het

jaar 1812. Toen veroverde Napoleon met het „groote leger” de stad, het

Russische leger gaf haar prijs en de burgers verlieten de huizen. Den

14den September hield Napoleon zijn intocht, en den volgenden dag begon

de brand. De Russen zelf hadden de stad aan de verschillende kanten in

brand gestoken. Drievierde der geheele stad lag in asch, toen de

Franschen na een verblijf van vijf weken en een verlies van 30.000 man

Moskou weêr ontruimden, dakloos prijsgegeven aan de ijzige stormen van

den Russischen winter. Nog steeds leeft deze bloedige tijd in de

herinnering der bevolking voort.

In elf uur brengt de sneltrein ons nu in rechten lijn noordelijk, naar

de hoofdstad van Peter den Grooten: Petersburg, aan den mond van de

Newa en aan de Finsche golf. Geheel andere tooneelen dan in Moskou

omgeven ons hier, niet meer echt, onvervalscht Rusland, maar de cultuur

van het Westen, welke de slavische heeft verdreven. Wel zijn kerken en

kloosters in denzelfden stijl gebouwd als in Moskou, en het oog rust op

dezelfde typen en kleederdrachten. Maar hier ziet en voelt men overal

maar al te duidelijk, dat men in Europa is.

Petersburg heeft anderhalf millioen inwoners, dus een honderdste deel

van al de bewoners van het geheele Russische rijk. Men merkt het in

deze stad bij elke schrede dat zij nieuw is. Alle straten zijn breed en

kaarsrecht. Het klimaat is echter ruw, vochtig, akelig! Twee honderd

dagen van het jaar regent of sneeuwt het.

Als men in de Peterburgerstraten rondwandelt ziet men veel ongewoons.

Telkens komt men midden op een brug of op den hoek eener straat aan een

kapel. Daar staat een heiligenbeeld in en voor het beeld branden

waskaarsen. Veel voorbijgangers blijven staan, ontblooten het hoofd,

knielen, maken het teeken des kruises en prevelen een gebed om dan weer

onder te duiken in het gewoel der straat.

De stad wemelt van uniformen. Niet alleen is het groote garnizoen in

uniform maar alle burgerlijke ambtenaren; de gymnasiasten, de studenten

en nog veel anderen zijn ook elk op hun manier, streng naar

voorschriften gekleed en reeds van verre kenbaar aan hun zilveren of

koperen knoopen. Maar wat vooral de aandacht van vreemdelingen trekt,

dat zijn de voertuigen. Aanzienlijke lieden rijden in open sleden,

dekken zich met blauw-gevoerde berenhuiden, en laten die sleden trekken

door groote, prachtige paarden. Men ziet ook dikwijls voor zulk eene

slede, de troika: drie paarden. Een der paarden loopt in het midden

onder een boog, die dient tot het uit elkaar houden der strengen. De

twee terzijde loopende paarden gaan altijd in galop. Het meest gewone

voertuig is echter de Iswaschtschik, die zoo klein is, dat

ternauwernood twee personen plaats vinden op de zitplaats. En daar er

noch zij, noch rugleuning is moeten zij elkaar om het middel vasthouden

om bij scherpe bochten er niet uitgeslingerd te worden. Deze kleine

sleden hebben geen vaste standplaatsen. Voor de hotels, de Banken, de

theaters, de stations en andere veel bezochte plaatsen staan zij in

lange rijen, en afzonderlijk ziet men ze overal. De koetsiers zijn

altijd vroolijk en tevreden; zij praten nu eens met hun passagier dan

weer met hun paard, dat zij „mijn duifje” noemen. Allen rijden met

wanhopige snelheid, alsof op de straten van Petersburg voortdurend

wedrennen plaats hadden.

Petersburg is rijk aan verzamelingen, musea, schilderijengalerijen,

kerken en prachtige paleizen. De fraaiste is de Izaakskathedraal, met

haar hoogen vergulden koepel, en vier kleinere eveneens met bladgoud

overtrokken koepels. Het bovenst quadraat van het kruis staat 101 meter

boven den grond; de Izaakskoepel is dan ook het eerste wat men van

Petersburg ziet, als men van de Finsche golf het land nadert, en de op

een eiland liggende vesting Kronstadt voorbijgaat. Wonderschoon klinkt

het gezang der avondmis op de groote feestdagen in deze kathedraal, en

wat schittert het hier overal van goud en zilver en van de gepolijste

zuilen uit malachiet en lapis lazuli. Maar buiten onder geweldige

pilaren van Finsch graniet wachten de armen op een penninkje. Als de

welgestelde kerkbezoeker een kruis gemaakt heeft voor de heiligen en

hun voorspraak heeft afgesmeekt voor zijn heil, en dan op den stoep

naar buiten komt, valt het hem misschien minder gemakkelijk dan anders

koud en onverschillig de kinderen der armoede voorbij te gaan. De bouw

der Izaakskathedraal heeft bijna 36 millioen gulden gekost. Voor

vijftig jaar is zij gereed gekomen. In werkelijkheid komt ze echter

nooit klaar. Als ik tusschen de jaren 1885 en 1909 Petersburg bezocht,

was telkens op zijn minst een der gevels van stellages voorzien, want

de grond waarop deze reuzenbouw uit graniet en marmer staat, is

moerasgrond; de muren zakken daarom en hebben steeds verbetering

noodig. Tot nu toe heeft de kathedraal reeds honderd millioen gekost!

Een troika brengt ons nu onder het gerinkel der bellen naar het Finsche

station. Wij gaan den trein in en rijden gedurende de nachtelijke uren

naar het oude Zweedsche Wiborg, dat op de plaats ligt waar het

Saimakanaal in de Turksche golf uitloopt.

Van uit Wiborg gaat een lijn naar de schuimende Imatravallen, waarmede

het water van het Saimameer tusschen met wouden bedekte granietoevers

in de Wuoxenrivier stroomt. Maar verder leidt ons de trein westelijk

door het „land der duizend meren”, tusschen roode huisjes, met bosschen

bedekte heuvels, velden en granietvlakten, kortom door een natuur, die

overal aan Zweden doet denken. De trein rolt langs de uitgetande

Finsche kusten en houdt eindelijk stil te Abo aan de Aura, de hoofdstad

van Finland.

Beneden aan de haven wacht de stoomboot „Bore” ons. De schemering is

reeds ingevallen als het schip begint te bewegen, de touwen worden

losgemaakt, de „Bore” achterwaarts van de kade afstoot, zich dan

omdraait en nu door de Finsche scheren westwaarts stevent. Midden in

den nacht komen wij de Alandseilanden voorbij. Een heftige Westerstorm

waait ons tegemoet. De Alandszee verheft zich in woedende golven en een

ondoordringbare sneeuwjacht veegt over haar kammen. Maar de kapitein

van de „Bore” is een beproefd zeeman. Met vasten blik en waakzaam oog

vaart hij met zijn schip tusschen de buitenste klippen door, de

Zweedsche scheren in.

De dag begint nauwelijks te grauwen of wij loopen Foeroesoend binnen.

Ginds ligt Oestana op het vasteland en daar tegenover het eiland

Ljusteroe en Siaroe, waar ik zooveel schoone zomers heb doorgebracht.

Nu varen wij over het Saxarwater en het Trälmeer.

Hier hebben wij den Tenosund, welke door villa’s is omgeven, die ’s

winters gesloten zijn, ginds strekt zich de lange arm uit van het

Askrikewater en hier is de landtong Hasseludden, met een geheel dorp

van zomerwoningen. Wij naderen de stad en mijn innerlijke opwinding

groeit met elke minuut. De „Bore” vaart met vollen stoom en toch zoo

langzaam. Eindelijk zijn wij Lilla Boestan voorbij en glijden naar den

blokhuispunt.

En nu ontplooit zich als met een tooverslag het schoonste en

onvergetelijkste van alle landschappen, die wij op onze lange reizen

zagen, Stockholm! Recht voor ons de zuidelijke bergen met hun

huizenmassa, tinnen en torens en dadelijk aan den rechterkant de stad

tusschen de bruggen, de Ritterholmskerk, de Groote Kerk en de torens

der Duitsche kerken, welker torendaken ver uitsteken boven de oude,

eerwaardige gevels der Skeppsbronstraat en de rechte lijnen van het

slot. Aan stuurboordzijde hebben wij de eilanden en stadsgedeelten

Kastelholmen en Skeppsholmen, het nationaal museum en het plein Karel

XII, en daar staat de jonge Koning, nog steeds naar het Oosten wijzend.

De laatste oogenblikken zijn eeuwigheden! Nu heb ik eindelijk

Zweedschen grond onder de voeten. Daar zijn mijn ouders, mijn broers en

zusters en vrienden! En een kort oogenblik later zijn wij weer allen

bijeen in ons oud tehuis.

Hier is het einde van den weg dien ik aflegde, en die als een keten het

geheele Oostelijke halfrond omspande en hier verlaat ik u, mijn

jeugdige vrienden! Wij zijn met elkaar Europa doorgesneld en hebben een

groot deel van Azië gezien, zijn door het gesloten Tibet getrokken,

hebben, in gedachte althans, Australië doorloopen en zijn ten slotte

China en het land der Opgaande Zon, Siberië en Rusland doorgereden.

Alleen om mijn zilveren bruiloft met Azië te vieren? Neen, om te samen

de wieg der menschheid, de oude cultuurwereld te leeren kennen en ook

uw lust en liefde voor het reizen op te wekken.

En als het u bevallen is, dan gaan wij spoedig een tweeden tocht

ondernemen, „Van Pool tot Pool”, door Afrika en de Nieuwe Wereld, naar

de Zuidpool en door West-Europa naar de Noordpool.

Tot zoolang „Gode bevolen!”

Van pool tot pool(#68251) · 第 76 / 78 题