Ondanks de verongelukte pelgrimstocht naar Lhasa, gaf ik de hoop toch
niet op de verboden stad te bereiken en deed nu nog eens een poging met
mijn geheele karavaan.
Wekenlang ging ik op nieuwe wegen voort naar het Zuiden. Eerst ging
alles goed, maar op een mooien dag vertoonden zich eenige ruiters met
lange zwarte geweren op den rug; zij verdwenen, maar kwamen in grooter
aantal terug en weldra wemelde het aan alle kanten van Tibetaansche
ruiters. Zij waagden het niet ons dicht te naderen, maar volgden ons in
groepen.
Eindelijk zaten wij aan den oostelijken oever van een zoetwatermeer
reddeloos in de klem. Een troep van vijfhonderd bereden Tibetanen, die
onder bevel van twee stadhouders en verscheidene hoofdlieden stonden,
had ons als in een net gevangen en elke tegenstand ware onzinnig
geweest. Met bloedend hart moest ik er mij bij neerleggen, hun te
beloven hun land langs den eenigen weg te verlaten, dien zij voor mij
open lieten. Hij voerde westelijk naar Labak, een tocht van drie lange
maanden.
Maar wat leverde het kamp der Tibetanen een vroolijk schouwspel op. Hun
zwart-wollen tenten verhieven zich in lange reeksen aan den oever van
het meer en tusschen de tenten rookten de mestvuren, waarbij
verscheidene soldaten onder den vrijen hemel kampeerden. De kleine,
gespierde en sterke, bruinverbrande en vuile kerels, in gescheurde,
door rook en roet zwart geworden pelzen, doen aan de Lappen denken.
Ieder draagt een rechten sabel in de scheede aan den gordel. De geweren
liggen voor de tent op den grond. Nu eens ziet men de mannen als
aardmannetjes tusschen de bergen glippen om de paarden in bedwang te
houden, dan zitten ze weer met gekruiste beenen bij het vuur, en koken
hun dikke steenthee die zij ook nog met boter vermengen. In enkele
groepen speelt men een soort dobbelspel met beenen bikkels, in andere
is men bezig met ringspelen en zingt uit den treure eentonige liederen.
Mijn tenten lagen midden tusschen die der Tibetanen in. Wij waren toch
hun gevangenen en mochten volstrekt niet gaan of komen zooals wij
verkozen. Maar desondanks werden wij de beste vrienden. In beide kampen
lagen de geweren gereed, maar niemand dacht er aan ze te gebruiken.
De onrustige spiegel van het voor ons liggende blauwe meer strekte zich
naar het Westen uit tusschen woeste, steile bergen en een goed eind van
den oever verwijderd lag een eiland dat in vorm op een zadel geleek,
want het bestond uit twee bergen met een indieping in het midden. Ik
had een boot van zeildoek bij mij; ze was den verren weg door een
kameel gedragen, en ik had reeds eenmaal een stormachtige vaart naar
het zadeleiland gemaakt. Voordat ik voor goed afscheid nam van het meer
wilde ik toch eens de geheele oppervlakte er van doorkruisen en de
diepte meten.
Toen den 21sten September de ochtend grauwde, heerschte er in het kamp
leven en beweging. Onder wapengekletter en paardengetrappel rustten de
Tibetanen zich tot opbreken uit om ons twee dagreizen westwaarts te
geleiden naar een punt, dat achter de bergen aan het westelijk einde
van het meer lag. ’s Nachts hadden wij vijf graden vorst gehad en een
heerlijker, vriendelijker herfstmorgen kon men zich niet denken. De
lucht was helder en windstil en het meer lag heerlijk en verlokkend
voor ons. Ik besloot dus het geheele meer over te roeien en mij dan
weer bij de karavaan te voegen. Een jonge, krachtige roeier van het
Lop-nor zou de riemen hanteeren, terwijl ik stuurde en de diepte van
het meer door peilingen vaststelde. Mijn geleider heette Koetschoek en
was reeds dikwijls met mij op het water geweest.
Terwijl wij naar het zadelvormige eiland roeiden, zag ik mijn door
Tibetanen vergezelde karavaan zich in een lange, zwart-aangegeven lijn
naar de bergen van den Noordelijken oever bewegen en daarna verdween
zij uit ons gezicht. Nu waren Koetschoek en ik geheel alleen, maar nu
kwam de wind ook van het Westen aangewaaid en weldra hadden wij een
flinken storm. Het was voor omkeeren te laat; er was aan den oever geen
levende ziel meer, die ons zou hebben kunnen helpen als de branding ons
aan land wierp. Dus vooruit tegen wind en golven in. De golven spatten
uiteen tegen den voorsteven en vielen daarna als een motregen op ons
neer. Daardoor waren wij doornat, toen wij eindelijk onder den oever
van het eiland voor den wind beschutting zochten. Hier legden wij de
boot vast en gingen aan land om ons goed te drogen.
Daarna maakten wij een wandeling om onze kleine, onvrijwillige
gevangenis. Tegen den westelijken oever raasden de golven met
teugellooze, stormachtige woede. Met den verrekijker kon ik aan den
Noordelijken oever van het meer eenige zwarte nomadententen
onderscheiden, maar hier op het eiland was niets levends te vinden.
Alleen in den winter komen de tamme yaks over het ijs naar hier; de
mest, die zij hier hadden achtergelaten, leverde voortreffelijk
brandmateriaal.
Nu wachtten wij uur na uur op het afnemen van den storm.
„Wat denk je, Koetschoek, waait het niet al een beetje minder dan
eerst?”
„Neen heer, de storm is sterker geworden.”
„Wij hebben toch voor drie dagen proviand?”
„Ja, krap aan.”
„Stel je eens voor, dat de storm zes dagen aanhoudt!”
„Ja, dan zitten wij leelijk in de benauwdheid.”
„En als onze boot wegdreef, Koetschoek! Je hebt ze toch goed
vastgemaakt?”
„Ja, ze kan niet loskomen.”
„Dat zou wat moois zijn, als de wind haar op ’t meer wegvoerde!”
„Wat moet er dan van ons worden, heer?”
„Dat weet ik waarachtig niet. De anderen zouden even rustig op ons
wachten als wij hier op hen. Eindelijk zouden zij naar het meer
terugrijden of geen teeken van onze schipbreuk was aangedreven. Maar
het zou lang kunnen duren voordat zij de boot, en nog langer voordat
zij ons vonden! Onze proviand zou dan lang verbruikt zijn. De nomaden
kunnen ons niet helpen, al wisten zij dat wij hier zijn; zij hebben
geen booten. Wij zouden natuurlijk beproeven visschen te vangen; de
loodlijn zou voor vischsnoer dienen, en een naald voor haak, een paar
stukken van onze schapenbout namen wij voor aas en elken avond zouden
wij op den heuvel, die naar het Noorden is gekeerd, een groot vuur
aansteken. Daaraan zouden de nomaden zien, dat hier menschen zijn en
het mededeelen aan onze vrienden.”
De dag werd eindeloos lang. Eindelijk trokken wij de boot geheel op het
droge en steunden ze schuin tegen een roeispaan, zoodat ze beschutting
tegen den wind gaf. Over de roeispaan werd dan nog mijn wollen deken
als tentzeil en zonnedak gehangen. Koetschoek sliep spoedig in en ik
luisterde naar den storm, die tusschen de rotsen steunde.
Te drie ure staken wij vuur aan en zetten theewater op. Daarna sloegen
wij het weer gade; maar telkens als Koetschoek van den westelijken
oever van het eiland terugkeerde, bracht hij maar steeds het bericht
dat de storm nog heviger was geworden. De zon ging onder en diepe
schaduwen verbreidden zich over het eiland. Ver in het Oosten straalde
het gebergte nog scharlakenrood. Daarna werd ook dit schijnsel bleeker,
en blauw, koud en helder verscheen de nacht aan het Oostelijk
uitspansel. Verlaten en eenzaam lag de oever, die gister nog zoo
verlicht werd door onze kampvuren, zoodat men had kunnen meenen den
lichtglans van een havenstad te zien. De halve maan was de eenige
lantaarn in onze gevangenis.
Wij wikkelden ons goed in en legden ons, beschut door de boot, te
slapen. De hemel was ons dak en boven ons joegen de luchtgeesten en
zongen tusschen de rotsen hun klaagliederen. Buiten in het onbereikbaar
wereldruim fonkelden de sterren. De branding donderde tegen den
Westelijken oever en ook tegen de van den wind afgekeerde zijde klonk
het geplas der golven als metaal op het zand. Maar voor paardendieven
en roovers waren wij hier veilig, ook al zaten zij zoo dicht als
meeuwen aan den oever! Hier zouden wij nu eens grondig kunnen
uitslapen.
Het was nog donker toen wij opstonden en vuur ontstaken om onze
verstijfde ledematen bij de vlammen te warmen. Langzaam werd het in het
Oosten, waar de bergkammen ravenzwart tegen de lucht afstaken, licht.
Eindelijk verrees de verblindende vuurkogel der zon omhoog. Weer liepen
wij naar den Westelijken oever, maar de storm was eerder sterker dan
zwakker geworden. Geduld, geduld, zoo klonk het onverbiddelijk; wij
waren zoo goed als vastgesmeed aan het kleine rotseiland.
Nu kookten wij thee en ontbeten. Daarna zwierf ik verscheiden uren op
het eiland rond, en teekende er een kaart van. Koetschoek verzamelde
heele stapels brandmateriaal, droge bosjes gras en mest, en legde mijn
wollen deken met groote steenen vast, opdat de wind die niet kon doen
wegwaaien. Zoo leefden wij als Robinson Crusoë en Vrijdag; maar het
ergste was dat onze proviand spoedig op zou zijn. Om den tijd te dooden
zette ik mij op een uitstekende rotspunt boven de schuimende golven der
westelijke branding. Daarna beklom ik den noordelijken berg om den
zonsondergang te zien, en nu strekte zich een nieuwe nacht over het
eiland uit. Als een klein zilveren scheepje zeilde de maan in snelle
vaart langs de donkere, door den wind gescheurde wolken.
Precies in het Westen had ik nog een klein eiland bespeurd. Als wij
tenminste daar den oever van konden bereiken, voordat de maan
onderging! Want daarna zou het weer pikdonker worden.
„Nu vermindert de wind,” zeide Koetschoek na een nieuwen
ontdekkingstocht. En werkelijk de wind ging spoedig liggen. Wij schoven
dus de opvouwbare boot in het water, pakten ons hebben en houden, en
weldra sloegen de roeispanen weer op de maat in het water. Maar zoo
vurig wij verlangd hadden onze gevangenis te verlaten, zoo smartelijk
was het mij toch den veiligen oever in den nacht te zien verdwijnen.
Twee dagen en een halven nacht had ik op het eiland doorgebracht; het
was een station op mijn levensweg geweest en ik zou er nooit weer
terugkeeren!
Weldra was het schijnsel van ons laatste vuur door een vooruitstekende
rotspunt, die zich als een zwart spook uit de golven verhief, aan ons
oog onttrokken en wij hielden op het andere eiland aan. Ik had een
lantaarn aangestoken om kompas, horloge, thermometer en loodlijn te
kunnen aflezen en mijn aanteekeningen te kunnen maken. De wolken joegen
als voortspoedende pelgrims naar het Oosten, en de jol schommelde op de
inktzwarte golvingen van de verdwijnende deining, waartusschen het
zilver van den door de maan geteekenden weg in onrustige kringen
ronddanste. Zoo gingen de uren van den nacht voorbij en wij meenden nog
ver van het eiland verwijderd te zijn, toen wij reeds vlak bij het
strand waren. „Halt!” riep ik op het laatste oogenblik, voordat de boot
tegen den grond schuurde. Daarna losten wij, trokken de boot op het
land en legden ons dadelijk te slapen.
’s Morgens stormde het weer, en weer moesten wij wachten. Pas te twee
uur in den namiddag waren wij voor de afvaart gereed. Maar juist toen
wij van wal wilden steken verhief zich een nieuwe storm. Het duurde
maar een uur, daarna roeiden wij in allerijl het meer in, om zijn
grootste oppervlakte, het westelijk deel te doorkruisen. Wij waren
reeds buiten op open water, toen zich voor ons een dreigende
staalgrijze wolkenmuur verhief. Boven de bergen regende en sneeuwde
het, maar op het meer heerschte rust. De heftigste stormen in Tibet
hebben hun bepaalde ondubbelzinnige voorteekenen. De hemel wordt onder
de wolken donkergeel, als door den weerschijn van een steppebrand; dat
is het fijne stof, dat van den grond opdwarrelt als voorbode van een
hevigen storm.
„Het zou het best zijn, naar het eiland terug te roeien, heer!”
„Neen, de proviand is op, en ik ben het wachten ook moe. Hier met je
roeispaan, en jij ook, Koetschoek, span je krachten in, zooveel je
kunt.”
Een ijskoude windvlaag deed ons onze mutsen vaster op het hoofd
drukken. Een nieuwe windvlaag hield reeds langer aan, en nu barstte de
storm over ons los. Over het meer persten de rotsen van beide oevers
den wind samen, zoodat de heftigheid verdubbeld werd. Wij roeiden als
galeislaven, de riemen kraakten, de boot knarste, haar vlakke bodem
kraakte bij elke aanrukkende golf. Het was een wonder, dat de romp der
boot niet uit elkaar sloeg. De golven werden steeds hooger en dreigden
met het opspattende water de boot te vullen.
„Vooruit maar, Koetschoek, het is in het geheel niet gevaarlijk! Wij
hebben de kurkengordels bij de hand en naderen den oever. Misschien
bereiken wij dien voordat de boot zinkt.”
„Ja wij kunnen de naaste landtong nog bereiken.—O, Allah!”
De boot was reeds half vol water, toen een hooge golf langs
stuurboordzijde veegde en ons onder water dreigde te drukken. Met
roeiriem en arm beproefde ik haar kracht te breken. Wij zaten reeds als
in een badkuip en het water klotste heen en weer in de boot. Wij
werkten, dat onze polsen geheel wit waren. „Forscher indompelen,
Koetschoek!” Het gelukte ons werkelijk de boot in de luwte te brengen,
voordat de noodlottige golf kwam, die haar gevuld zou hebben en ten
onder gebracht! In het duister van den avond bereikten wij gelukkig den
oever, zetten de boot schuin, en spanden de wollen dekens als dak er
overheen. Daarna staken wij een vuur aan om onze kleeren te drogen, en
nadat wij onze laatste korst brood hadden gegeten, sliepen wij, dood
vermoeid, ondanks den stroomenden regen spoedig in; het verheugde ons
geen gevangenen meer te zijn op het kleine rotseiland in het meer
Tschargoet-tjo.
Toen wij eindelijk weer in het hoofdkampement kwamen waren de Tibetanen
verheugd en verrast ons te zien. Hun hoofdmannen waren bang geweest,
dat de boottocht maar een voorwendsel was, en dat mijn werkelijk plan
was geweest, aan den zuidelijken oever van het meer te landen, twee
paarden van de nomaden te koopen en dan met Koetschoek over het
gebergte naar Lhasa te rijden. Nu hadden zij mij echter terug en
bewaakten mij nauwkeurig tot we drie maanden later de grens van Ladak
hadden bereikt.