In het zuiden van Oost-Turkestan strekt zich de geweldige verheffing
uit van de aardkorst, die wij Tibet noemen. Zijn buren zijn: in het
Oosten, het eigenlijk China, in het Zuiden Birma, Bhoetan, Sikkim,
Nepal en Britsch-Indië. In het Westen Kaschmir en Ladak. De politieke
grenzen zijn echter van weinig beteekenis; zij blijven zelden
onveranderd van de eene eeuw op de andere, want sedert den oertijd
verruimt elke sterker wordende staat zijn grenzen ten koste zijner
buren. Maar onveranderd blijft daarentegen de aardkorst zelf, indien
wij de voortdurende werking niet in aanmerking nemen, die regen en
rivieren, weer en wind teweeg brengen, terwijl zij de inzinkingen met
slib en zand vullen, de dalen dieper insnijden en door verwering de
bergen afbrokkelen. Maar hoe werkdadig deze krachten ook mogen zijn,
Tibet blijft toch het hoogste bergland der aarde.
Als gij uw linkerhand zoo op Tibet legt, dat de plaats van de pink op
den Pamir rust, dan bedekt de overige vlakte der hand de gebieden van
Midden-Tibet, die geen afvloeiïng naar de zee hebben, daarom dus in een
menigte afzonderlijke zoutmeerbekkens uitloopen. Uw duim rust op den
Himalaja, uw wijsvinger op den Trans-Himalaja, uw middelste vinger op
den Kara-Korum, de ringvinger op den Arkatag en de pink op den Pamir
hoogvlakte. Gij kunt de hoogste bergketens der aarde op uw vingers
natellen. Indien gij nu een gieter neemt met een sproeier aan de tuit
en gij laat een gelijkmatige douche over den rug uwer hand vallen,
daarbij de hand op het blad der kaart drukkend en spreidt de vingers
uit, dan zal een klein deel water op den rug der hand blijven staan,
terwijl het meeste tusschen de vingers doorloopt. Precies zoo gaat het
in Tibet. De gieter vertegenwoordigt den regen van den
Zuid-Westmousson, die trouwens in de oostelijke deelen van het land
rijkelijker valt dan in het westelijk deel. Het op den rug der hand
achtergebleven water zijn de kleine, verstrooid liggende, zoutachtige
meren op de hoogvlakte, aan welke elke afvloeiïng naar de zee
ontbreekt. Het omlaagloopende water zijn echter de groote rivieren
tusschen de bergketenen.
Van deze rivieren gaan twee naar het Oosten: de gele rivier Hoang-ho
naar de Gele Zee en de blauwe rivier, Jang-tje-kiang, naar de
Oost-Chineesche zee. De overige loopen naar het Zuiden: de Mekong mondt
uit in de Zuid-Chineesche Zee, de Saloeën, de Irawadi en de
Brahmapoetra in de groote golf van den Indischen Oceaan, de Bengaalsche
zeeboezem. Gij verbaast u over de vreemde bochten, welke de
Brahmapoetra rondom uw duim maakt, en natuurlijk stroomt ook langs de
buitenzijde van uw duim een massa water omlaag; dat is de Ganges, die
van de hoogdalen van den Himalaja komt. En het meest naar het Westen,
het dichtst bij de pink, stroomen de twee ons reeds bekende rivieren:
de Indus naar het Zuiden in de Arabische Zee, en de Tarim, eerst naar
het Noorden en dan Oostelijk in het Lop-nor.
De Himalaja is de hoogste bergvlakte der aarde en tusschen zijn kammen
verheffen zich de hoogste toppen der wereld. Drie daarvan moet gij in
uw herinnering bewaren, want zij zijn zeer beroemd: den Mont Everest,
die met zijn 8840 meter de hoogste berg der aarde is, den
Kantschinschanga met 8580 en den Dhawalagiri met 8180 meter. De Dapsang
in de Kara-Korumketen is echter maar 200 meter lager dan de
Mont-Everest.
Van het Zuiden gezien levert de Himalaja een grootsch schouwspel op.
Geen ander bergland der aarde kan zich in verbazingwekkende schoonheid
met hem meten. Gaat men met de spoorlijn van Calcutta omhoog naar
Sikkim, dan heeft men den met sneeuw bedekten kam van den Himalaja voor
en boven zich en de Kantschindschanga steekt als een verblindend witte
tand boven alles uit. Onder de sterk afstekende sneeuwgrens gaan de
steile, met wouden bedekte hellingen omlaag. Vroeg in den morgen en bij
mooi weer verheft de getande sneeuwkam zich in het schelle zonlicht,
terwijl hellingen en dalen nog in schaduw en nevel verdwijnen. Op den
rit naar deze groote hoogten ziet men de flora even sterk veranderen
als wanneer men van Italië naar den Noordkaap gaat. De laatste planten,
die den strijd tegen de koude nog aanbinden zijn mossen en korstmossen.
Verder omhoog bevindt zich slechts naakte steen.
Noord- en Midden-Tibet liggen gemiddeld 5000 meter hoog, dus nog hooger
dan de top van den Montblanc! Daar het geheele plateau reeds zoo’n
ontzaglijke hoogte heeft, schijnen de bergketenen er op zeer
onbeduidend. Tusschen de vijf groote ketenen liggen nog ontelbaar veel
kleinere en alle gaan van het Westen naar het Oosten. Ze hebben zich
ongeveer gevormd als de plooien van een tafelkleed, dat van twee
verschillende kanten wordt samengeschoven.
Met een vreemd, onbeschrijflijk gevoel staat men op zulk een hoogen pas
in het hartje van Tibet. Gij zijt op bijna 6000 meter hoogte en 50–100
meter van u verwijderd kunnen zich toppen verheffen die nog 1500 Meter
hooger zijn. Maar toch beheerscht uw blik het geheele bergland in het
rond tot aan den horizon, als het niet waait en de lucht volkomen
helder is. Gewoonlijk waaien er echter ijskoude westenwinden. Door den
grooten afstand waarop men ze ziet, lijken de met sneeuw en ijs bedekte
toppen een blauwen glans te bezitten.
In de eerste plaats heeft men het vernietigende, verootmoedigende
gevoel van eigen onbeduidendheid; men is een korrel stof op de
oppervlakte van deze groote, schoone aarde. Hoe erbarmelijk lijkt dan
alle twist en alle eerzucht van den mensch, vergeleken met het verheven
zwijgen der groote, eenzaamheid in het rond. Boven u welft zich het
oneindige wereldruim—aan uw voeten ligt Tibet. Zijn vlakke bergketenen
doen aan de golven der zee denken, die in woesten storm in steen werden
veranderd; de eeuwige sneeuw is het schuim op de golven.
Geen levend wezen stoort de stilte. In het puin boven op den verlaten
pas zijn enkele sporen van yaks en antilopen te zien; gij waagt het
nauwelijks met uw metgezellen te spreken. De stilte is even plechtig
als in een kerkgebouw tijdens eene godsdienstoefening.
Wil men Tibet van het Noorden naar het Zuiden doortrekken, dan moet men
overal deze ketens telkens een ten hemel zich verheffenden pas over
trekken. De kookthermometer wijst de hoogte boven de zee aan, want het
water kookt op de hoogte van den zeespiegel bij 100 graden Celsius, bij
5500 meter hoogte bijvoorbeeld reeds bij 82 graden.
Welk een geluk is het nu voor de volkeren van Azië, dat het binnenland
van het vasteland zich tot de duizelingwekkende hooge verheffing van
Tibet verheft! Op deze hoogten wordt de waterdamp van den moesson
afgekoeld en verdicht, zoodat ze als regen neervalt en de groote
rivieren voedsel geeft. Indien het land vlak was, zooals in Noord-Indië
of Oost-Turkestan, dan zouden nog veel grootere gebieden van
Binnen-Azië tot woestijnen worden. Zoo verzamelt het water zich echter
in de gebergten en stroomt naar alle zijden omlaag; bij de rivieren
wonen de menschen dicht op elkaar gedrongen, hier ontstaan steden en
rijken en de rivieren voeden weer kanalen, die akkers en tuinen
bevloeien.
Gij weet toch, dat Azië het grootste werelddeel der aarde en dat Europa
ternauwernood iets meer is dan haar schiereiland? Ja het scheelt niet
veel of Azië alleen is zoo groot als Europa, Afrika en Australië samen.
Van de 1650 millioen menschen, die op de aarde leven, wonen 870
millioen, dus meer dan de helft in Azië. Als wij nu onze atlas ter hand
nemen, en Zuid-Europa met Zuid-Azië vergelijken, dan vinden wij
tusschen beiden meer dan een zeer opvallende gelijkenis. Van beide
werelddeelen springen drie schiereilanden naar het Zuiden uit. Het
Iberisch schiereiland met Spanje en Portugal, komt in Azië overeen met
het Arabisch schiereiland; beide zijn plomp en vierhoekig. De
Italiaansche laars komt overeen met Voor-Indië; beide hebben beneden
voor hun uiteinde een groot eiland, Sicilië en Ceylon. En het
Balkanschiereiland komt overeen met Achter-Indië; beide hebben
ingesneden, onregelmatige kusten en in het Zuid-Oosten een geheele
wereld van eilanden, de Grieksche Archipel en de Soenda-eilanden.
Merkwaardig nietwaar?
Maar terug naar Tibet, dat op een vesting gelijkt omringd door
geweldige muren. In het Zuiden heeft het zelfs een dubbelen muur, de
Himalaja en verder Noordelijk de Trans-Himalaja en daartusschen is een
gedeeltelijk met water gevulde vestinggracht: de Boven-Indus en de
Boven-Brahmapoetra. En Tibet is ook werkelijk een vesting, een
verdedigingsmuur in den rug van China.
Een land, dat door zulke geweldige bergketenen is omgeven is
buitengewoon moeilijk binnen te trekken en Europeanen die Tibet hebben
doorkruist, zijn er ook niet veel. Maar juist dat prikkelde mij en
sedert 1896 heb ik Tibet, het „gesloten land”, zevenmaal in
verschillende richtingen doorgetrokken!
De ligging van Tibet is ook van invloed op de bewoners. Afgesneden van
de wereld en zonder aanraking met de buren, is het volk van Tibet zijn
eigen weg gegaan en heeft zich binnen zijn grenzen zeer eigenaardig
ontwikkeld. Het Noordelijk derde deel van het land is geheel onbewoond;
daar reisde ik eens drie maanden lang rond en op een anderen keer een
en tachtig dagen zonder een enkel menschelijk wezen te ontmoeten! Het
middelste derde deel is schaarsch bevolkt, hoofdzakelijk door herders,
die met hun kudden schapen en yaks rondtrekken en in zwarte tenten
wonen. Velen hunner zijn handige jagers op yaks en antilopen; anderen
verzamelen zout in uitgedroogde meren, beladen daarmede hun schapen en
ruilen het in het Zuiden tegen gerst.
Het Zuidelijk deel heeft de meeste inwoners, twee tot drie millioen.
Hier zijn niet alleen nomaden, maar ook vaste kolonisten; die in
kleine, uit steenen hutten bestaande dorpen wonen en in de diepe dalen
der rivieren, vooral die van de Brahmapoetra, gerst verbouwen. Er
hebben zich zelfs kleine steden gevormd; de grootste zijn Lhasa en
Schigatze.
Als onze reis ons weer naar Indië terugvoert, zullen wij den godsdienst
van Boeddha, het Boeddhisme, leeren kennen. In veranderden vorm heeft
deze zedenleer voor duizend jaar Tibet veroverd. Tevoren heerschte hier
een natuurgodsdienst, die bergen, rivieren, meren en lucht met duivels
en geesten bevolkte. Veel van het oude bijgeloof ging in de nieuwe leer
over, die Lamaïsme heet. Er zijn op aarde 570 millioen Christenen en
450 millioen Boeddhisten; tot deze laatsten behooren alle Tibetanen en
Mongolen, de Boerjeeten in Oost-Siberië, de Kalmukken aan de Wolga, de
volkeren in Ladak, Noord-Nepal, Sikkim en Bhoetan zoogenaamde
Lamaïsten.
De Lamaïsten hebben een groot aantal monniken en priesters, die allen
Lama worden genoemd. Hun opperpriester is de Dalai-Lama in Lhasa, en
bijna aan hem gelijk is de Taschi-Lama de opperpriester in
Taschi-lunpo, het groote klooster bij Sjigatze. De derde in aanzien is
de groot-Lama in Urga, in het noordelijk Mongolië. Deze drie en
ettelijke andere zijn belichaamde goden, incarnaties. Zij sterven
nooit, want de in ieder afzonderlijk wonende god verwisselt slechts
zijn aardsch lichaam. Als een Dalai-Lama sterft, dan heeft de godheid,
de ziel, zich slechts weer op reis te begeven en zetelt zich in het
lichaam van een knaap. Indien men dezen knaap heeft gevonden, dan wordt
hij de nieuwe Dalai-Lama. De Lamaïsten gelooven dus aan zielsverhuizing
en het einde, de voleinding der zielen, is hun vernietiging, het
„Nirwana”.
In het Boven-Brahmapoetra-dal bevinden zich veel kloosters met nonnen
of monniken. De tempelzalen zijn met beelden van goden, uit metaal of
verguld leem, versierd, waarvoor dag en nacht lampen branden. Monniken
en nonnen mogen niet trouwen, maar bij het overige volk bestaat het
vreemde gebruik dat een vrouw twee of nog meer mannen mag trouwen. Bij
de Mohammedanen is het juist omgekeerd, daar kan een man meerdere
vrouwen hebben. Dat beide gevallen even dwaas zijn, en een gelukkig
familieleven onmogelijk maken, behoef ik niet te zeggen.