De streek, waar mijn boot gedurende den ganschen winter ingevroren lag,
heet „Het nieuwe meer”. Hier buigt zich de Tarim naar het zuiden en
stort zich verder in een ondiep meer, het Lop-nor. Het geheele land is
hier zoo vlak, dat men met het bloote oog niet de geringste oneffenheid
opmerkt en dit heeft tengevolge, wat ik nu voor het eerst kon
vaststellen, dat de rivier haar loop verandert en zich gedurende
kortere of langere einden een nieuwe bedding graaft! In oude tijden
stroomde zij recht naar het Oosten en mondde in het voormalig Lop-nor,
in het noordelijk deel der woestijn. In oude Chineesche
aardrijkskundige werken is er in dezen zin sprake van het meer. Het
merkwaardige van het Lop-nor is dus, dat het zich verplaatst en zich
met den benedenloop van de Tarim als een slinger van het noorden naar
het zuiden beweegt. Waar het vroeger lag ben ik veel rondgetrokken, en
ik heb ook een kaart vervaardigd van de vroegere rivierbedding en van
het oude meer. Daarbij vond ik ruïnen van oude dorpen en gehuchten,
oude booten en huisraad, boomstammen, zoo bros als glas en ook riet en
wortels van biezen. In een gebouwtje van vlechtwerk vond ik zelfs een
geheele verzameling Chineesche handschriften, die heel wat licht
verspreidden over den toestand van deze streek, toen hier nog menschen
konden leven. De oude geschriften waren meer dan zestien eeuwen oud.
Het vreemde verschijnsel, dat een meer zich verplaatst, kan op de
volgende wijze verklaard worden: gedurende den tijd van hoogwater voert
de Tarim veel slib aan en zij, zoowel als het oude meer, waren dan
altijd heel ondiep. Gaandeweg vulde het meer zich met slib en verrotte
planten en daardoor werd ook de bodem der rivierbedding gaandeweg
hooger, totdat eindelijk het water naar het zuiden weg liep, waar het
land nu iets lager was dan de bodem van het vroegere meer. De oude
rivierbedding en het vroegere meer droogden dientengevolge langzaam
geheel uit, het populieren woud verdorde, de rietvelden verdwenen en de
wind bedekte alles met zand. De menschen verlieten hun hutten en
trokken eveneens naar het zuiden, den nieuwen loop der rivier volgend
en bouwden aan het nieuwe meer hun nieuwe hutten. Tarim en het Lop-nor
hadden dus een zwaai van een slinger gemaakt naar het Zuiden en
menschen, dieren en planten moesten ze meemaken. In het zuiden gaat het
nu weer precies zoo, rivier en meer vullen zich weer en keeren naar het
noorden terug! Maar met deze slingeringen zijn vele eeuwen gemoeid.
Nu ligt het meer in het zuiden; het is bijna geheel met riet begroeid;
populieren gedijen slechts bij de rivier. De enkele inboorlingen zijn
gedeeltelijk herders, gedeeltelijk visschers; zij stammen af van de
Turken en belijden den Islam. Zij zijn even goedhartig als vredelievend
en nemen den vreemdeling met groote gastvrijheid op. Hun hutten bouwen
zij uit saamgebonden bundels riet, de grond is met rieten matten belegd
en het dak bestaat uit takken, waarover riet wordt gelegd. Een groot
deel van den dag brengen zij in hun bootjes door; het zijn uitgeholde
stammen van populieren en ze zijn daardoor lang en smal. De riemen
hebben een breed blad en drijven de boot daardoor met groote snelheid
vooruit. In het riet houden zij smalle kanalen open, waardoor zij met
de snelheid van een aal heen schieten. Hier leggen zij hun vischnetten
ook uit. In het voorjaar leven zij ook van de eieren, die zij uit de
nesten der wilde zwanen halen. Het riet groeit zoo dicht, dat men, als
een heftige storm het hier en daar heeft omgebogen, er als op een brug
over kan loopen, hoewel er twee meter diep water onder staat.
Aan de oevers van het Lop-nor kwamen de tijgers vroeger heel vaak voor
en de inboorlingen plachten er op een eigenaardige manier jacht op te
maken. Indien een dezer dieren vee had geroofd, dan verzamelden zich al
de mannen der omgeving en omringden den roover van drie kanten in het
kreupelhout, waar hij verborgen lag. Alleen de kant naar de rivier
bleef vrij. Hun eenige wapenen waren stangen en stokken, en om den
tijger te dwingen zijn schuilhoek te verlaten, staken zij het
kreupelbosch in brand. Nu bemerkte de tijger, dat er voor hem naar de
landzijde aan geen ontkomen meer viel te denken, en beproefde naar een
eiland of den tegenovergestelden oever te zwemmen. Maar hij is nog niet
ver gekomen of een half dozijn bemande booten omsingelen hem in het
water. Zij zijn veel vlugger dan de tijger. Heel dicht suist de eerste
boot langs hem heen, en een man op den voorsteven drukt met den riem
den kop van het dier onder water. Voordat hij weer naar boven komt, is
de boot reeds lang uit zijn bereik. Woedend snuift, proest en hoest de
tijger, maar op hetzelfde oogenblik is reeds een tweede boot genaderd
en weer dompelt een roeiriem hem nog dieper onder water. Als hij weer
aan de oppervlakte komt, snakt hij naar lucht; van zijn tanden, pooten
en klauwen kan hij geen gebruik meer maken, hij zwemt slechts om zijn
leven te redden. Maar het is nog ver, naar den anderen oever. De eerste
boot heeft een cirkel gemaakt en is er weer. De tijger is reeds zeer
uitgeput. Nu waagt de boot het nog dichter bij te komen; de man op den
voorsteven drukt met zijn geheele kracht het dier omlaag, zoodat de
roeiriem loodrecht in het water staat en hij houdt het dier zoolang
onder water als hij maar kan. Komt de vervolgde weer aan de
oppervlakte, dan bereidt de volgende boot hem hetzelfde lot en spoedig
wordt de tijger door gebrek aan lucht krachteloos. Hij denkt niet meer
aan den naasten oever, hij wil slechts aan de booten ontkomen en
daarmede is zijn lot beslist. Steeds weer wordt hij in het open water
gejaagd, hij tast en ploft slechts met de pooten rond; om snel te
zwemmen ontbreekt hem de kracht. De vervolgers worden nu zoo brutaal
dat zij in het geheel niet meer voorzichtig zijn. Drie of vier
roeispanen tegelijk drukken den tijger onder het heldere water, waar
hij duidelijk is te zien, en als hij nog steeds weer omhoog komt, slaat
men hem met de roeispanen op den snuit. Zoo wordt hij ten slotte
doodgejaagd; de pooten verslappen na een wanhopigen strijd en hij
verdrinkt. Dan bindt men hem een koord om den hals en roeit hem
juichend aan land. Men heeft den koning van het kreupelhout overwonnen,
zonder één enkel schot te lossen.
Het klimaat aan het Lop-nor-meer is zeer verschillend wat betreft den
winter en den zomer; het wisselt tusschen 30 graden vorst en 40 graden
warmte; zooals altijd in de binnenlanden van elk vasteland, als het
niet, zooals in Midden-Afrika, in de nabijheid van den aequator ligt,
waar het altijd warm is. Aan de kusten is het verschil in temperatuur
geringer, want de zee koelt de lucht in den zomer af en verwarmt ze in
den winter. In het Lopland bevriezen echter in den winter alle rivieren
en meren, terwijl in den zomer verstikkende hitte heerscht. Wolken van
muggen pijnigen de inwoners en het vee komt bijna om van de
paardevliegen. Daarom moet men paarden en kameelen overdag in schuren
van biezen onderbrengen. Slechts gedurende den nacht hebben de dieren
rust van deze kwelgeesten.
Een ontelbaar aantal wilde ganzen, wilde eenden, zwanen en andere
zwemvogels nestelen aan den oever van het Lop-nor-meer; de open
watervlakten zijn met snaterende vogels als bezaaid. In het najaar
trekken zij over Tibet naar het Zuiden, en ’s winters heerscht aan het
meer, dat dan met ijs bedekt is, een diep stilzwijgen.