"Dank u wel zeer," zei ze werktuigelijk, trachtende haar gedachten

te verzamelen.

"Wil Lady Blakeney mij vereeren met den contredans, totdat uw rijtuig

gereed is?" vroeg Lord Fancourt.

"Dank u vriendelijk, milord, ik ben uiterst vermoeid," zei ze

verdrietig, zich door Lord Fancourt naar de koele serre latende

geleiden. Hij bood haar een stoel aan, waarin ze neerzonk. Deze lange

tusschenpoos wachtens was ondragelijk. Waarom kwam Chauvelin niet

opdagen en haar den uitslag meedeelen zijner wacht?

Lord Fancourt was zeer attent. Toch hoorde zij nauwelijks, wat hij

zeide en deed hem plotseling schrikken door de onverwachte vraag:--

"Lord Fancourt, hebt u gezien, wie zoo even, behalve Sir Percy

Blakeney, in de eetzaal was?"

"Alleen de agent der Fransche Republiek, Mr. Chauvelin, ook al in

diepen slaap in een anderen hoek. Maar waarom vraagt u dit, Lady?"

"Ik weet niet"... ik... "Hebt u den tijd genoteerd, waarop u er waart?"

"Het zal zoo wat vijf à tien minuten over éénen zijn geweest. Ik

begrijp niet, waarover u zich verontrust," ging hij voort, want

schijnbaar dwaalden de gedachten der schoone vrouw ver weg, en had

ze zijn gesprek niet aangehoord.

Maar feitelijk was dit niet het geval. Haar gedachten dwaalden slechts

één verdieping benedenwaarts, in ditzelfde gebouw, naar de eetzaal,

waar Chauvelin nog de wacht hield. Was hij niet geslaagd? Een enkel

oogenblik daagde deze mogelijkheid voor haar op als een straal van

hoop--dat de Roode Pimpernel door Sir Andrew mocht gewaarschuwd zijn

en Chauvelin zijn vogel niet had kunnen knippen; maar weldra maakte

die hoop plaats voor vrees. Was het hem niet gelukt! Maar dan--Armand!

Lord Fancourt had het gesprek gestaakt, nu hij zag, dat hij geen

gehoor vond. Hij wenschte zich te verwijderen en zei daarom eindelijk:

"Zal ik eens gaan zien, of uw rijtuig gereed is, lady?"

"Oh! gaarne... gaarne... als u zoo vriendelijk wilt zijn... ik ben

nu geen opwekkend gezelschap nu... want ik ben vreeselijk moe... het

beste is, mij maar aan mijn lot over te laten."

Zij verlangde ernaar hem te loozen, want de wensch bekroop haar, dat

Chauvelin als een vos, op wien hij zoozeer geleek, mocht rondwaren

met het voornemen haar op te sporen.

Maar lord Fancourt was heengegaan, en nog kwam Chauvelin niet

opdagen. Ach! wat kon er gebeurd zijn? Ze zag Armand gewogen en te

licht bevonden... ze vreesde--ditmaal in doodsangst--dat Chauvelin's

list was mislukt en de geheimzinnige Roode Pimpernel wederom als een

nevelbeeld was verdwenen; zij wist dat geen hoop, geen medelijden

noch genade van den Franschman haar wachtte.

Hij had zijn "Of dit--of--" uitgesproken; met niets anders was hij

tevreden te stellen; hij kon gaan denken, dat zij hem opzettelijk

had misleid, en daarom als weerwraak Armand ten verderve doemen.

Toch had ze haar best gedaan. Ze kon het denkbeeld niet verdragen,

dat alles mislukt was. Ze kon niet stil zitten; zij wilde heengaan en

het ergste terstond vernemen, ze verwonderde zich zelfs, dat Chauvelin

nog niet was gekomen, om zijn toorn te luchten en haar onder handen

te nemen.

Lord Grenville kwam nu in persoon haar aanzeggen, dat haar rijtuig

gereed stond en Sir Percy haar wachtte--teugels in handen. Marguerite

zei den gastheer "Vaarwel"; velen harer vrienden hielden haar

staande op het oogenblik, dat zij de zalen doorliep, om haar een

"tot weerziens!" toe te roepen.

De Minister alleen nam boven aan de trap afscheid van de schoone Lady

Blakeney; beneden in de vestibule wachtte een heirleger galante heeren,

om de koningin van het bal uitgeleide te doen, terwijl daar buiten

de prachtige schimmels van Sir Percy ongeduldig met hun voorbeenen

den grond schraapten.

Juist nadat zij van Lord Grenville had afscheid genomen, kreeg ze

plotseling Chauvelin in het oog. Een vreemde uitdrukking lag op zijn

gezicht, deels vermakelijk deels verward; toen zijn sluwe oogen die van

Marguerite ontmoetten, namen ze weer een sarkastische uitdrukking aan.

"Meneer Chauvelin," zei ze, toen hij stilstond en voor haar boog,

"mijn rijtuig staat buiten, mag ik uwen arm verzoeken?"

Galant als altijd, voldeed hij aan haar verzoek. De menigte was zeer

talrijk, sommigen der gasten van den Minister vertrokken, anderen

leunden tegen de ballustrade, den drom gadeslaande, al naar gelang

deze zich naar boven of beneden op de breede staatsietrap bewoog.

"Chauvelin", zei ze eindelijk wanhopig, "ik moet weten, wat er

gebeurd is."

"Wat er gebeurd is, geachte lady?" zei hij met gemaakte

verbazing. "Waar? Wanneer?"

"Gij legt me op de pijnbank, Chauvelin. Ik ben u dezen nacht van

dienst geweest... ik heb dus recht op eenige inlichting. Wat is er

in de eetzaal te één uur voorgevallen?"

Zij sprak fluisterend, vertrouwende, dat in het algemeen rumoer haar

woorden alleen door den man naast haar zouden worden vernomen.

"Rust en vrede hadden de bovenhand, waarde lady; op gezegd uur sliep ik

in den hoek van een canapé en Sir Percy Blakeney op een ander rustbed."

"Kwam er dan niemand in de zaal?"

"Niemand."

"Dan zijn wij beiden niet geslaagd?..."

"Ja! het is ons niet gelukt--misschien..."

"Maar Armand?" vroeg ze ontroerd.

"Ah! De kansen van Armand St. Just hangen aan een zijden draad... bid

den hemel, waarde lady, dat die draad niet breke!"

"Chauvelin, ik heb eerlijk voor u gewerkt... denk erom..."

"Ik herinner me mijn belofte," zei hij kalm "op den dag, dat de Roode

Pimpernel en ik elkander ontmoeten op Franschen bodem, zal St. Just

zijn beminde zuster weerzien."

"Hetgeen zeggen wil, dat het bloed van een braaf man aan mijn handen

zal kleven," antwoordde ze sidderend.

"Zijn bloed, of dat van uw broeder. Geloof me, voor het oogenblik

moet u alleen hopen, evenals ik, dat de Roode Pimpernel vandaag naar

Calais oversteekt."

"Ik koester maar een enkele hoop, burger Chauvelin."

"En die is?"

"Dat de Satan, uw meester, elders uw diensten moge noodig hebben,

voordat de zon opgaat over dezen dag."

"U vleit mij, burgeres."

Zij had hem voor een poos opgehouden, halverwege de trap, met

een poging om de gedachten te weten te komen, die achter dat

vosachtig masker lagen verscholen. Maar Chauvelin bleef sarkastisch

en geheimzinnig. Geen trek van zijn gezicht zeide de arme, angstige

vrouw, of zij in dit kritieke oogenblik had te vreezen of te hopen.

Beneden in de vestibule bevond zij zich weldra in een besloten

kring. Lady Blakeney stapte nimmer voor eenige woning in haar rijtuig,

zonder een zwerm van zwevende motten in menschengedaante, om het

schitterend licht harer verblindende schoonheid. Maar voordat ze van

Chauvelin finaal afscheid nam, stak zij hem de tengere hand toe:

"Geef mij eenige hoop, Chauvelin," smeekte ze.

Met innemende galanterie boog hij over de fijne hand en kuste de

toppen van de rozige vingers.

"Bid den hemel, dat de draad niet breke," herhaalde hij met zijn

raadselachtigen glimlach, toen hij terzijde week.

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

RICHMOND.

Eenige minuten later zat ze, gehuld in haar weelderig bont, naast Sir

Percy Blakeney op den bok van zijn prachtig rijtuig, terwijl de vier

volbloed schimmels de stille straten afdraafden met donderend geraas.

Weldra waren de huizen van Londen achter hen en ging het in snelle

vaart op Richmond aan.

De Theems slingerde zich als een zilveren lint in bevallige bochten

onder het heldere maanlicht. De rossen snelden voort in gestrekten

draf en luisterden slechts onwillig naar Sir Percy's nooit falende

hand. De nachtelijke tochten, na bals en soupers in Londen, waren een

voortdurend genot voor Marguerite, en zij waardeerde de excentriciteit

van haar echtgenoot, die gewoon was haar iederen avond op die manier

te brengen naar hun prachtige villa aan de rivier, instede van naar

een benauwde Londensche woning. Hij hield ervan zijn vurige paarden te

mennen langs de eenzame, door de maan verlichte wegen en zij zat gaarne

op den bok, terwijl de zachte koelte van een Engelschen najaarsavond

haar aangezicht afkoelde, na de drukkende atmosfeer van een bal of

souper. Dikwijls, wanneer de schimmels pas van stal kwamen en Sir

Percy hun den vrijen teugel liet, duurde de rit minder dan een uur.

Dezen nacht schenen zijn vingers door den duivel bezeten, want het

rijtuig vloog over den weg langs de rivier. Als naar gewoonte sprak

hij geen woord tot haar, doch staarde strak voor zich uit. Marguerite

zag hem een paar malen aan, maar kon de uitdrukking zijner fletse

blauwe oogen niet onderscheiden. Hij was een welgemaakt man, zijn

zwak karakter moest worden toegeschreven aan zijn half krankzinnige

moeder. Plotseling gevoelde ze een machtige sympathie voor hem bij

zich opkomen; wellicht deed hetgeen ze kortelings had ondervonden

haar toegevender jegens anderen zijn.

In haar gedachten verdiept, was het uur dezer zomernachtskoelte haar

al te kort gevallen, en met een gevoel van bittere teleurstelling

bemerkte ze onverwachts, dat de schimmels het hek waren binnengereden

van haar schoone Engelsche villa.

Het kasteel van Sir Percy Blakeney, met een schilderachtig terras,

dat front maakte naar de rivier, stond te midden van een prachtig

aangelegd park. In de dagen der Tudors gebouwd, staken de oude roode

muursteenen harmonisch af tegen hun groene omgeving.

Met onnavolgbare juistheid liet Sir Percy het vierspan stil staan vlak

vóór den ingang der fraaie vestibule, die in den stijl van koningin

Elisabeth was aangelegd.

Vlug was hij afgesprongen van het rijtuig en hielp hij Marguerite

uitstappen. Zij bleef een oogenblik buiten staan, terwijl hij eenige

orders gaf aan een zijner lakeien, liep om het huis en trad op het

grasperk toe, terwijl zij droomerig staarde naar het landschap, dat

door het zilverlicht der maan werd beschenen. Duidelijk vernam zij

het murmelen der rivier en het ritselen van vallende bladeren op den

bedauwden grond.

Alom heerschte een plechtige stilte. Zij had de paarden hooren

steigeren, toen ze naar hun afgelegen stallen werden geleid,

de haastige voetstappen der bedienden vernomen, die zich ter ruste

begaven en in huis heerschte nu volkomen rust. In twee afzonderlijke

suites van appartementen, juist boven de schitterende ontvangzalen,

brandde licht; het waren haar en zijn vertrekken, van elkander

gescheiden door de gansche breedte van het huis, even afgezonderd

van elkander als beider leven was geworden. Zij zuchtte--doch kon

zich geen rekenschap geven waarom.

Nooit had zij zich zoo erbarmelijk eenzaam gevoeld, met zoo

ontzettend veel behoefte aan troost en sympathie. Zij wendde zich

van den rivierkant naar het huis, benieuwd of ze, na zulk een nacht,

nog zou kunnen slapen.

Plotseling, alvorens ze het terras bereikt had, hoorde ze een kloeken

stap op het grint en het oogenblik daarop verrees de gedaante van haar

echtgenoot uit de schaduw. Hij had de ronde gedaan om het huis en ging

langs het grasperk op de rivier aan. Nog droeg hij zijn zware rijjas,

maar niet meer dicht geknoopt, naar gewoonte hield hij zijn handen

verborgen in de diepe zakken zijner satijnen broek.

Oogenschijnlijk had hij haar niet opgemerkt, want na een korte poos

keerde hij terug naar het huis en ging regelrecht het terras op.

"Sir Percy!"

Reeds had hij een voet op de onderste trede, doch bij het vernemen

van haar stem bleef hij plotseling staan en trachtte met zijn blik

de duistere schaduw te doorboren, vanwaar haar geluid tot hem was

doorgedrongen.

Zij trad vlug in het maanlicht, en zoodra had hij haar niet ontwaard,

of met zijn aangeboren galanterie, als hij tot haar sprak, zei hij:

"Tot uw dienst, Mevrouw!"

Maar zijn voet stond nog op de trede, uit zijn geheele houding bleek,

dat hij niet wenschte opgehouden te worden, en zich niet opgewekt

gevoelde voor een nachtelijk onderhoud.

"De atmosfeer is zoo heerlijk koel," zei ze, "het maanlicht zoo kalm

en poëtisch en het park zoo aanlokkend. Zouden we niet wat ervan

profiteeren; het is nog niet zoo heel laat; of is mijn gezelschap u

zoo onaangenaam, dat ge haast hebt ervan ontslagen te zijn?"

"Neen, Mevrouw," luidde zijn kalm antwoord, "maar ik twijfel er niet

aan, of u zult de middernachtlucht dichterlijker vinden zonder mijn

gezelschap."

Hij keerde zich andermaal om en wilde heengaan.

"Gij vergist u in mij, Sir Percy," sprak ze haastig en iets dichter

hem naderend, "de verwijdering, die helaas! tusschen ons heeft plaats

gehad, was niet mijn werk, herinner u."

"U moet me in dit opzicht vergeven, Mevrouw!" protesteerde hij op

onverschilligen toon, "mijn geheugen was altijd zeer slecht."

Hij zag haar recht in de oogen met die loome achteloosheid, die hem

een tweede natuur was geworden. Ze gaf hem zijn blik even terug,

daarop namen haar oogen een zachtere uitdrukking aan, toen ze heel

dicht bij hem kwam aan de onderste treden van het terras.

"Uw geheugen slecht, Sir Percy? Dan is het wel erg veranderd! Is het

drie of vier jaar geleden, dat ge mij een uur te Parijs hebt ontmoet

op uw reis naar het Oosten? Toen ge twee jaar later terugkwaamt,

waart ge mij niet vergeten."

Zij zag er goddelijk schoon uit, zooals zij daar stond in het maanlicht

van dezen hemelschen nacht.

Hij bleef een oogenblik stokstijf staan, behalve, dat zijn hand de

steenen leuning omklemde van het terras.

"U verlangt mijn tegenwoordigheid, Mevrouw," zei hij koeltjes,

"ik vat dit niet op als een bedoeling om u te vermeien in teedere

herinneringen."

Zij stak hem de hand toe.

"En waarom niet, Sir Percy, waarom niet? Het tegenwoordige is werkelijk

niet zoo heerlijk, of ik wil wel eens terugdenken aan dat verleden."

Hij boog zijn rijzige gestalte, en de toppen harer vingers vattend,

die zij hem nog toehield, kuste hij die plechtstatig.

"Mevrouw," zei hij, "u zult mij dan wel ten goede houden, als mijn

bot begrip u daarheen niet kan volgen."

Andermaal deed hij een poging om zich te verwijderen, andermaal riep

haar lief, bijna teeder stemgeluid hem terug.

"Sir Percy!"

"Uw dienaar, Mevrouw."

"Kan het mogelijk zijn, dat liefde sterft?" zei ze met plotselinge

drift. "Ik dacht, dat de hartstocht, dien ge weleer voor mij

koesterde, den korten tijd van ons bestaan zou overleven. Is er niets

overgebleven van die liefde, Percy... dat u aanzetten kan... die

treurige verwijdering te overbruggen?"

Zijn massieve gestalte scheen, terwijl zij aldus tot hem sprak,

nog stijver te worden, de krachtige mond nam scherper trekken aan.

"Met welke bedoeling, Mevrouw?" was zijn kille vraag.

"Ik begrijp u niet."

"Het is toch zeer eenvoudig," zei hij, plotseling bitter wordend,

"ik stel u nederig de vraag, want mijn langzaam begrip is niet in

staat de oorzaak na te gaan van deze onverwachte luim. Verlangt u

het duivelsch spel te hernieuwen, dat ge verleden jaar met zulk goed

gevolg hebt gespeeld? Verlangt ge me weer krankzinnig van liefde aan

uw voeten te zien, om daarna weer het genot te smaken mij, als een

lastig schoothondje, van u weg te slingeren?"

"Percy! Ik smeek u!" zei ze fluisterend, "kunnen wij het verleden

niet laten rusten?"

"Excuseer, Mevrouw, maar ik meen verstaan te hebben, dat u verlangde

dit weer op te rakelen."

"Neen! dat verleden, Percy, roerde ik niet aan!" hernam ze, terwijl

haar stem een teederen klank verried. "Ik zinspeelde meer op den

tijd, toen ge me nog liefhadt en ik... oh! ijdel en beuzelig mij

aanstelde. Uw fortuin en positie trokken mij aan: ik huwde u, met

de hoop in het hart, dat uw groote liefde wederliefde in mij zou

wekken... maar, helaas!..."

De maan had zich verscholen achter een wolkengevaarte. In het oosten

trachtte een zachte grauwe schemering het nachtelijk duister te

verlichten. Hij kon nu haar aanvallige gestalte onderscheiden, het

kleine vorstelijk hoofd, met zijn rijkdom van goudbruine lokken en

den schitterenden diadeem in den haartooi.

"Vier-en-twintig uren na ons huwelijk, Mevrouw, liet de Markies de

St. Cyr en diens heele gezin het leven onder de valbijl der guillotine,

en de openbare meening snauwde mij in de ooren, dat de vrouw van Sir

Percy Blakeney hem den dood der schande had aangedaan."

"Neen, ik zelf heb u de waarheid omtrent dit hatelijk verzinsel

geopenbaard."

"Niet dan nadat het gebeurde door vreemden mij was afgeschilderd in

al zijn schrikwekkende details."

"En gij sloegt er terstond geloof aan!" barstte zij los, "zonder eenig

bewijs of navraag--gij geloofde, dat ik, die ge meer liefhadt dan uw

leven, in staat was zulk een laaghartige daad te bedrijven, als deze

vreemden verkozen in kleuren en geuren op te disschen. Gij dacht, dat

ik u in alle opzichten hieromtrent wilde misleiden--dat het mijn plicht

geweest was vóór mijn huwelijk met een verklaring voor den dag te

komen. Maar, zoo ge hadt willen luisteren, zou ik u gezegd hebben, dat

ik tot op den morgen zelf, waarop St. Cyr het schavot beklom, al mijn

invloed heb aangewend om hem en zijn gezin te redden. Maar mijn trots

legde een slot op mijn mond. Ik zou u gezegd hebben, hoezeer men mij

heeft bedrogen! Ik was tot de daad gebracht door lieden, die wisten,

welk gebruik zij konden maken van mijn genegenheid voor een eenigen

broeder en van mijn zucht naar wraak. Was dit zoo tegennatuurlijk?"

Tranen verhinderden haar voort te gaan. Smeekend zag zij naar

hem op. Hij had haar veroorloofd op haar hartstochtelijke wijs

haar verdediging voor te dragen, zonder eenigen commentaar of

betuiging van sympathie. En terwijl zij een oogenblik ophield,

met een bovenmenschelijk pogen om de heete tranen, die langs haar

wangen stroomden, te onderdrukken, wachtte hij kalm het verloop af

harer smart. De onbestemde, grauwe schemering van den dageraad scheen

zijn hooge gestalte nog rijziger of forscher te doen uitkomen. Zijn

druilig, goedaardig gelaat had een vreemdsoortige verandering

ondergaan. Marguerite kon duidelijk bespeuren dat de oogen niet

meer kwijnend waren, de mond niet langer die zoetsappige, onnoozele

uitdrukking had. Een zonderlinge blik van hevigen hartstocht scheen

onder zijn oogleden te gloeien, de mond was saamgetrokken, de lippen

waren dicht op elkander geklemd.

"Hoor mijn verhaal aan, Sir Percy," vervolgde ze, en haar stem klonk nu

zacht en oneindig teeder. "Armand was alles voor mij! Wij waren weezen

en brachten elkander groot. Hij was voor mij een vadertje, ik voor hem

een tengere moeder; wij hadden elkaar oneindig lief. Maar op zekeren

dag--hoort ge me, Sir Percy?--liet de Markies de St. Cyr mijn broeder

Armand een kastijding toedienen door zijn lakeien. En waarom? Omdat

hij, een plebejer, het gewaagd had de dochter van een aristokraat te

beminnen. Oh, hoe heb ik geleden! Toen de gelegenheid zich voordeed

en ik wraak kon nemen, heb ik het gedaan. Maar mijn bedoeling was

alleen, dien trotschen markies in moeilijkheden te wikkelen, hem een

vernedering te doen ondergaan. Hij heulde met Oostenrijk tegen zijn

eigen vaderland. Bij toeval kwam ik het te weten; ik sprak erover,

maar buiten mijn weten--hoe kon ik het ook vermoeden?--spande men mij

een valstrik en werd ik bedrogen. Toen ik gewaar werd, wat ik gedaan

had, was het te laat."

"Het is misschien wat moeilijk, Mevrouw," zei Sir Percy na een poos

zwijgens tusschen hen, "om het verleden nauwkeurig na te gaan. Ik

heb u bekend, dat ik kort ben van memorie, maar het wil mij bepaald

voorkomen, dat ik bij den dood van den Markies om een verklaring

bij u aandrong. Ik meen, dat u destijds mij iedere verklaring hebt

geweigerd."

"Ik wenschte uw liefde voor mij op de proef te stellen, en ze heeft

de proef niet doorstaan."

"En om die liefde te beproeven eischtet gij, dat ik zonder morren

of tegenspraak, als een willooze slaaf, iederen wensch mijner

meesteres had op te volgen. Mijn hart, dat blaakte van liefde en

passie, vorderde geen opheldering, het wachtte die af, zonder eenigen

twijfel met het volste vertrouwen. Zoo ge slechts een enkel woord

hadt gesproken, zou ik van u iedere opheldering aanvaard en er geloof

aan hebben geslagen. Maar gij liet mij zonder eenige mededeeling,

met zekeren trots keerdet gij terug naar uws broeders woning en liet

mij ongemoeid... weken lang..."

Zij had er thans niet over te klagen, dat hij koel was en ongevoelig,

zijn stem beefde met al de heftigheid van ingehouden passie.

"Ik was nauwelijks heengegaan, toen ik al berouw gevoelde," zei ze

droevig. "Maar toen ik terugkwam, vond ik je, ach, zoo veranderd! Je

hadt het masker van droomerige onverschilligheid al voorgedaan en je

hebt dit niet afgelegd dan tot... op dit oogenblik."

Zij stond zoo dicht bij hem, dat haar zacht, los haar zijn wang

raakte; haar oogen, die vol tranen stonden, maakten hem krankzinnig,

haar muzikale stem deed het bloed in zijn aderen bruisen. Maar hij

wilde zich niet laten overmannen door de betooverende bekoorlijkheid

dezer vrouw, die hij zoo innig had bemind, maar die hem zooveel leed

had berokkend. Hij sloot zijn oogen om het visioen te doen afdeinzen.

"Neen, Mevrouw, het is geen mom," zei hij ijzig. "Ik zwoer u

eenmaal... dat mijn leven u toebehoorde. Maanden lang is het uw

speeltuig geweest... het heeft beantwoord aan uw doel."

"Hoe hardvochtig zijt ge!" zuchtte zij. "Waarachtig! Ik kan bijna

niet gelooven, dat nog geen paar maanden geleden een enkele traan

van me je bijna dol zou gemaakt hebben. Nu kom ik tot je met een half

gebroken hart... en... en..."

"Ik vraag u, Mevrouw," zei hij met een stem, die al evenzeer stokte

als de hare, "op welke wijze kan ik u van dienst zijn?"

"Percy!--Armand verkeert in doodsgevaar. Een brief van hem... voorbarig

als al zijn daden en geschreven aan Sir Andrew Foulkes, is in handen

geraakt van een dweper. Morgen zal hij misschien gearresteerd

worden... daarna de guillotine... tenzij... tenzij... oh! het is

verschrikkelijk... en gij begrijpt niet, ge kunt niet begrijpen... ik

heb niemand, tot wien me te wenden... om hulp... zelfs om

belangstelling..."

Haar tranen kon ze nu niet meer bedwingen. Al haar verdriet, de

vreeselijke onzekerheid van Armand's lot overweldigden haar. Ze

wankelde en zou neergevallen zijn, zoo ze geen steun had gezocht tegen

de steenen ballustrade, ze bedekte met beide handen haar gelaat en

weende bitter.

Bij de eerste vermelding van Armand's naam en het gevaar, waarin

hij verkeerde, was Sir Percy's gelaat eenigszins bleeker geworden;

zijn thans vastberaden blik teekende zich scherper dan ooit.

"Dus," zei hij met bitter sarkasme, "keert het moorddadig monster

der revolutie zich nu tegen den man, die het gedrocht voedsel

toewerpt?... Mevrouw," vervolgde hij zachtzinnig, toen Marguerite

voortging met hartstochtelijk te snikken, "ik bid u, stort geen tranen

meer!... Ik heb nooit een schoone vrouw kunnen zien weenen, en ik..."

Op het gezicht van haar hulpeloosheid en verdriet strekte hij

onwillekeurig de armen uit; in het volgend oogenblik zou hij haar

hebben aangegrepen, haar aan zijn hart hebben gedrukt, met den

onverzettelijken wil haar met zijn leven te beschermen tegen alle

gevaar... Doch hij bedwong zich met een bovenmenschelijke poging,

en zei op onverschilligen, maar toch zachtzinnigen toon:

"Zoudt u zich maar niet tot mij wenden, Mevrouw, en mij zeggen,

op welke wijze ik de eer hebben mag, u van dienst te zijn?"

Haar door tranen overstroomd gelaat tot hem keerend, stak ze andermaal

de hand uit, die hij weer even galant kuste als te voren.

"Kunt ge het een of ander doen voor Armand?" vroeg ze lief en

eenvoudig. "Je hebt zooveel invloed aan het hof... zooveel vrienden..."

"Neen, Mevrouw, zoudt ge niet liever den invloed zien te benutten van

uw Franschen vriend Chauvelin? Zoo ik me niet vergis, is die al even

groot als van de Regeering der Fransche Republiek."

"Ik kan het hem niet vragen, Percy... oh! Ik wenschte, het u te kunnen

zeggen... maar... maar... hij heeft een prijs gesteld op Armand's

hoofd, die..."

Ze zou alles ter wereld hebben gegeven, zoo ze op dit oogenblik den

moed had gehad hem haar geheim te openbaren... al wat ze dien nacht

had gedaan, hoe ze had geleden en hoe haar het mes op de keel was

gezet. Maar ze durfde hem geen andere bekentenis te doen. Hij mocht

het eens niet begrijpen, niet met haar sympathiseeren. Toen zij zweeg,

slaakte hij een zucht en zei tamelijk koel:

De Roode Pimpernel · 第 6 / 14 段