Wie eenige landgoederen daar bezoekt en getuige is van de vr

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed

Proofreading Team at https://www.pgdp.net/

De

Cohen-Editie

Van de

Beste Binnen- en Buitenlandsche Boeken

Uitgave van

Gebroeders E. & M. Cohen, Amsterdam

1918

De Negerhut

(Uncle Tom's Cabin)

Een verhaal uit het slavenleven in Noord-Amerika

Door

Harriet Beecher Stowe

Naar den 20sten Amerikaanschen druk uit het

Engelsch vertaald

Door

C. M. Mensing

Geïllustreerd door Braakensiek en anderen

Uitgave van

Gebroeders E. & M. Cohen, Amsterdam

Heerengracht 326

VOORREDE.

De tooneelen van dit verhaal verplaatsen den lezer, gelijk de titel

reeds aanduidt, onder een menschenstam, waarvan de beschaafde

maatschappij tot nog toe hare aandacht heeft afgewend en liefst

niets heeft willen weten: een vreemd geslacht, welks voorouders,

onder de zon der keerkringen geboren, een karakter medebrachten en

aan hunne afstammelingen ten erfdeel gaven, zoo geheel ongelijk aan

dat van den harden en heerschenden Anglo-Saksischen stam, dat het

van dezen vele jaren lang niets anders dan misverstand en verachting

heeft kunnen verwerven.

Doch wij zien het aanbreken van een anderen en beteren dag;

letterkunde, poëzie en kunsten brengen in onzen tijd haar invloed

meer en meer in overeenstemming met den voornamen grondtoon des

Christendoms: "In de menschen een welbehagen!"

De dichter, de schilder en de schrijver zoeken thans de meer

gewone betrekkingen des levens en de zachtere aandoeningen van

het menschelijke hart op, pogen deze schooner en beminnelijker te

maken, en ademen, onder het lokkende der verdichting, een geest van

menschelijkheid en verteedering, welke de ontwikkeling der groote

beginselen van Christelijke broederschap moet bevorderen.

De hand der menschenliefde is overal uitgestrekt, om naar misbruiken

te zoeken, om verongelijkingen te herstellen, om rampen te lenigen,

en de geringen, de verdrukten en de vergetenen voor de oogen der

wereld te plaatsen, en deze tot medelijden te bewegen.

In deze algemeene beweging is men eindelijk gedachtig aan het

ongelukkige Afrika: Afrika, dat in den schemerachtigen dageraad van

den ouden tijd het eerst de loopbaan der beschaving intrad, maar dat

sedert eeuwen geboeid en bloedende voor de voeten der beschaafde en

Christelijke menschheid gelegen en vruchteloos om haar medelijden

gesmeekt heeft.

Doch het hart van den heerschenden stam, het hart van hen, die

de overwinnaars en harde meesters der Afrikaansche menschheid zijn

geweest, is eindelijk tot barmhartigheid met haar bewogen, en men heeft

gezien hoeveel edeler het voor volken is de zwakken te beschermen,

dan hen te onderdrukken. God zij geloofd, de wereld heeft eindelijk

den slavenhandel overleefd.

Het oogmerk dezer schetsen is, gevoel en medelijden voor het

Afrikaansche menschengeslacht, gelijk het onder ons Amerikanen leeft,

te doen ontwaken; het onrecht en de ellende te doen zien, die het lijdt

onder een stelsel, hetwelk zoo noodzakelijk wreed en onrechtvaardig

is, dat het de goede gevolgen verijdelt en vernietigt van alles,

wat onder dat stelsel door de beste vrienden dier ongelukkigen voor

hen kan beproefd worden.

Dit doende kan de schrijfster oprechtelijk alle vijandelijk gevoel

verloochenen jegens diegenen die dikwijls zonder eigen schuld in

de bezwaren en moeilijkheden van de wettelijke aangelegenheden der

slavernij zijn betrokken.

De ondervinding heeft haar bewezen, dat menschen met het helderste

hoofd en het edelste hart dikwijls in deze moeielijkheden zijn

gewikkeld, en niemand weet beter dan zij, dat alles wat men uit

schetsen gelijk deze van de ellende der slavernij kan leeren kennen,

nog niet de helft is van hetgeen men zou kunnen verhalen van het

onbeschrijfelijk geheel.

In de noordelijke staten zullen deze tafereelen misschien overdreven

genoemd worden; in de zuidelijke staten zijn getuigen, die weten hoe

getrouw zij zijn. Welke persoonlijke kennis de schrijfster draagt

van werkelijke voorvallen, gelijk dezulke die hier verhaald zijn,

zal op zijnen tijd blijken.

Het is een troost, te hopen dat, gelijk de wereld van eeuw tot eeuw

zooveel smart en onrecht heeft overleefd en achter zich gelaten, er

zoo een tijd zal komen, wanneer schetsen gelijk deze alleen belangrijk

zullen zijn als gedenkstukken van iets, dat al lang heeft opgehouden

te bestaan.

Wanneer een verlichte en echt Christelijke maatschappij op de kusten

van Afrika zal gevestigd zijn, met eene aan ons ontleende wetgeving,

taal en letterkunde, mogen dan de tooneelen uit het diensthuis

voor hare leden wezen gelijk de geheugenissen van Egypte voor den

Israëliet--eene opwekking tot dankbaarheid aan Hem, die hen verlost

heeft!

EERSTE HOOFDSTUK

WAARIN DE LEZER EEN MENSCHLIEVEND MAN LEERT KENNEN.

Laat in den namiddag van een guren dag in Februari zaten twee heeren

alleen bij hunnen wijn, in een fraai gemeubileerd eetzaaltje, in de

stad P***, in Kentucky. Er waren geene bedienden aanwezig, en met

dicht bij elkander geschoven stoelen schenen de heeren met grooten

ernst over een belangrijk onderwerp te spreken.

Heeren hebben wij zooeven gezegd. Een van de twee scheen echter,

als men hem oplettend aanzag, dien naam niet zeer te verdienen. Hij

was een kort, zwaarlijvig man, met grove, gemeene gelaatstrekken

en dat voorkomen van opgeblazen aanmatiging, dat een man van weinig

opvoeding kenmerkt, die zich in de wereld omhoog tracht te werken. Hij

was buitensporig zwierig gekleed, met een schitterend veelkleurig

vest, eene blauwe das met schreeuwend gele oogen bezaaid en met een

winderigen strik opgeknoopt, volkomen in overeenstemming met het

geheele voorkomen van den persoon. Zijne handen, groot en grof, waren

met ringen overladen; hij droeg een zwaren gouden horloge-ketting,

met een tros verbazende cachetten van allerlei kleuren daaraan,

welke hij gewoon was onder het spreken met blijkbaar welgevallen te

laten slingeren en rinkelen. Zijne taal was eene zeer vrijpostige

uittarting van al de regelen der spraakkunst, en hier en daar met

verschillende profane uitdrukkingen doorzaaid, welke wij zelfs niet

uit verlangen om ons verhaal levendiger te maken willen overnemen.

De ander, Mr. Shelby, had inderdaad het voorkomen van een heer, een

_gentleman_, en de geheele inrichting van zijn huis en huishouden

scheen te doen blijken, dat hij een gegoed, ja zelfs een rijk man

moest wezen. Gelijk reeds gezegd is, waren deze twee midden in een

ernstig gesprek.

"Dat is de manier, waarop ik de zaak wilde schikken", zeide Mr. Shelby.

"Op die manier kan ik geen handel doen--stellig niet, Mijnheer

Shelby!" zeide de ander, en hield te gelijk een glas wijn tusschen

zijn oog en het licht.

"Wel, ik zal u zeggen, Haley, Tom is een buitengewone kerel; hij is

die som zeker overal waardig--nuchter, eerlijk en bekwaam, houdt hij

mijne geheele hoeve in orde, alsof het een uurwerk was."

"Gij meent eerlijk zoover als dat met negers gaat," zeide Haley,

zich nog een glas brandewijn inschenkende.

"Neen, ik meen waarlijk dat Tom een brave, degelijke, godvreezende

kerel is. Vier jaren geleden heeft hij bij eene veldpredikatie

godsdienst geleerd, en ik geloof dat hij dien waarlijk geleerd

heeft. Ik heb hem sedert alles aanvertrouwd wat ik heb--geld, huis,

paarden--ik heb hem laten gaan en komen het geheele land door; en ik

heb hem altijd en in alles trouw en eerlijk bevonden."

"Sommige menschen gelooven niet dat er vrome negers zijn, Shelby,"

zeide Haley met de hand wuivende, alsof hij eens zeer billijk wilde

zijn; "maar ik geloof het wel. Ik had een kerel bij den laatsten troep,

dien ik naar Orleans bracht--het was inderdaad zoo goed als eene preek,

dien knaap te hooren praten; en hij was ook heel zacht en stil. Hij

heeft mij eene mooie som opgebracht, want ik had hem goedkoop van

iemand, die moest uitverkoopen, en zoo verdiende ik zeshonderd aan

hem. Ja, ik houd godsdienst voor iets heel goeds in een neger, als

het namelijk echte waar is."

"Nu, Tom heeft de echte waar, als ooit iemand ze had," hervatte

de ander. "Wel, verleden najaar liet ik hem alleen naar Cincinnati

gaan, om zaken voor mij te doen en mij vijfhonderd dollars tehuis te

brengen. "Tom," zeide ik tegen hem, "ik vertrouw u, omdat ik denk

dat gij een Christen zijt. Ik weet dat gij mij niet zoudt willen

bedriegen." Tom kwam terug, zeker genoeg--dat wist ik wel. Eenige

gemeene kerels, heb ik gehoord, vroegen hem: "Tom, waarom zijt ge niet

naar Canada gedrost?"--"O, meester vertrouwde mij, ik kon niet." Zoo

heeft men het mij verteld. Het spijt mij Tom te moeten wegdoen, dat

moet ik zeggen. Gij moest hem voor het geheele restant der schuld

aannemen; en dat zoudt gij ook, Haley, als gij een geweten hadt."

"Wel, ik heb juist zooveel geweten als iemand, die handel doet, er op

kan nahouden--zoo'n beetje, weet ge, om bij te zweren als het ware,"

zeide de handelaar, [1] schertsend, "en ik ben ook gewillig om alles

in het redelijke te doen, om een vriend te verplichten; maar dit hier,

ziet ge, is een beetje te veel gevergd--een beetje te veel."

De handelaar slaakte een peinzenden zucht en schoof zijn glas nog

eens bij.

"Welnu, Haley, hoe wilt gij het dan schikken?" zeide Mr. Shelby na

eene tusschenpoos van drukkende stilte.

"Wel, hebt ge geen jongen noch meid, dien ge op Tom kondt toegeven?"

"Hm! Geen, dien ik wel missen kan. Om u de waarheid te zeggen, het

is alleen de harde noodzakelijkheid, die mij over het geheel wil doen

verkoopen. Ik doe niet gaarne een van mijne lieden weg; zoo is het."

Hier werd de deur geopend en een kleine jongen, een quadron,

tusschen de vier en vijf jaren oud, kwam de kamer binnen. Hij had

iets zeer bevalligs en innemends in zijn voorkomen. Zijne zwarte

haren, zoo fijn als zijde, hingen in glanzige krullen om zijn rond,

vroolijk gezichtje, terwijl een paar groote donkere oogen, vol vuur

en zachtheid te gelijk, onder de lange wimpers kwamen uitkijken, toen

hij nieuwsgierig in het vertrek rondzag. Een rokje van rood en geel

geruite stof, dat hem zeer netjes paste, deed zijne donkere en welige

schoonheid nog gunstiger uitkomen; en zeker koddig zelfvertrouwen

met eenige bedeesdheid vermengd, toonde dat hij niet ongewoon was

door zijnen meester als een speelpopje behandeld te worden.

"Holla, Jim Crow!" zeide Mr. Shelby, floot eens en wierp een trosje

rozijnen naar hem toe. "Raap dat eens op."

Het kind liep zoo hard hij kon naar den buit, terwijl zijn meester

lachte.

"Kom hier, Jim Crow!" zeide hij.

Het kind kwam; de meester streelde zijn krulkopje en tikte hem onder

de kin.

"Kom aan nu, Jim, laat mijnheer eens zien hoe ge dansen en zingen

kunt."

Het knaapje begon met eene heldere stem een van die wilde dwaze liedjes

te zingen, die onder de negers in zwang zijn, en vergezelde zijn gezang

met vele koddige bewegingen van handen, voeten en het geheele lijf,

alles juist op de maat zijner muziek.

"Bravo!" zeide Haley, hem een vierdepart van een sinaasappel

toewerpende.

"Jim, loop nu eens zooals oude Oom Cudjoe, als hij de rheumatiek

heeft."

Terstond namen de buigzame leden van het knaapje den schijn van

misvormig aan, en strompelde hij met een krommen rug en zijns meesters

stok in de hand door de kamer rond, met zijn kindergezichtje in

pijnlijk knorrige plooien getrokken, en rechts en links spuwende,

gelijk de oude man deed, dien hij nabootste.

Beide heeren schaterden van lachen.

"Jim," zeide zijn meester weder, "laat ons nu hooren en zien hoe

ouderling Robbins psalmen zingt."

Het kind rekte zijn rond gezichtje tot eene verbazende lengte uit,

en begon door zijn neus eene psalmwijs te zingen, alles met den

grootsten ernst.

"Bravo! Wat een jongen!" zeide Haley. "Dat kereltje is knap, dat beloof

ik u. Wil ik eens wat zeggen," en daarbij klopte hij Mr. Shelby op

den schouder; "geef dat kereltje er op toe, en ik houd de zaak voor

afgedaan--dat doe ik. Kom aan, is dat nu geen spijkers met koppen

slaan?"

Op dit oogenblik werd de deur zachtjes opengeduwd, en kwam eene jonge

quadrone, van vijf-en-twintig jaren naar het scheen, de kamer binnen.

Men behoefde slechts even van het kind naar haar te zien, om haar als

de moeder daarvan te herkennen. Zij had dezelfde donkere groote oogen

met lange wimpers, hetzelfde golvende zijdeachtige zwarte haar. Het

bruin harer kleur maakte voor een donkeren blos plaats, toen zij den

blik van den vreemden man met onverholen bewondering op haar gevestigd

zag. Hare kleeding paste zeer net en deed hare fraai gevormde gestalte

voordeelig uitkomen. Een fijne hand en nette voet waren bijzonderheden,

die het snelle oog des handelaars niet ontsnapten, wel gewoon om met

een enkelen blik de eigenschappen van vrouwelijke waar op te merken.

"Wel, Eliza!" zeide haar meester, toen zij staan bleef en hem

aarzelend aanzag.

"Verschooning, Mijnheer, ik zocht naar Harry," en het kind sprong

naar haar toe en liet haar zijn buit zien, dien hij in een slip van

zijn rokje had gedaan.

"Neem hem dan maar mede," zeide Mr. Shelby, en zij ging haastig heen

met het kind op den arm.

"Bij Jupiter, dat is goede waar!" zeide de handelaar, den ander

met opgetogenheid aanziende. "Aan die meid kunt gij in Orleans geld

verdienen, wanneer ge maar wilt. Ik heb wel eens over de duizend zien

betalen voor meiden die geen zier mooier waren."

"Ik wil geen geld aan haar verdienen," zeide Shelby droogjes, en

om het gesprek eene andere wending te geven, trok hij eene versche

flesch wijn open en vroeg Haley wat hij daarvan dacht.

"Heerlijk," antwoordde de handelaar kortaf, en toen, Shelby weder

familiaar op den schouder kloppende, vervolgde hij: "kom, laten wij

eens over die meid handelen. Wat zal ik voor haar bieden? Hoeveel

wilt gij voor haar nemen?"

"Zij is niet te koop, Mijnheer Haley," zeide Shelby. "Mijne vrouw

zou haar niet willen missen voor haar gewicht aan goud."

"Ja, ja, vrouwen zeggen zulke dingen altijd, omdat ze niet

rekenen. Laat ze maar eens zien, hoeveel horloges, pluimen en

snuisterijen men voor iemands gewicht in goud krijgen kan, en dan

verandert de zaak, zou ik denken."

"Ik zeg u, Haley, hiervan moet niet gesproken worden. Ik zeg neen,

en ik meen neen," antwoordde Shelby beslissend.

"Nu, gij zult mij den jongen toch wel laten?" hervatte de

handelaar. "Gij moet bekennen, dat ik tamelijk veel voor hem bied."

"Wat op de wereld kunt gij met het kind willen doen?" zeide Shelby.

"Wel, ik heb een vriend, die in dat vak gaat doen; hij wil mooie

jongens koopen, om voor de markt op te fokken. Liefhebberij-artikelen

om te verkoopen voor lijfknechts en zoo voort aan rijke heeren, die

mooi goed kunnen betalen. Dat maakt figuur in een groot huis--een

echt mooie jongen, om de deur open te doen en te bedienen. Zij halen

eene goede som, en die kleine drommel is zulk een koddig, muzikaal

ventje--hij is net de rechte soort."

"Ik wilde hem liever niet verkoopen," zeide Shelby nadenkend. "Om

de waarheid te zeggen, Mijnheer, ik denk menschelijk en scheid niet

gaarne het kind van de moeder."

"O zoo!--Ja wel, iets van dien aard. Ik begrijp het volkomen. Het is

somtijds heel lastig met die vrouwen terecht te komen. Ik heb altijd

een hekel aan zulk een huil- en schreeuwtijd. Het is machtig lastig

en onpleizierig; maar zooals ik de zaak overleg, Mijnheer, vermijd ik

die onaangenaamheid meestal. Als gij nu maar de meid voor een dag, of

eene week of zoo uit den weg zendt, dan wordt het stilletjes gedaan,

en alles is voorbij eer zij tehuis komt. Uwe vrouw kan haar een paar

oorringen geven, of eene nieuwe japon, of zulke nesterij, om het haar

te verzoeten."

"Ik vrees van neen."

"Och vriend, ja. Die schepsels zijn niet zooals de blanken, weet ge;

zij komen over alles heen, als men het maar goed aanlegt. Men zegt

wel eens," vervolgde Haley, een oprechten en vertrouwelijken toon

aannemende, "dat deze soort van handel het gevoel verhardt; maar

dat heb ik niet ondervonden. Het is de waarheid, dat ik nooit zoo

zou kunnen handelen, als sommige kerels doen. Ik heb er gekend, die

eene vrouw haar kind uit de armen zouden halen en het opzetten om te

verkoopen, terwijl zij al doorschreeuwt, als of zij dol was. Zeer

slecht overleg--beschadigt de waar--maakt ze somtijds geheel

onbruikbaar. Ik heb eens in Orleans eene echt mooie meid gezien,

die door deze manier van handelen gansch bedorven werd. De kerel,

die haar kocht, wilde haar kind niet, en zij was eene van de lastige

soort als haar bloed warm werd. Ik kan u zeggen, zij klemde haar kind

in hare armen, en babbelde, en roerde zich ijselijk. Ik word haast

nog koud, als ik er aan denk; en toen zij haar kind wegbrachten

en haar opsloten, werd zij heel en al razend en stierf binnen de

week. Dat was duizend dollars zoo maar weggegooid, Mijnheer, alleen

door gebrek aan overleg. Het is altijd best, menschelijk te wezen,

Mijnheer, dat is mijne ondervinding."

De handelaar liet zich in zijn stoel zakken, sloeg zijne armen met

zekere onverschilligheid over elkander en scheen zichzelven voor een

tweeden Wilberforce te houden.

Het scheen dat hij het onderwerp zeer belangrijk vond, want terwijl

Shelby peinzend een sinaasappel schilde, begon Haley opnieuw, wel met

eene zekere schroomvalligheid, maar alsof de kracht der waarheid hem

werkelijk dwong om nog iets te zeggen:

"Het staat voor iemand niet mooi als hij zich zelven prijst, maar

ik zeg het alleen, omdat het de waarheid is. Ik geloof men houdt mij

voor den man die de mooiste troepen negers aanvoert, die er gebracht

worden, tenminste zoo heeft men mij gezegd; honderd zoo goed als een,

allen in goeden staat, vet en welgedaan, en ik verlies er zoo weinig

als iemand in het vak. En dat alles ligt aan mijne behandeling,

Mijnheer; en menschelijk, Mijnheer, dat mag ik wel zeggen, is de

groote steunpilaar van mijn handelen."

Shelby wist niet wat te zeggen, en zeide dus: "inderdaad!"

"Men heeft mij uitgelachen om mijne denkbeelden, Mijnheer, en men

heeft er mij over aangesproken. Zij zijn niet bemind, Mijnheer, en

zij zijn niet gewoon, maar ik blijf er bij: ik ben er bij gebleven

en heb er goed geld mede verdiend; ja, mijnheer, zij hebben hunne

vracht betaald, mag ik wel zeggen."

En de handelaar lachte om zijne eigene aardigheid.

Er was iets zoo origineels in deze redeneeringen over menschelijkheid,

dat Shelby niet kon nalaten met hem mede te lachen. Misschien lacht gij

ook waarde lezer, maar gij weet wel, de menschelijkheid vertoont zich

tegenwoordig in allerlei vreemde gedaanten en zegt en doet allerlei

wonderlijke dingen.

Shelby's lachen bemoedigde den handelaar om voort te gaan.

"Het is wel vreemd, maar ik heb het den menschen nooit in het hoofd

kunnen stampen. Daar was Tom Loker, mijn oude compagnon in Natchez;

hij was een knappe kerel, dat was Tom, maar een duivel voor de

negers--om reden was hij dat, ziet ge, want hij had zulk een goed

hart als iemand, die ooit brood gebroken heeft; het was zijn systeem,

Mijnheer. Ik placht wel met Tom te praten en te zeggen: "Wel, Tom,

als die meiden eens aangaan en huilen, wat baat het dan, ze een gat

in den kop te slaan en af te ranselen? Het is belachelijk," zeide ik,

"en het doet nooit goed. Ik voor mij zie geen kwaad in het huilen,"

zeide ik; "dat is hare natuur, en als de natuur niet op de eene

manier er uit kan, dan neemt zij eene andere. Bovendien Tom," zei ik,

"gij bederft de meiden maar. Zij worden ziekelijk en neerslachtig,

en somtijds worden ze leelijk--vooral de gele meiden doen dat. Waarom

kunt gij ze niet een beetje flikflooien en mooie woorden geven? Ge kunt

er op aan, Tom, een beetje menschelijkheid nu en dan te pas gebracht,

helpt veel meer dan uw ranselen, en brengt meer geld op, geloof dat

vrij." Maar Tom kon er geen smaak in krijgen, en hij bedierf er nog

zooveel, dat ik van hem scheiden moest, hoewel hij een goedhartige

kerel was en anders wel verstand van den handel had."

"En gij vindt dus uwe manier van doen voordeeliger dan die van

Tom?" zeide Shelby.

"Ja, mijnheer, dat lijkt wel. Ziet ge, als ik eenigszins kan, ben ik

een beetje voorzichtig met onpleizierige dingen, zooals het jonge goed

te verkoopen en zoo meer--zend de meiden uit den weg--uit het oog uit

het hart, weet ge, en als het afgedaan en niet meer te veranderen is,

worden zij er vanzelf aan gewoon. Het is niet als met de blanken,

die geleerd hebben te verwachten, dat zij hunne vrouwen en kinderen

zullen houden. Negers, die behoorlijk zijn grootgebracht, hebben

zulke verwachtingen niet, en dus valt hun dat alles lichter."

"Ik vrees dan, dat de mijne niet behoorlijk zijn grootgebracht,"

zeide Shelby.

"Dat denk ik ook wel. Gij, in Kentucky, bederft uwe negers. Gij meent

het goed met hen, maar het is toch geene ware goedheid. Voor een

neger, die door de wereld moet gesold en aan Tom en Dick en de hemel

weet wien verkocht worden, is het geene goedheid, als men hem andere

denkbeelden en verwachtingen geeft en hem al te goed opbrengt; want

dan valt het slingeren en sollen hem naderhand zooveel te harder. Ik

durf wel zeggen, uwe negers zouden lang niet in hun schik zijn op

eene plaats, waar de meeste plantage-negers zouden zingen en joelen

als bezetenen. Iedereen, weet ge, Mijnheer Shelby, denkt natuurlijk

goed over zijne eigene manieren, en ik geloof dat ik de negers omtrent

zoo goed behandel, als het ooit de moeite waard is ze te behandelen."

"Het is gelukkig als men weltevreden is," zeide Shelby, even zijne

schouders ophalende, en blijkbaar met een gevoel van onaangenamen aard.

"Wel, wat zegt ge?" zeide Haley, nadat beiden eene poos stilzwijgend

noten hadden geplozen.

"Ik zal eens over de zaak denken en er met mijne vrouw over spreken,"

antwoordde Shelby. "Ondertusschen, Haley, als gij de zaak op die

stille manier wilt uitvoeren, waarvan ge spreekt, deedt ge best niet

te laten bekend worden, wat ge hier in de buurt komt doen. Het zal

anders onder mijn volk ruchtbaar worden, en dan zal het niet heel

stil toegaan, een van hen weg te brengen; dat kan ik u zeggen."

"O zeker, mondje dicht, natuurlijk. Maar ik moet u zeggen, ik heb

eene drommelsche haast, en wilde wel zoo spoedig mogelijk weten waar

ik op aan kan," zeide Haley terwijl hij opstond en zijn jas aantrok.

"Welnu, kom van avond tusschen zes en zeven uur, dan zult ge mijn

antwoord krijgen," liet Shelby hierop volgen, en de handelaar ging

buigende heen.

"Hoe gaarne was ik in staat geweest om dien onbeschaamden kerel de trap

af te schoppen," zeide Shelby bij zich zelven, toen hij alleen was;

"maar hij weet welk een voordeel hij op mij heeft. Als iemand mij ooit

gezegd had, dat ik Tom aan een van die schelmsche handelaars uit het

Zuiden zou verkoopen, zou ik gezegd hebben: "is uw dienstknecht een

hond, dat hij deze zaak zou doen?" en nu moet het er toch toe komen. En

Eliza's kind ook! Ik weet wel dat ik daarover onaangenaamheden met

mijne vrouw zal hebben; en over Tom ook al. Zoo gaat het als men

schulden heeft. O! die kerel ziet zijn voordeel en weet er gebruik

van te maken."

Misschien is de zachtste vorm van het stelsel der slavernij in den

staat Kentucky te zien. De algemeenheid eener soort van landbouw,

waarbij de arbeid stil en bedaard zijn gang gaat, en die geene tijden

van overgroote haast en drukte medebrengt, gelijk de landbouw van

meer zuidelijke gewesten, maakt daar de taak van den neger gezonder en

redelijker; terwijl de meester, tevreden met langzamer geld te winnen,

die verzoekingen tot hardvochtigheid niet heeft, welke den zwakken

mensch altijd verlokken, wanneer het vooruitzicht op eene snelle en

plotselinge winst in eene weegschaal wordt gewogen, die geen ander

tegenwicht heeft dan de belangen van weerlooze ondergeschikten.

Wie eenige landgoederen daar bezoekt en getuige is van de vriendelijke

toegeeflijkheid van sommige meesters en meesteressen, en de liefderijke

trouw van sommige slaven, zou in verzoeking kunnen komen, om van de zoo

dikwijls herhaalde dichterlijke fabel van een patriarchalen toestand te

gaan droomen; maar boven dat bekoorlijke tooneel hangt eene dreigende

schaduw--de schaduw der wet. Zoolang de wet al deze menschelijke

wezens, met kloppende harten en levende aandoeningen, slechts als

zoovele dingen beschouwt, die eenen meester toebehooren--zoolang

het ongeluk, de onvoorzichtigheid of de dood van een menschlievend

meester hen op eens een leven van geruste welvaart met een van

hopelooze ellende en zwaren arbeid kan doen verwisselen--zóólang is

het onmogelijk, aan het best geregelde stelsel van slavernij iets

schoons of begeerlijks te geven.

Mr. Shelby was een man van de gewone goede soort, zachtaardig en

vriendelijk, en genegen om allen die hem omringden, met toegeeflijkheid

te behandelen, en hij had het nooit aan iets laten ontbreken, dat tot

het lichamelijk welzijn der negers op zijn goed kon bijdragen. Hij

had echter op eene groote schaal en onvoorzichtig gespeculeerd--had

zich diep in schulden gestoken, en wissels van een aanzienlijk bedrag

waren Haley in handen gekomen. Dit korte bericht is de sleutel van

het voorafgaande gesprek.

Nu was het gebeurd dat Eliza, toen zij naar de deur kwam, genoeg van

dat gesprek had opgevangen om haar te doen begrijpen, dat de handelaar

iemand van haren meester wilde koopen.

Gaarne had zij, toen zij heenging, bij de deur blijven staan

luisteren, maar dewijl hare meesteres haar toen juist riep, was haar

dit onmogelijk.

Zij meende echter te hooren, dat de handelaar een bod deed naar

haar kind. Kon zij zich bedriegen? Haar hart klopte onstuimig, en

onwillekeurig drukte zij den kleine vast aan hare borst, dat hij haar

met verbazing aanzag.

"Eliza, wat scheelt u vandaag?" zeide hare meesteres, toen Eliza de

waterkan had omgestooten, tegen het werktafeltje was aangeloopen,

en eindelijk in overmaat van verstrooiïng met een lange nachtjapon

aankwam, in plaats van met het zijden kleedje, dat zij uit de kleerkast

had moeten krijgen.

Eliza schrikte. "O Mevrouw!" zeide zij, hare oogen opslaande, barstte

toen in tranen uit en wierp zich snikkende op een stoel.

"Maar, Eliza, kind! Wat scheelt u toch?" zeide hare meesteres weder.

"O Mevrouw, Mevrouw," antwoordde Eliza, "er zit een handelaar in de

voorkamer met den meester te spreken. Ik heb hem gehoord."

"Welnu, onnoozel kind en wat zou dat?"

"O Mevrouw, denkt gij dat de meester mijn Harry zou willen

verkoopen?" riep het arme schepsel snikkend uit.

"Hem verkoopen? Wel neen, zottinnetje! Gij weet wel dat uw meester

zich nooit met die handelaars uit het Zuiden inlaat, en voornemens

is nimmer een van zijne bedienden te verkoopen, zoolang zij zich wèl

gedragen. En, onnoozel kind, wie denkt ge dat uw Harry zou willen

koopen? Denkt ge dat iedereen zoo op hem gesteld is als gij zijt,

gij gansje? Kom, wees weer vroolijk en maak mijn kleedje vast. Zoo,

maak nu mijn haar van achteren in die aardige vlecht, die gij pas

geleerd hebt, en sta niet meer aan de deuren te luisteren."

"O Mevrouw, maar gij zoudt toch nimmer toestemmen, om--om...."

"Dwaasheid kind! Wel zeker zou ik niet. Hoe praat gij zoo? Ik zou even

gaarne een van mijne eigene kinderen laten verkoopen. Maar waarlijk,

Eliza, gij wordt al te grootsch op dien kleinen jongen. Geen mensch

kan zijn neus meer binnen de deur steken, of gij denkt dat hij komen

moet om hem te koopen."

Gerustgesteld door den toon harer meesteres, ging Eliza vlug en

handig met het toilet voort en lachte onder hare bezigheden om hare

eigene vrees.

Mevrouw Shelby was eene vrouw, die in verstand en zedelijk gevoel

boven het gewone uitmuntte. Met die natuurlijke hooghartigheid en

edelmoedigheid, welke de vrouwen van Kentucky dikwijls kenmerken,

vereenigde zij een verheven godsdienstig en zedelijk gevoel, op vaste

grondbeginselen steunende, naar welke zij met evenveel standvastigheid

als overleg handelde. Haar man, die zelf geene aanspraak op bijzondere

godsdienstigheid maakte, eerbiedigde evenwel de hare en had misschien

wel eenig ontzag voor hare meeningen. Zeker was het, dat hij volle

vrijheid liet aan hare weldadige pogingen, die op het welzijn, het

onderwijs en de zedelijke verbetering harer dienstboden waren gericht,

hoewel hij zelf daaraan geen zeer werkdadig aandeel nam. Inderdaad

scheen hij, ofschoon hij wel niet aan de leer van de toerekening der

overtollige goede werken van heiligen geloofde, zich toch eenigszins

te verbeelden, dat zijne vrouw vroomheid en weldadigheid genoeg voor

twee bezat, en half te verwachten, dat hij door haren overvloed van die

eigenschappen, waarop hij zelf geene bijzondere aanspraak kon maken,

in den hemel zou komen.

De zwaarste last op zijn gemoed, na zijn gesprek met den handelaar,

was de noodzakelijkheid om zijne vrouw van de voorgenomen schikking

kennis te geven, en den tegenstand te bekampen, dien hij met reden

moest verwachten.

Daar Mevrouw Shelby geheel onbekend was met de ongelegenheden, waarin

haar Echtgenoot verkeerde en alleen de gewone menschlievendheid van

zijn karakter kende, was de ongeloovigheid, waarmede zij Eliza's

vermoedens had beantwoord, volkomen oprecht geweest. Zij zette zich

zelfs zonder verder nadenken de zaak uit het hoofd, en daar zij

zich haasten moest om zich voor eene avondvisite gereed te maken,

ontsnapte die korte woordenwisseling geheel aan haar geheugen.

TWEEDE HOOFDSTUK

DE MOEDER

Eliza was van hare meisjesjaren af door hare meesteres als eene

geliefkoosde en eenigszins verwende gunstelinge behandeld.

De reiziger in het Zuiden moet dikwijls dien bijzonderen zweem van

beschaving, die zachtheid van stem en manieren hebben opgemerkt,

welke veelal eene eigenaardige gave der quadronen en mulattinnen

schijnt te wezen. Deze natuurlijke bevalligheid is bij de quadrone

dikwijls met eene schitterende schoonheid, bijna altijd ten minste

met een behagelijk en innemend voorkomen vereenigd. Eliza, gelijk

wij haar beschreven hebben, is geene schets naar onze verbeelding

geteekend, maar aan onze herinnering ontleend, gelijk wij haar jaren

geleden in Kentucky gezien hebben. Veilig onder de beschermende zorg

harer meesteres, had Eliza een rijpen leeftijd bereikt, verschoond

van die verzoekingen, welke de schoonheid van eene slavin tot zulk

een noodlottig erfgoed maken. Zij was met een knappen en talentvollen

jongen mulat getrouwd, die slaaf was op een naburig landgoed en den

naam van George Harris droeg.

Deze jonkman was door zijnen meester verhuurd om in eene fabriek van

zeildoek te werken, waar zijne behendigheid en schranderheid hem voor

onmisbaar deden houden. Hij had eene machine om den hennep te zuiveren

uitgevonden, welke, indien men de opvoeding en omstandigheden des

uitvinders in aanmerking nam, evenveel genie voor de werktuigkunde

aan den dag legde als Whitney's spinmolen [2].

Hij had eene welgemaakte gestalte en innemende manieren, en was in

de fabriek een algemeene gunsteling. Evenwel, daar deze jonkman

in het oog der wet geen mensch maar een ding was, waren al deze

voortreffelijke hoedanigheden onderworpen aan het bedwang van een

gemeenen laaghartigen meester. Toen de heer van George's uitvinding

had gehoord, reed hij eens naar de fabriek, om te zien wat zijn

denkend stuk vee had uitgericht. Hij werd door den fabrikant met

groote voorkomendheid ontvangen, gefeliciteerd met het bezit van een

slaaf van zooveel waarde.

Men leidde hem de geheele fabriek door, en liet hem de machine zien,

door George uitgevonden, die in zijne opgetogenheid zoo vlug sprak,

zich zoo rechtop hield, en er zoo beschaafd en mannelijk uitzag

dat zijn meester eene onaangename bewustheid van minderheid begon

te gevoelen. Wat behoefde zijn slaaf door het land rond te loopen,

machines uit te vinden en onder _gentlemen_ het hoofd op te steken? Hij

zou spoedig een eind daaraan maken. Hij zou hem terugnemen, aan het

graven en spitten zetten, en dan eens zien: "of hij nog zoo grootsch

zou loopen." Tot verbazing van den fabrikant en alle belanghebbenden

zeide hij dus eensklaps, dat hij nu maar het loon van George verlangde

en hem terug wilde nemen.

"Maar, Mijnheer Harris," bracht de fabrikant hiertegen in: "is dat

toch niet wat haastig?"

"En al was dat zoo?--Is de man niet van mij?"

"Wij zouden gaarne meer vergoeding voor hem betalen, Mijnheer!"

"Dat kan mij volstrekt niet schelen. Ik verhuur geen van mijne

arbeiders, of ik moet er lust toe hebben."

"Maar, Mijnheer, hij schijnt voor dit vak bijzonder geschikt."

"Misschien wel. Hij was nooit zeer geschikt voor iets waaraan ik hem

zette, dat kan ik zeggen."

"Maar bedenk eens, dat hij deze machine heeft uitgevonden," viel een

der werklieden er tamelijk ongelukkig op in.

"O, ja! eene machine om werk uit te halen, niet waar? Die wilde hij

wel uitvinden, dat geloof ik. Laat dat altijd maar aan een neger

over. Zij zijn zelven allen machines om werk uit te halen, de een

zoo goed als de ander. Neen, hij zal opstappen."

George stond als versteend, toen hij zoo onverwachts zijn vonnis hoorde

uitspreken door eene macht, die hij wist dat onweerstaanbaar was. Hij

sloeg zijne armen over elkander en kneep zijne lippen dicht, maar eene

geheele vulkaan van bittere aandoeningen brandde in zijne borst en zond

stroomen vuurs door zijne aderen. Hij haalde kort en hijgend adem,

zijne donkere oogen gloeiden als kolen vuur, en hij zou misschien

in eene gevaarlijke drift zijn uitgebarsten, indien de welmeenende

fabrikant hem niet aan den arm had gestooten en zacht gezegd:

"Geef toe, George; ga vooreerst maar met hem mede. Wij zullen u wel

zien te helpen."

De dwingeland bemerkte dit gefluister, en gissende wat er gezegd

werd, hoewel hij het niet hooren kon, versterkte hij zich zelven

heimelijk in zijn besluit om de macht te behouden, die hij over zijn

slachtoffer bezat.

George werd teruggebracht en aan het geringste en onaangenaamste werk

op de hoeve gezet. Hij was in staat geweest om elk oneerbiedig woord

te smoren: maar zijn flikkerend oog en zijn betrokken voorhoofd

waren een gedeelte der natuurlijke taal, die niet gesmoord kon

worden--ontwijfelbare teekenen, die maar al te duidelijk toonden dat

de mensch niet tot een ding kon gemaakt worden.

Het was gedurende den gelukkigen tijd, toen hij in de fabriek werkzaam

was, dat George zijne vrouw had leeren kennen en met haar getrouwd

was. In dien tijd had hij, daar de fabrikant hem zeer begunstigde en

vertrouwde, volle vrijheid om naar believen uit te gaan. Het huwelijk

was zeer naar den zin van Mevrouw Shelby, die, met een weinigje van

de vrouwelijke liefhebberij voor het smeden van echtelijke banden,

hare schoone gunstelinge gaarne vereenigd zag met een man van

hare eigene klasse, die in alle opzichten zoo uitmuntend voor haar

geschikt scheen; zoo werden zij getrouwd in de groote voorkamer harer

meesteres, en versierde die meesteres zelve het fraaie haar der bruid

met oranjebloesems, en wierp den bruidssluier daarover heen, die haast

niet op bekoorlijker hoofd had kunnen rusten; en er was geen gebrek

aan witte handschoenen, koek en wijn, en aan bewonderende gasten,

om de schoonheid der bruid en de goedheid en mildheid der meesteres

te prijzen. Een paar jaren lang zag Eliza haar echtgenoot dikwijls,

en werd hun geluk door niets gestoord, behalve het verlies van twee

kleine kinderen, waaraan zij hartstochtelijk gehecht was, en die zij

met zulk eene diepe smart betreurde, dat zij daardoor eene zachte

vermaning van hare meesteres uitlokte, die met moederlijke bezorgdheid

haar hartstochtelijk gevoel binnen de perken van rede en godsdienst

poogde terug te brengen.

Na de geboorte van den kleinen Harry was zij echter langzamerhand

bedaarder en rustiger geworden, en toen elke bloedende hartsader

weder met dat jeugdig leven was samengestrengeld, bleef Eliza eene

gelukkige vrouw, totdat haar man met ruwheid van zijnen vriendelijken

huurder werd afgerukt, en onder het ijzeren gezag van zijn wettigen

eigenaar gebracht.

De fabrikant, getrouw aan zijn woord, bezocht Harris een paar weken,

nadat George van hem weggenomen was, hopende dat nu de drift bedaard

zou zijn, en beproefde alle mogelijke middelen om den knappen werkman

terug te bekomen.

"Gij behoeft u geene moeite te geven om langer te praten," zeide

Harris stuursch. "Ik weet mijne eigene zaken wel, Mijnheer!"

"Ik heb mij niet vermeten om mij daarmede te bemoeien, Mijnheer. Maar

ik dacht, dat ge het in uw belang zoudt kunnen achten, uw man op de

voorgestelde conditiën aan ons te laten."

"O, ik begrijp de zaak goed genoeg. Ik heb u wel zien wenken en

fluisteren, toen ik hem uit de fabriek kwam halen; maar gij zult mij

zoo niet krijgen. Dit is een vrij land, Mijnheer; de man is mijn,

en ik doe met hem wat ik verkies--zoo is het."

En zoo ontzonk George zijne laatste hoop. Hij zag niets vóór zich,

dan een leven van slaafschen arbeid, nog meer verbitterd door alle

kleine kwellingen en vernederingen, die de schranderheid van zijnen

dwingeland kon uitdenken.

Een zeer menschlievend rechtsgeleerde zeide eens: "het

slechtste gebruik dat men van een mensch maken kan, is hem op te

hangen!" Neen! er kan nog een gebruik van een mensch gemaakt worden,

dat _erger_ is.

DERDE HOOFDSTUK.

DE ECHTGENOOT EN VADER.

Mevrouw Shelby was uitgereden om hare visite te gaan brengen, en Eliza

stond eenigszins neerslachtig onder de veranda het rijtuig na te zien,

toen er een hand op haren schouder werd gelegd. Zij keerde zich om

en een heldere glimlach blonk op geheel haar gelaat, tot zelfs in

hare schoone oogen.

"George, zijt gij het? Wat doet gij mij schrikken! O, ik ben zoo blij,

dat ge komt. Mevrouw blijft van avond uit. Kom dus naar mijn kamertje,

wij hebben den geheelen tijd voor ons."

Met deze woorden trok zij hem naar een net vertrekje, dat op de

veranda uitkwam, waar zij gewoonlijk zat te naaien, binnen beroep

van hare meesteres.

"Hoe blijde ben ik! Waarom lacht gij ook niet? En zie eens naar

Harry! Wat groeit hij!"

Het knaapje stond zijn vader door zijne krullen heen schuins aan te

kijken, en hield zich aan den rok zijner moeder vast.

"Is het niet een mooi kind?" zeide Eliza, de hangende krullen

opstrijkende, om haar lieveling een kus te geven.

"Ik wenschte dat hij nooit geboren was," zeide George met

bitterheid. "Ik wenschte dat ik zelf nooit geboren was."

Verrast en verschrikt, zette Eliza zich neer, liet haar hoofd op den

schouder van haren echtgenoot zinken en barstte in tranen uit.

"O Eliza, het is al te erg van mij, dat ik u zoo deed schrikken,"

zeide hij met teederheid--"al te erg! O, hoe wenschte ik, dat ge mij

nooit gezien hadt--dan hadt gij gelukkig kunnen zijn."

"George! George! hoe kunt gij zoo spreken? Wat is er gebeurd of zal

er gebeuren, dat zoo schrikkelijk is? Wij zijn immers tot heden zoo

gelukkig geweest."

"Dat zijn wij, lieve," zeide George.

Daarna zijn kind op zijne knie nemende, zag hij het in de donkere

glansrijke oogen, en haalde zijne vingers door de krullende lokken.

"Uw evenbeeld, Eliza; en gij zijt de schoonste vrouw die ik ooit gezien

heb, en de beste die ik ooit verlang te zien; maar o, ik wenschte,

dat ik u nooit gezien had, en gij mij niet!"

"O George, hoe kunt gij zoo spreken?"

"Ja, Eliza, het is alles jammer en ellende! Mijn leven is zoo bitter

als alsem; het leven zelf wordt mij uitgepijnigd. Ik ben een arme,

ellendige, moedelooze slover, en ik zal u maar even ellendig maken. Wat

baat het, dat wij ons inspannen om iets te doen, om iets te weten,

om iets te zijn? Wat baat ons het leven? Ik wenschte dat ik dood was."

"Maar lieve George! dat is waarlijk goddeloos. Ik weet wel hoe het u

spijt, dat gij uwe plaats in de fabriek hebt verloren, en gij hebt

een harden meester; maar ik bid u, wees geduldig en misschien zal

er iets...."

"Geduldig!" zeide hij, haar in de rede vallende. "Ben ik niet geduldig

geweest? Heb ik een woord gezegd, toen hij kwam en mij weghaalde,

zonder eenige redenen ter wereld, daar vandaan, waar iedereen goed

voor mij was? Ik heb hem trouw elken cent betaald dien ik verdiende,

en iedereen zegt, dat ik braaf gewerkt heb."

"Ja, het is ijselijk," zeide Eliza, "maar hij is toch uw meester,

moet ge denken."

"Mijn meester! En wie heeft hem mijn meester gemaakt? Dat is het wat ik

denk--welk recht heeft hij op mij? Ik ben een mensch zoo goed als hij;

ik ben beter en knapper dan hij is; ik weet meer van allerlei dingen

dan hij weet; ik heb beter overleg dan hij; ik kan beter lezen dan hij;

ik schrijf eene betere hand; en dat alles heb ik mij zelven geleerd,

zonder dat ik er hem voor behoef te danken--ik heb het geleerd ondanks

hem; en wat recht heeft hij nu om een karrepaard van mij te maken,--mij

af te nemen van het werk dat ik doen kan, beter doen kan dan hij,

en mij aan werk te zetten dat ieder paard kan doen? Hij heeft een

oogmerk; hij zegt, dat hij mij zal vernederen en onderdanig maken,

en hij zet mij opzettelijk aan het zwaarste, laagste en vuilste werk."

"O, George, George! gij maakt mij angstig. Ik heb u nog nooit zoo

hooren spreken. Ik vrees, dat gij nog iets ijselijks doen zult. Het

verwondert mij geheel niet, dat gij dat zoo voelt; maar o, wees toch

voorzichtig--om mijnentwil--om Harry's wil!"

"Ik ben voorzichtig geweest en ik ben geduldig geweest; maar het wordt

al erger en erger. Vleesch en bloed kan het niet langer dragen. Elke

gelegenheid die hij vinden kan om mij te beleedigen en te kwellen,

neemt hij waar. Ik dacht dat ik mijn werk wel zou kunnen afdoen en

mij stil gedragen, en dan buiten de werkuren wat tijd overhouden om

te lezen en te leeren; maar hoe meer hij ziet wat ik doen kan, des

te meer belast hij mij. En hij zegt dat hij, hoewel ik niet spreek,

toch zien kan dat ik den duivel in mij heb, en dat hij dien er uit

wil jagen; en op den een of anderen tijd zal hij er ook wel uitkomen

op eene manier die hem niet bevalt, of ik heb het mis."

"Och, wat zullen wij doen?" zeide Eliza treurig.

"Het was pas gisteren," hervatte George, "toen ik bezig was met

steenen in de kar te laden, dat Tom, de jongeheer, daar stond en

met zijne zweep klapte, zoo dicht bij het paard, dat het beest er

schichtig van werd. Ik vroeg hem op te houden, zoo vriendelijk als

ik kon, maar hij ging maar voort. Ik vroeg het hem nog eens, en toen

keerde hij zich om en begon mij te slaan. Ik hield zijne hand vast,

en toen begon hij te schreeuwen en te schoppen, en liep vervolgens

naar zijnen vader en zeide dat ik tegen hem vocht. Deze kwam woedend

aanloopen en zeide dat hij mij leeren zou wie mijn meester was; en

toen bond hij mij aan een boom, en sneed teentjes voor den jongen

meester en zeide hem dat hij mij slaan mocht tot hij er moe van werd,

en zoo deed hij ook. Als ik hem dat niet eens betaald zet!"

Zijn gezicht betrok en in zijne oogen gloeide een vuur, dat zijne

jonge vrouw deed beven.

"Wie heeft dien man tot mijn meester gemaakt--dat wil ik maar weten,"

voegde hij er bij.

"Och!" zeide Eliza droevig. "Ik heb altijd gedacht, dat ik mijn meester

en meesteres moest gehoorzamen, of dat ik geene Christin kon zijn."

"Dat is misschien wel gezegd in uw geval. Zij hebben u als een eigen

kind grootgebracht--u gevoed, gekleed, zacht behandeld en onderwezen,

zoodat gij eene goede opvoeding hebt gehad--dat is wel eene reden,

waarom zij aanspraak op u kunnen maken. Maar ik ben geschopt,

gescholden en geslagen; op zijn best bemoeide men zich maar niet met

mij. Wat ben ik dan schuldig? Ik heb voor mijn onderhoud honderdvoudig

betaald. Ik wil het niet verdragen--neen, ik wil niet!" zeide hij,

en kneep met een donker gerimpeld voorhoofd zijn vuisten dicht.

Eliza beefde en zweeg. Zij had haar man nog nooit in zulk eene stemming

gezien, en hare zachtzinnige zedenleer scheen voor de baren van zulk

een hartstocht als riet te zwichten.

"Gij weet nog wel van dien armen kleinen Carlo, dien gij mij gegeven

hebt," hervatte George. "Dat beestje was omtrent al de troost dien ik

had. Het sliep des nachts bij mij en liep den geheelen dag met mij

mede, en keek mij aan alsof het begreep wat ik voelde. Wel, laatst,

toen ik hem eenige oude kliekjes gaf, die ik bij de keukendeur had

opgeraapt, en de meester aankwam, zeide deze dat ik hem op zijne

kosten voedde, en dat hij niet lijden kon dat elke neger zijn hond

hield, en beval mij om het diertje een steen om den hals te doen en

in den vijver te smijten."

"O George! dat hebt gij toch niet gedaan!"

"Gedaan?--Ik niet, maar zij. Meester en Tom smeten het arme

verdrinkende beest nog met steenen. De arme Carlo keek mij zoo droevig

aan, alsof hij zich verwonderde, waarom ik hem niet redde. Ik kreeg

met de zweep, omdat ik het niet zelf wilde doen. Maar het kon mij

niet schelen. Hij zal wel eens ondervinden dat de zweep iemand niet

temt. Mijn dag zal wel komen, als hij niet oppast."

"Wat wilt gij gaan doen? O George, doe toch geene goddeloosheid. Als

gij maar op God vertrouwt en wel wilt handelen, zal Hij u verlossen."

"Ik ben geen Christen gelijk gij, Eliza. Mijn hart is vol

bitterheid. Ik kan niet op God vertrouwen. Waarom laat Hij de dingen

zoo zijn?"

"O George, wij moeten geloof hebben. Mevrouw zegt dat wij, als alles

verkeerd met ons gaat, toch moeten gelooven dat God het allerbeste

doet."

"Dat is gemakkelijk te zeggen voor menschen die op hunne sofa's zitten

en in koetsen rijden; maar als ze eens waren waar ik ben, denk ik

dat het wat moeielijker zou zijn. Ik wenschte dat ik goed kon zijn,

maar mijn hart brandt, en ik kan er mij niet mede verzoenen. Gij

zoudt het niet kunnen in mijne plaats; gij kondt het nu niet, als ik

u alles zeggen zou wat ik te zeggen heb. Gij weet alles nog niet."

"Wat kan er nu nog moeten komen?"

"Wel, laatst heeft meester gezegd dat hij een gek was geweest, om mij

van de plaats te laten trouwen; dat hij mijnheer Shelby en al zijn

gedoe haat, omdat zij trotsch zijn en het hoofd boven hem opsteken,

en dat ik mijne trotsche denkbeelden van u gekregen had, en hij zegt

dat hij mij niet meer hier wil laten komen, en dat ik op zijne plaats

eene vrouw moet nemen en daar blijven. Eerst sprak hij daarvan maar

scheldende en brommende; maar gisteren zeide hij mij dat ik Mina tot

vrouw moest nemen en in eene hut met haar wonen, of dat hij mij de

rivier af zou verkoopen."

"Maar gij zijt met mij getrouwd door den predikant, even goed alsof

gij een blanke waart geweest," zeide Eliza eenvoudig.

"Weet gij dan niet dat een slaaf niet getrouwd kan zijn? Er is geene

wet in dit land daarvoor. Ik kan u niet tot vrouw houden, als hij

ons verkiest te scheiden. Dat is het waarom ik wensch dat ik u nooit

gezien had--waarom ik wensch dat ik nooit geboren was. Het zou beter

voor ons beiden zijn geweest--het zou beter voor dit arme kind zijn

geweest als het nooit geboren was. Dat alles kan hem ook nog gebeuren."

"O, maar meester is zoo goed."

"Ja, maar wie weet?--Deze kan sterven; en dan kan hij verkocht

worden aan niemand weet wie. Wat, verheugt het u, dat hij zoo schoon,

schrander en vroolijk is? Ik zeg u, Eliza, dat er een zwaard door uw

hart zal gaan voor iedere goede en lieve eigenschap van uw kind--dat

alles zal hem te veel waard maken om hem u te laten houden."

Deze woorden vielen Eliza zwaar op het hart. De handelaar, dien zij

gezien had, kwam haar weder voor den geest; en alsof iemand haar

een doodelijken slag had toegebracht, verbleekte zij en snakte naar

adem. Zij keek met zenuwachtigen angst onder de veranda uit, waar het

knaapje, dat het ernstig gesprek verveelde, was heengeloopen, en waar

hij zegepralend op Mr. Shelby's wandelstok heen en weder reed. Zij

had haren man wel van hare vrees willen spreken, maar zij bedwong zich.

"Neen, neen, hij heeft zelf al genoeg te dragen," dacht zij. "Neen,

ik wil het hem niet zeggen. En buitendien, het is ook niet waar:

Mevrouw bedriegt ons nooit."

"Kom, Eliza, lieve vrouw," zeide George treurig, "houd u nu maar goed

en vaarwel. Ik ga heen."

"Heen, George--waarheen?"

"Naar Canada," antwoordde hij, zich recht oprichtende, "en als ik daar

ben, zal ik u koopen; dat is alle hoop, die ons overblijft. Gij hebt

een goeden meester, die niet weigeren zal u te verkoopen. Ik zal u

koopen en het kind--als God mij helpt, dat zal ik."

"O schrikkelijk!--Als gij gevat mocht worden!"

"Ik zal mij niet laten vatten, Eliza. Ik zal liever sterven. Ik wil

vrij zijn of sterven."

"Gij zult toch u zelven niet ombrengen?"

"Dat zal niet behoeven; zij zullen mij wel ombrengen; zij zullen mij

niet levend de rivier afkrijgen."

"O George, om mijnentwil, wees toch voorzichtig. Doe geene

goddeloosheid; sla geene handen aan u zelven of iemand anders. Gij

wordt al te zwaar verzocht--al te zwaar; maar--gaan moet gij--maar

doe het voorzichtig en bid God om u te helpen."

De Negerhut · 第 1 / 44 段