RAFFLES IN DONKER ROTTERDAM.

„Gaan we per auto, Edward?” informeerde de jonge secretaris, terwijl

hij het bruinlederen handvalies vulde met eenige toilet-artikelen en

andere onontbeerlijke kleinigheden.

Lord Lister, die reeds geheel reisvaardig was, antwoordde:

„Neen, boy, dezen keer nemen we den spoortrein.”

Hij haalde zijn gouden Horloge te voorschijn, dat op het achterdeksel

in diamanten zijn monogram bevatte en vervolgde:

„Het is nu half twaalf; om 11.53 vertrekt een trein van het

Centraal-Station. Ik heb James om onze auto laten telefoneeren, die

reeds wacht.”

„All right, Edward! Ik ben tot je dispositie!” antwoordde de jonge

secretaris.

Met het lichte valies in de hand volgde hij zijn vriend, die de kamer

reeds had verlaten en vijf minuten vóór het vertrek van den trein

hadden de beide vrienden plaats genomen in een eerste-klas-coupé.

Op weg naar het station had Raffles geen enkel woord over het doel der

reis gesproken en Charly, wiens nieuwsgierigheid was geprikkeld,

brandde van verlangen om eenige bijzonderheden van Lord Lister te

vernemen.

De ernstige uitdrukking op het gelaat van den Grooten Onbekende had hem

echter weerhouden, ook maar een enkele vraag te doen. Hij wist ook wel

uit ervaring, dat zijn vriend toch niets zou meedeelen omtrent zijn

vermoedens en plannen, voordat hij het oogenblik daartoe gekomen

achtte.

Verrast keek Charly dus op, toen, nadat de trein Haarlem reeds

gepasseerd was, lord Lister met een glimlach tot hem sprak:

„En nu zijn we dan werkelijk op weg naar je mooie hertogin, Charly!

Kijk, lees dit eens aandachtig door, mijn jongen en zeg me dan, hoe jij

erover denkt.”

Bij die woorden had Raffles zijn horloge voor den dag gehaald en

daaruit een krantenknipsel genomen, dat hij nu aan Charly gaf.

Onder het lezen van het uitvoerige bericht teekende zich steeds grooter

verbazing af op het gelaat van den secretaris.

Langzaam en aandachtig las hij tot het einde toe, en geheel tegen zijn

gewoonte bleef hij toen eenige oogenblikken zwijgend voor zich

uitstaren.

De groote Onbekende wachtte geduldig, tot zijn vriend van de eerste

ontsteltenis zou zijn bekomen; glimlachend keek hij zijn vertrouwde aan

en eindelijk sprak hij:

„Ik zie tot mijn genoegen, my boy, dat ook jij in de dame met den

blauwen sluier onze bekoorlijke hertogin herkent. Begrijp je nu, waarom

we op dit oogenblik op weg zijn naar Rotterdam?”

Charly richtte nu zijn blauwe oogen op het gelaat van lord Lister en

sprak:

„Dus je hebt tòch weer gelijk! Een paar avonturiers, een misdadiger met

zijn handlangster! Hoe is het mogelijk, dat jij tot in de zielen der

menschen schijnt te kunnen kijken, terwijl ik altijd eerst moet

wachten, tot mij door jou de oogen worden geopend?”

„Dat is mijn natuurlijke aanleg mijn jongen.—Het is nu echter de vraag,

of het mij zal lukken, het tweetal nog bijtijds te beletten, hun

schandelijk plan geheel ten uitvoer te brengen.”

„Maar Edward, één ding begrijp ik niet. Je schijnt er volkomen zeker

van te zijn, dat de Spanjaard en zijn gezellin zich nog in Rotterdam

bevinden. Mij dunkt, dat we beter deden, zoo spoedig mogelijk door te

reizen naar Madrid, want het is toch nogal duidelijk, dat zij zich met

het kind onmiddellijk daarheen zullen hebben begeven!”

Een vroolijke glimlach verscheen weer op het energieke gelaat van den

Grooten Onbekende.

„Deze onlogische redeneering ligt geheel en al in jouw aard, Charly!

Neen! Mijn speurhondenneus zegt mij, dat zij zich nog in Rotterdam

ophouden. Het zou voor hen, nu de algemeene aandacht op hen is

gevestigd en de politie natuurlijk niet stil zal zitten, moeilijk zijn,

met het kind de stad te verlaten. Zij zullen zich daarvan dus eerst

ontdoen en als mijn gelukster me ook nu weer gunstig is, zal ik de hand

op het tweetal kunnen leggen, eer het te laat is.”

Lord Lister had zijn sigarettenkoker te voorschijn gehaald en stak een

versche sigaret aan. Toen sloeg hij het rechterbeen over het linker,

leunde in een hoek van den coupé achterover en sprak:

„Laat me nu nog even met rust, Charly!”

Dit was voor den ander genoeg om te begrijpen, dat Raffles niet meer

gestoord wenschte te worden.

Zwijgend keek Charly naar buiten, waar de weilanden voorbij schenen te

draaien, in rechte stukken verdeeld door smalle slooten, waar kleine

boerenwoningen lagen, omgeven door kale boomen.

Hij dacht weer aan het bekoorlijke gelaat en de innemende manieren van

de jonge hertogin, voor wie hij vurige bewondering had opgevat en weer

verbaasde hij zich erover, hoe het mogelijk was, dat zooveel schoonheid

gepaard kon gaan aan zulk een verdorven karakter.

Maar zou Edward zich niet vergissen deze keer?

Speelde zijn combinatievermogen hem geen parten?

Welke bewijzen waren er om te beweren, dat de mooie, jonge vrouw en

haar geleider en deze beide Spaansche misdadigers dezelfde personen

waren?

Edward scheen volkomen zeker van de zaak te zijn, maar toch...

Een blik op het ernstige gelaat van zijn vriend zei hem, dat ook deze

met zijn gedachten bij de beide vreemdelingen was.

Lord Lister dacht ingespannen na over de uren, welke hij in het

gezelschap der beide onbekenden had doorgebracht.

Steeds weer opnieuw trachtte hij zich te herinneren, waarover zij

hadden gesproken, wat zij zich omtrent hun levenswijze en hun verleden

hadden laten ontvallen.

Want hij was het nog niet met zichzelf eens, waarheen hij zich bij

aankomst te Rotterdam het eerst zou wenden, welke houding hij aan zou

nemen.

Nauwkeurig herinnerde hij zich de reisverhalen, die de donkere markies

had gedaan.

Deze scheen een groot deel van Europa en Amerika te kennen en veel had

hij verteld over eigenaardige toestanden, die nog bestaan op het

Pyreneesch schiereiland.

De mooie hertogin had haar bewondering geuit over Amsterdam en

’s-Gravenhage; over Rotterdam had zij zich bijna niet uitgelaten en

telkens weer had zij te kennen gegeven, dat zij vurig terugverlangde

naar het Zuiden, waar zij gewend scheen te zijn aan een leven van

weelde en genot.

Eentonig dreunde het geratel der wielen in de ooren van den Grooten

Onbekende.

Plotseling was het hem, alsof op de maat van dit geluid eenige vage

klanken telkens weer tot hem doordrongen, het was alsof een

bovenaardsche macht hem met geweld terugvoerde naar het Circus aan den

Amstel, waar hij in de stallen de fraaie paarden had bewonderd.

Het was hem, alsof hij weer opeens naast zich de beide vreemde

bezoekers in de Spaansche taal tot elkaar hoorde spreken.

En weer was het hem, als hoorde hij te midden dier welluidende

Zuidelijke klanken, hoe de lippen der schoone jonge vrouw de

„Lijnstraat” hadden genoemd.— — — — — — — — — —

De strakke gelaatstrekken van den Grooten Onbekende schenen zich te

ontspannen.

Zijn zwarte oogen, die als afwezig voor zich uit hadden gestaard,

blikten weer om zich heen.

Hij keek op zijn horloge en sprak, terwijl hij de sigaret, die hij nog

tusschen de slanke vingers hield, doch die niet meer brandde, uit het

raampje wierp:

„Over een paar minuten zijn we er, Charly. Kijk, daar ligt de stad al

vóór ons.”

Charly was blij, dat zijn vriend het woord weer tot hem richtte en

vroolijk pratend liep hij eenige minuten later naast den slanken lord

over het perron van het Delftsche Poortstation.

Raffles begaf zich naar een der wachtkamers van het station, waar hij

inzage verzocht van het adresboek van Rotterdam, en nadat hij hierin

even had gebladerd, kwam er een trek van groote voldoening op zijn

gelaat.

Ook nu weer had zijn geheugen hem dus niet in den steek gelaten; de

vage klanken, die hij zooeven weer had meenen te hooren, schenen dus

werkelijkheid te zijn geweest, want daar in het adresboek had hij

gezien, dat er in deze stad een straat bestond, die Lange Lijnstraat

heette.

„Ziezoo, mijn jongen”, sprak lord Lister tot Charly, toen zij het

stationsgebouw hadden verlaten en naast elkaar voortwandelden over het

ruime plein daarvóór.

„Hier scheiden zich onze wegen. Ga jij nu je middag zoo gezellig

mogelijk doorbrengen en tracht je in je tijdelijke eenzaamheid te

schikken. Je hadt bij ons vorig bezoek aan Rotterdam groote voorliefde

voor den Dierentuin. Voel je er wat voor om daar eenige uren zoek te

brengen?”

„Heb je dan mijn diensten in het geheel niet meer noodig, Edward?”

vroeg de jonge man op eenigszins teleurgestelden toon.

„Neen! Het is beter, dat ik de verdere expeditie alleen maak. Laten we

afspreken, dat we elkaar tegen zes uur ontmoeten in het Passage-Hotel.

„We kunnen daar in het Restaurant dan gezamenlijk dineeren.”

Charly wierp een blik op de klok, die boven den ingang van het

stationsgebouw den tijd aanwees en antwoordde:

„Het is nu kwart voor twee, dan heb ik tenminste tijd genoeg om de

beesten, die de Rotterdamsche Diergaarde rijk is, alle nog eens een

bezoek te brengen.”

„Je weet, dat er in de Diergaarde gelegenheid is om te lunchen,

nietwaar? Nu, mijn jongen, amuseer je zoo goed mogelijk en laat mij om

zes uur niet tevergeefs op je wachten. Ik denk, dat een goed diner mij

dan extra zal smaken, want ik schiet er mijn twaalf-uurtje bij in.”

Langzaam wandelend, hadden zij in de nabijheid van de halteplaatsen der

electrische trams heen en weer geloopen.

Lord Lister nam nu plaats op het voorbalcon van een der geelgelakte

tramwagens en wisselde nog een groet met Charly, die den wegrijdenden

motorwagen even bleef nakijken.

Lord Lister had zich dien dag gekleed in een zwarte regenjas en had een

vilten hoed met slappen, breeden rand op het donkere haar gezet.

In de oude stad, waar zware vrachtwagens over de hobbelige

straatsteenen rolden en sjouwerlui en ambachtslieden in

plat-Rotterdamsch op luiden toon met elkaar spraken, had Raffles zonder

veel moeite al spoedig de Lange Lijnstraat gevonden.

Het rumoerige straatleven, het herrieachtige van de groote havenstad,

scheen eigen te zijn aan dat stadsgedeelte, waar vooral door den zeeman

het woeste nachtleven wordt geleid.

De Groote Onbekende had met een enkelen oogopslag gezien, in welke

omgeving hij zich hier bevond.

Danshuizen en kroegen, nachtasyls en slaapsteden rijgen zich hier naast

hooge, morsige woonhuizen; kinderen in slordige plunje gestoken

speelden hier en daar op de drempels en stoepen en het geheel deed hem

denken aan die donkere gedeelten van Londen, waar hij zoo menig bezoek

had gebracht en tal van gevaarvolle avonturen had beleefd.

Raffles opende de deur van een kroeg aan zijn rechterhand. Een benauwde

walm als van een te hoog opgedraaide petroleumkachel sloeg hem

tegemoet.

Bij de oude, gerimpelde vrouw, die met een vuilen, donkerblauwen doek

de toonbank schoonmaakte, informeerde hij naar de bezoekers, die in de

laatste dagen daar waren geweest en al dadelijk begreep hij, dat hij

hier niet terecht was.

Onvermoeid herhaalde hij zijn pogingen in de andere gelegenheden, die

daarvoor in aanmerking kwamen, doch zonder eenig resultaat.

Nadat hij reeds meer dan een uur in de benauwde atmosfeer der sombere

huizen had doorgebracht, zonder dat hij eenig spoor van den misdadiger

en diens handlangster had gevonden, opende hij nu de deur van een

kroeg, waar op de vrij breede ruit geschilderd stond:

„De Leeuw aan de Ketting.”

Een lucht van jenever en bier kwam hem tegemoet en een oogenblik hield

de Groote Onbekende den adem in.

Nadat hij de deur weer achter zich had gesloten, liep hij door het

vierkante vertrek, waar hij zich nu bevond, naar een tafeltje op

eenigen afstand van de deur en nam op een der leege stoelen plaats.

Behalve hij zelf was er niemand in het kleine vertrek, dat als

gelagkamer was ingericht.

De wand links van de deur werd bijna geheel in beslag genomen door een

breed buffet, dat van spiegels was voorzien. Tusschen de flesschen en

glazen, op de verschillende planken en richels geplaatst, stonden hier

en daar schel gekleurde kunstbloemen.

De toonbank, die met zink was beslagen en waarop een koperen bierkraan

was aangebracht, was zindelijk en goed onderhouden, evenals de twee

vierkante tafeltjes en stoelen met matten zittingen, die verder het

geheele meubilair uitmaakten.

Op den kalen houten vloer was fijn wit zand gestrooid.

Een donkerrood gordijn, opgehangen aan een lange koperen roe, scheidde

het vertrek in twee gedeelten, waarvan het stuk achter het gordijn

gelegen, waarschijnlijk ter beschikking stond van de meest intieme

bezoekers.

Raffles had met scherpen blik dit alles in zich opgenomen, toen van

achter het roode gordijn een persoon te voorschijn kwam, die de

eigenaar van de kroeg moest zijn.

Hij had het gewone type van dat soort menschen: een rood, opgezet

gelaat met een brutale uitdrukking in de oogen en om den mond, een

welgedane gestalte en dikke, vleezige handen.

Raffles liet zich door den kroeghouder een glas bier brengen, dat hij

onaangeroerd liet staan en wendde zich toen tot den man, die achter

zijn toonbank had plaats genomen.

„Kunt u mij inlichtingen verstrekken omtrent twee personen, die reeds

sinds eenige dagen in deze buurt hebben vertoefd en die ook nu weer

hier zijn?” begon hij, waarna hij den scherp toeluisterenden

kroeghouder het uiterlijk der beide Spanjaarden begon te beschrijven.

Al sprekende legde hij een gouden vijfje op den toonbank en schoof dit

den man tegenover hem toe.

„Da’s niet genoeg!” was alles wat deze antwoordde.

Toen bleef hij zonder iets meer te zeggen, op het krukje zitten.

Bijna onmerkbaar fonkelden de zwarte oogen van den Grooten Onbekende,

die werden overschaduwd door den breeden rand van zijn vilthoed.

Zwijgend legde hij een tienguldenstuk naast het eerste geldstuk neer.

De kroegbaas wierp een blik vol hebzucht op de beide gouden munten,

keek met zijn brutale oogen den vreemden bezoeker aan en sprak:

„Daarvoor ken ’k nog niet alles zegge.”

Raffles nam zijn portefeuille uit een zijner binnenzakken en haalde

daaruit een bankbiljet van honderd gulden te voorschijn.

„Als je mij voldoende inlichtingen geeft”, sprak hij, terwijl hij den

blik onafgewend op het gelaat van den kroeghouder gevestigd hield, „is

dit voor jou!”

De man achter de toonbank strekte als onwillekeurig den arm uit; zijn

dikke, roode vingers schenen het kostbare stukje papier reeds uit de

blanke hand van den bezoeker te willen nemen, maar met onverstoorbare

kalmte vouwde deze het biljet in vieren en liet het in zijn vestzak

verdwijnen.

De kroegbaas was opgestaan en leunde nu met het zware bovenlijf op de

blankgeschuurde toonbank.

„’t Is anders mijn gewoonte niet om de lui te verraje, die hier an huis

komme”, begon hij, alsof hij zich wilde verontschuldigen voor het

verraad, dat hij ging plegen. „Maar teugeswoordig met die slapte van

werrek binne d’r wel dage, da-je blij ben as je ’s avonds tien

kwarretjes hep ontvange. Daarom... zoo’n exteraatje, zoo’n fijn

mazzeltje kan ik niet late loope.”

Al sprekende had hij als ongemerkt de beide goudstukken in de

toonbanklade laten verdwijnen.

Raffles deed alsof hij het niet merkte en bleef geduldig luisteren naar

hetgeen de man hem verder zou vertellen.

En deze vervolgde:

„De heer en dame, waar u naar zoek, binne hier bij mijn geweest. La’s

kijke—nou misschien vierentwintig uur geleje, zoo heel sekuur weet ik

’t niet meer, kwame ze hier om een kamer te vrage.

„De juffrouw zou ik niet herkenne uit uw beschrijving, maar hem wel. Ze

viele me dadelijk op, omdat ze zoo netjes in de kleere stake. Meesten

tijd zien de gaste die wij hier krijge, d’r schobberig uit, maar deze

twee net andersom.

„De dame droeg een klein kind bij d’r, dat weet ik sekuur, want omdat

ik hier in m’n zaak geen kindergeschreeuw kan vele, heb ik ze niet

kanne houwe.

„Ze had een dikke sluier voor d’r gezicht en zoodoende zou ik je met

geen mogelijkheid kanne vertelle of ze ’n mooi wijf was of niet.

„Maar hij!

„Aggenenebbes, wat zag-tie d’r melankoliek uit met z’n valsche blonde

baard en pruik. Die zatte zoo slecht, dat je duidelijk z’n eige zwarte

haar eronder uit zag kome. Ha! ha! ha!

„Me vrouw hèt ze ook gezien, want ik wou dat zaakie niet alleen

bedissele, omdat d’r ook kwetsie van een kind was.

„Nou, me vrouw kan wel d’ris lastig weze, ze is opvliegerig van humeur,

weet u, en dan kan ze snauwe as de beste, maar een kwaje heb ik niet an

d’r en daarom adveseer ik altijd me vrouw in zukke zake.

„Maar zij zee ook, een klein kind in huis, nee, dat gong niet en toen

hebbe we ze een ander adressie opgegeve, bij een vrind van me, een

gesjochte jonge, die best ’s een extraatje hebbe mag.”

De kroeghouder zweeg even, alsof hij verwachtte, dat de rijke

vreemdeling, die blijkbaar zeer veel belang in de verblijfplaats van

den heer en dame met het kind stelde, nog een tweede lapje van honderd

te voorschijn zou halen.

Toen Raffles echter met de handen in de zakken van zijn wijde regenjas

geduldig bleef staan wachten op het slot van de mededeelingen,

vervolgde de andere:

„En nou hebbe ze d’rlui intrek genome op twee huize verderop, bij de

barrebier, waar dat kopere borretje uithangt. Daar heb ik een paar uur

geleje de vent met z’n blonde baard nog zien binnegaan.”

„Je kunt even met mij meegaan”, sprak Raffles, terwijl hij zich reeds

naar de deur begaf.

„Als je inlichtingen juist blijken te zijn, zal ik je de honderd gulden

geven.”

Blootshoofds volgde de corpulente kroegbaas den rijzigen vreemdeling,

voor wien hij, zonder dat hij precies wist waarom, eerbied en ontzag

gevoelde en tegen wien hij, zooals hij bij zichzelf overwoog, „geen

p’rtale bek zou durreve opzette.”

Op hoogstens twintig schreden afstands bengelde boven een helgroen

geschilderde voordeur een koperen scheerbekken aan een roestige ijzeren

haak.

De winkeldeur stond open en de scheerbaas, in een onzindelijk wit jasje

gekleed, zat op een hoogen stoel een volkskrant te lezen.

Toen hij zijn buurman met den vreemden heer zag binnenkomen, gleed een

veelbeteekenend lachje over zijn bleek gelaat en half fluisterend vroeg

hij:

„Weer een logé voor me, Janus?”

Voordat de kroeghouder iets had kunnen antwoorden, naderde Raffles den

barbier en sprak op vasten, gebiedenden toon.

„Wijs mij oogenblikkelijk de kamer, waar de vreemde heer en dame zijn!”

De bleeke man wierp een vragenden blik op den welgedanen kroegbaas en

toen deze met het hoofd knikte, ging hij Raffles voor, een donkere

smalle gang door tot aan een trap, die naar boven leidde.

De treden der steile trap waren afgesleten en met geen looper bedekt.

Op het portaal, waarop de trap uitkwam, waren twee deuren tegenover

elkaar.

De barbier wees op de deur aan zijn linkerhand en fluisterend sprak

Raffles:

„Dank u. Ik heb uw aanwezigheid nu niet meer noodig.”

Het bleeke mannetje in zijn witte jas ging weer naar beneden en de

Groote Onbekende bleef even luisterend voor de kamerdeur staan.

In het vertrek werd geen geluid vernomen, maar een stoel werd met een

ruk verschoven, toen Raffles klopte.

Zonder toestemming af te wachten, draaide hij de deurknop om en stond

op den drempel van een klein vertrek, dat slechts vaag werd verlicht

door een venster, dat uitzicht gaf op een binnenplaats.

Tegen een der muren stond een oude, met zwart trijp bekleede canapé en

hierop lag, blijkbaar in diepen slaap, een jonge vrouw.

Een donkere mantel was over haar uitgespreid en slechts de kleine

voeten, in hooggehakte laarsjes gestoken, kwamen er onder te

voorschijn.

Haar hoofd met weelderig donkerbruin haar rustte op een canapékussen

van versleten zijde, maar ondanks de schamele omgeving was dat gelaat

buitengewoon mooi.

De lange zijden wimpers, en fijne wenkbrauwen staken donker af tegen de

zachtgebruinde huid van wangen en voorhoofd.

Raffles had in haar onmiddellijk de bekoorlijke hertogin herkend, voor

wie Charly’s hart was ontvlamd.

De heer, die achter de tafel stond, de leuning van zijn stoel nog met

de rechterhand vasthoudende, en wiens lichtblonde pruik en valsche

baard een grappigen indruk maakten bij zijn donkeren gelaatstint en

vurige zwarte oogen, keek sprakeloos van schrik en ontsteltenis naar

den binnenkomende.

Ook hij had op den eersten blik gezien, dat dit de heer was, met wien

zij in Amsterdam hadden kennis gemaakt, de voorname Engelschman, met

wien zij in Trianon hadden gesoupeerd.

En bliksemsnel was het door zijn brein geflitst:

„Ontmaskerd! Verloren!”

Eenige oogenblikken namen de beide mannen elkaar zwijgend met

doorborende blikken op.

Toen sprak Raffles, terwijl hij uit een der zakken van zijn wijde jas

een blinkenden browning te voorschijn haalde:

„Waar is de kleine kroonprins José van Navarra? Antwoord mij of ik

schiet u neer als een hond, gij handlanger van graaf Arto!”

Een rilling voer door de leden van den Spanjaard.

Zijn neusvleugels trilden en zijn witte tanden knarsten over elkaar.

Maar hij herstelde zich en op brutalen toon vroeg hij:

„Zijt gij krankzinnig? Wie zijt gij en wat geeft u het recht, dezen

toon aan te slaan? Ga heen, of...”

Een puntig dolkmes werd opgeheven, maar bliksemsnel gaf Raffles met de

gebalde linkervuist een harden slag op de pols van den misdadiger en

met een kreet van pijn en woede viel het vlijmscherpe wapen uit de hand

van den Spanjaard.

Raffles hield zijn tegenstander den loop van de revolver voor het

gelaat en herhaalde op luiden, bevelenden toon:

„Zeg mij waar het kind is of uw laatste uur heeft geslagen!”

Rechts van hem op de canapé ontwaakte de jonge vrouw. Zij wierp den

mantel van zich af en richtte zich halverwege op, toen zij Brancella

hoorde zeggen:

„In de kamer aan de overzijde van het portaal ligt het te slapen.”

Met wijdgeopende oogen van schrik en angst keek Adèle de Confuelo naar

den slanken vreemdeling, dien ook zij had herkend en in een oogwenk had

zij begrepen, dat Brancella en zij verloren waren.

Het plan van hem, in wiens macht zij was sinds zij hem het geheim van

de familiejuweelen der Confuelo’s had toevertrouwd, was dus mislukt. En

de mooie jonge vrouw, die het willooze werktuig van den schurk was

geworden, juichte bijna om den ondergang van haar beul, hoewel zij

volkomen besefte, dat zij zelf mede in het verderf werd gestort.

Roerloos bleef zij op de canapé liggen, het mooie gelaat als verwrongen

van lichamelijke pijn.

Zonder eenige aandacht aan de jonge vrouw te schenken of haar met een

blik te verwaardigen, liet John C. Raffles den Spanjaard vóórgaan naar

de andere kamer.

Met een sleutel, dien hij in zijn vestzak verborgen had, opende

Brancella de deur van het vertrek en Raffles zag in een klein wiegje

een kind liggen.

Hij sloot de deur van de kamer achter zich dicht en nam den sleutel uit

het slot.

Toen sprak hij tot den Spanjaard, die blikken vol haat op den lord

wierp:

„Blijf daar onbewegelijk staan! Bij de minste poging van u om u tegen

mij te verzetten, schiet ik en mijn schot mist nooit!”

De Groote Onbekende boog zich nu over het wiegje heen en keek naar het

kleine wezentje, dat daar rustig lag te sluimeren, onbewust van de

listen en lagen, die daar werden gesmeed om den teeren draad van zijn

leven af te snijden.

Het donkere hoofdje lag op het kleine kussen en in den slaap maakten de

roode lipjes een zuigende beweging.

Een gevoel van diep medelijden met dat arme moederlooze wezentje maakte

zich meester van den Grooten Onbekende en toen hij zich weer tot den

Spanjaard richtte, lag er diepe minachting in zijn stem:

„Gij moet onmiddellijk met uw handlangster dit huis en deze stad

verlaten, als gij niet wilt, dat ik u overlever aan de justitie”, sprak

hij.

„Met het bloedgeld, dat graaf Arto u zeker heeft uitbetaald en de

belooning voor de trouwe diensten, welke gij vorst Pedro hebt bewezen,

kunt gij u vestigen in een ander werelddeel.

„Neem uw schoone handlangster met u mede! In hoeverre zij in uw macht

is en u als werktuig dient bij uw edele ondernemingen, weet ik niet.

„Dit kind, de kleine kroonprins van Navarra blijft hier, voorloopig

onder mijn hoede.”

John C. Raffles had de deur van de kamer weer geopend en volgde den

schurkachtigen Spanjaard naar de achterkamer.

Hartstochtelijk snikkend lag Adèle Confuelo daar nog op de canapé; haar

geheele lichaam schokte en zij geleek een toonbeeld van wanhoop en

berouw.

Lord Lister raakte zachtjes haar schouder aan en, terwijl zij met

geweld haar snikken bedwong, sloeg zij de roodgeweende oogen naar hem

op.

„Als er nog iets van het goede in u is overgebleven”, sprak hij op

ernstigen toon tot haar, „tracht dan uw leven te beteren. Breek met die

schijnvertooning van ijdele pracht en praal, waarvan gij, als reeds

zoovelen vóór u, een slachtoffer zijt geworden. Als het waar is, dat

gijzelf moeder zijt, zooals gij mij in Amsterdam verteldet, leef dan

voortaan voor uw kind!”

Zonder verder een woord te zeggen of een antwoord af te wachten,

verliet de Groote Onbekende het sombere vertrek.

Precies om zes uur stapte Charly Brand het restaurant van het Hotel du

Passage in de Korte Hoogstraat binnen.

Een kellner kwam naar hem toe en vroeg met een beleefde buiging:

„Is u baron Brand?”

Op het bevestigende antwoord overhandigde de zwartgerokte bediende hem

een briefje. Charly opende het en las:

„Je vindt mij in kamer no. zevenendertig.

Edward.”

Toen Charly eenige minuten later de kamerdeur opende, waarop in

glimmend zwarte cijfers 37 stond, bleef hij stom van verbazing op den

drempel staan.

Weldra echter maakte zijn verwondering plaats voor groote vroolijkheid.

In de gezellig ingerichte hotelkamer, waar een knappend vuur in den

sierlijken haard een aangename warmte verspreidde, zat zijn vriend en

meester, lord Edward Lister, alias John C. Raffles, de Groote

Onbekende.

En naast den wijden clubfauteuil, waarin lord Edward achterover leunde,

de lange beenen voor zich uitgestrekt, zag Charly een klein witgelakt

kinderbedje staan, waarin een baby scheen te slapen.

Tenminste toen Charly op de hem eigen jongensachtige manier zijn

vroolijkheid wilde uiten en zijn verbazing te kennen geven, legde zijn

vriend met een guitige uitdrukking in de donkere oogen den wijsvinger

op den mond en vermaande fluisterend tot stilte.

Op de teenen loopend kwam Charly nader en voorzichtig boog hij zich

over het bedje heen.

Op het hagelwitte kussen zag hij een donker krullekopje.

Het grootste gedeelte van het gezichtje werd bedekt door een punt van

het geborduurde laken, dat de kleine in zijn slaap naar boven had

getrokken. Een gebald vuistje lag op het dek.

„De kroonprins van Navarra ziet er, ondanks de stormen, die reeds over

zijn jeugdig hoofd zijn gegaan, welvarend uit”, vertelde lord Lister,

steeds op fluisterenden toon. „Straks als hij wakker wordt, Charly, mag

je de eer hebben, hem wat beter te bekijken.”

Zacht lachend antwoordde Charly Brand:

„Dus je expeditie in de binnenlanden van Rotterdam is met een goed eind

bekroond? Waar heb je de mooie hertogin gevonden, Edward?”

„Dat vertel ik je later, my boy! Nu zullen we eerst ons diner laten

aanrukken, want ik verzeker je, dat ik honger heb.”

„Kunnen we niet in de eetzaal gaan dineeren?” vroeg de jonge

secretaris, die na den eenzamen middag in den Dierentuin snakte naar

wat leven en gezelligheid om zich heen.

„Vandaag niet”, antwoordde lord Lister. „Zoolang deze kleine baas onder

mijn hoede is, laat ik hem geen enkel oogenblik alleen. En ik verzoek

je, niet te rooken, Charly”, vervolgde hij, toen de blonde jonge man

zijn onafscheidenlijken sigarenkoker te voorschijn haalde, „sigarendamp

is niet toegestaan in de kamer, waar een kind slaapt.”

Vroolijk lachend keken de beide vrienden elkaar aan en gehoorzaam stak

Charly den fijnlederen koker weer in zijn borstzak.

„Als vergoeding voor al deze ontberingen heb ik echter iets voor je

meegebracht! Kijk eens, dit kleine souvenir heb ik mij wederrechtelijk

toegeëigend, vermoedende, dat het jou genoegen zou doen, nog eenmaal

dit gelaat terug te zien.”

En Raffles overhandigde zijn vriend een groote enveloppe.

Charly opende deze en haalde er een portret in cabinetformaat uit te

voorschijn.

„Hertogin de Confuelo, de mooie Adèle!” fluisterde hij:

„De medeplichtige van een Spaanschen misdadiger”, voegde lord Lister er

op ernstigen toon aan toe.

Toen schoof Charly de foto weer in het omhulsel en belde den kellner om

het diner boven te brengen.

Lord Lister No. 0115: Een Sinterklaas-verrassing · 第 18 / 21 题