Graaf Arto van Navarra zat in de bibliotheek van zijn woning en was
verdiept in een politiek tijdschrift, toen een bediende hem op een
zilveren blad een visitekaartje bracht.
„Markies Leonard Brancella,” las de graaf.
Hij kende dezen naam niet, maar beval den bediende om den bezoeker
binnen te laten.
In het volgende oogenblik stond de markies in het ruime vertrek, waar
groote boekenkasten de wanden bedekten en mosgroene gordijnen het
binnenvallende licht temperden.
Graaf Arto noodigde den vreemden bezoeker met een handgebaar uit om
plaats te nemen.
Toen sprak hij:
„Wat verschaft mij het genoegen van uw komst, markies?”
„Een zaak van hoogst kieschen aard dringt mij om mij tot u te wenden,
graaf,” klonk het uit den mond van den fortuinzoeker.
„Ik ben een vreemde voor u, nimmer nog hebben wij elkaar ontmoet en
toch—toch wend ik mij zonder aarzelen tot u om u mijn vertrouwen te
schenken in een aangelegenheid van groot gewicht.”
Graaf Arto wierp een doordringenden blik op het donkere uiterlijk van
den markies, die zijn zwarte oogen niet neersloeg.
Toen sprak hij:
„En welke gewichtige zaak is het, die u ertoe drijft om u tot mij te
wenden? Ik ben niet gewend, mij met de zaken van anderen te bemoeien en
betwijfel het zeer, of ik u in eenig opzicht van dienst zal kunnen
zijn. Deedt gij niet beter u tot mijn broeder, vorst Pedro te wenden?
Zijn invloed is zoo oneindig veel grooter dan de mijne.”
Een eigenaardige glimlach verscheen op het gelaat van den bezoeker.
„Gij begrijpt mij verkeerd, graaf!” antwoordde hij. „De kwestie,
waarover ik u kom spreken, is voor uzelf van het grootste belang!”
Met een licht schouderophalen sprak graaf Arto:
„Ik zou niet weten, in welk opzicht mijn belangen u interesseeren, maar
ik zal gaarne naar u luisteren. Welke is de aangelegenheid?”
„In korte woorden deze: Ik weet, dat het voor u, graaf Arto, en tevens
voor een groot deel van het volk een grievende teleurstelling was, toen
de zoon en opvolger van uw broeder, vorst Pedro, werd geboren.
„Ik ben er ook van op de hoogte dat gij reeds eenige pogingen in het
werk hebt gesteld om dezen rechtmatigen erfgenaam uit den weg te ruimen
en dat deze pogingen u zijn mislukt.
„Thans ben ik in de gelegenheid om er voor te zorgen, dat uw wensch in
vervulling komt.”
Onder het luisteren naar het korte, zakelijke verhaal van den markies,
was er een spannende uitdrukking op het gelaat van den graaf
verschenen.
„Ga verder, markies Brancella, ik ben nieuwsgierig, meer te hooren.”
„Ik heb de opdracht van den vorst,” vervolgde Brancella, „om den
kleinen erfgenaam in veiligheid te brengen. Men vreest voor het leven
van het kind, zoolang het aan het hof van den vader verblijft.
„Daar ik echter om politieke redenen het belang inzie van Navarra, ben
ik bereid, u het kind in handen te spelen.”
De graaf was uit zijn stoel opgestaan en liep eenige malen door het
vertrek heen en weer.
Eindelijk bleef hij voor den markies staan, kruiste de armen over de
borst en sprak:
„Ik neem uw voorstel aan. Wanneer zult gij uw opdracht ten uitvoer
brengen en op welke wijze denkt gij te werk te gaan?”
„Morgenochtend vertrek ik, met den kleinen José en in gezelschap van
een dame, die zoolang voor hem zal zorgen, naar Nederland. Het plan is,
om den kroonprins te bezorgen ten huize van den Spaanschen consul te
Rotterdam. Het beste lijkt mij nu toe om vanuit dat huis het kind weer
te doen verdwijnen, zonder dat er ooit eenig spoor van teruggevonden
wordt.”
„Op welke wijze zal het kind bij den consul worden gebracht? Zult gij
dit persoonlijk doen?”
„Ja! Ik heb mij op de hoogte gesteld van eenige bijzonderheden en weet,
dat 5 December een algemeene feestdag, of liever feestavond is in
Holland.
„Men stuurt elkaar dan verrassingen van allerlei aard in huis en dezen
avond wilde ik gebruiken om den consul en diens vrouw als surprise
onzen zuigeling te zenden.”
„Goed, maar hoe wilt gij den knaap weer uit hun huis doen verdwijnen
zonder opzien te verwekken?”
„Dit ben ik nog niet geheel met mijzelf eens, maar waarschijnlijk zal
mijn gezellin, een jonge vrouw van zeer gunstig en knap uiterlijk,
hiervoor het geschikte werktuig zijn.”
„En welke zijn uw voorwaarden? Want ik begrijp zeer goed, dat niet
alleen politiek, maar vooral eigenbelang de drijfveer van uw
handelingen is.”
„Voor de velerlei beslommeringen, de risico en het groote gevaar, dat
er voor mij persoonlijk aan deze hoogst belangrijke zending verbonden
is, vraag ik u een niet geringe som. Natuurlijk loopt mijn veiligheid,
zelfs mijn leven groot gevaar.
„Indien de zaak mocht mislukken, ben ik voorgoed verloren. Slaag ik
echter, dan zal ik toch onmiddellijk Europa moeten verlaten, om niet in
handen te vallen van vorst Pedro en diens aanhangers.
„Daarenboven dient er verder voor de jonge vrouw, wier toekomst ook op
het spel staat en die eveneens haar leven waagt voor het goede doel, te
worden gezorgd.”
De markies zweeg even, als om den ander gelegenheid te geven, over de
waarheid zijner woorden na te denken.
De graaf had weer in den wijden leunstoel, waarin hij had zitten lezen,
plaats genomen.
Zijn fijn, bleek gelaat, dat omlijst was door een donker-bruinen, wel
verzorgden baard, stond ernstig.
Alleen de kleine, onrustige oogen flikkerden onheilspellend en met een
energieke beweging van het hoofd antwoordde hij den avonturier:
„Ik wil u honderdduizend peseta vooruitbetalen; zoodra de zoon van mijn
broeder voorgoed verdwenen is, kunt gij nogmaals over hetzelfde bedrag
beschikken.”
„Ik neem uw voorstel aan, graaf Arto en ben ervan overtuigd, dat de
zaak naar uw genoegen zal afloopen.”
„Verder stel ik nog deze voorwaarde,” vervolgde de graaf, „dat in geen
geval het kind weer naar Spanje teruggevoerd zal worden. Wanneer het u
is gelukt, den kleinen José weer uit de woning van den consul te hebben
verwijderd, moet gij het kind laten verdwijnen.”
„Begrepen!” sprak de markies met een veelbeteekenend glimlachje.
„Daarna zal ik u aan een opgegeven adres het resteerende bedrag per
chèque doen toekomen en gij verlaat zooals afgesproken, met uw gezellin
Europa, om er niet meer terug te komen.”
De beide samenzweerders vervolgden nog eenigen tijd fluisterend hun
beraadslagingen en met een overmoedige uitdrukking in de zwarte oogen
verliet de markies de woning van den graaf.
... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ...
Den volgenden morgen precies om zeven uur hield voor de villa, waar
hertogin de Confuelo woonde, een auto stil, die een kwartier later den
markies en de bekoorlijke Adèle naar het station bracht.
Een klein, hulpbehoevend kindje, in een witten mantel gehuld, lag op de
bank tegenover hen en keek met groote onschuldige oogen om zich heen.