Markies Leonard Brancella was een Spanjaard, geboortig uit Saragossa,
in het land van de Ebro.
Zijn vader had het grootste gedeelte van zijn vermogen verbrast aan de
speeltafels en in het gezelschap van schoone vrouwen, zoodat den zoon
en erfgenaam niet veel was overgebleven van de aanzienlijke eigendommen
der Brancella’s.
Leonard had zich echter met groote handigheid door het leven weten te
slaan.
Jaren achtereen had hij in Amerika gewoond, waar hij, door het
verduisteren van belangrijke papieren aan een groot bedrag was gekomen.
Een onschuldige was verdacht van den diefstal en de Spaansche markies
had ongemoeid zijn geboorteland weer kunnen opzoeken.
In den loop der jaren was hij daar zelfs de vertrouweling geworden van
den vorst van Navarra, die in Brancella een raadsman en vriend meende
te hebben gevonden.
Vorst Pedro van Navarra was op middelbaren leeftijd weduwnaar geworden
en, daar hij kinderloos was, had zijn jongere broer Arto er reeds op
gerekend, eenmaal erfgenaam te zullen worden, te meer daar men
beweerde, dat de vorst aan een nierziekte leed.
Drie jaren na den dood zijner echtgenoote was de vorst echter hertrouwd
en zijn jonge vrouw had hem een zoon geschonken.
De geboorte van dit kind, die zijn moeder het leven kostte, haalde een
streep door de rekening van Arto en deze, die zijn broeder steeds
vijandig gezind was geweest, had door middel van omgekochte handlangers
reeds tweemaal een poging laten doen om den kleinen kroonprins uit den
weg te ruimen.
Beangst voor het behoud van zijn kind, had vorst Pedro besloten, het in
veilige haven te brengen en de vorst had markies Brancella deelgenoot
van zijn geheim gemaakt.
Brancella had den monocle uit het rechteroog genomen, eenige
oogenblikken peinzend voor zich uitgekeken en toen gevraagd:
„En hebben uw plannen reeds een vasten vorm aangenomen? Hebt gij reeds
besloten, onder wiens hoede de kroonprins gesteld zal worden?”
„Neen, ik wilde juist uw raad in dezen inwinnen. Gij hebt mij reeds
meer dan eens in moeilijke gevallen uitstekende adviezen gegeven,
misschien weet gij ook in dit geval een goede oplossing.
„Ik behoef u zeker niet te zeggen”, vervolgde de vorst, „dat gij voor
geen onkosten behoeft terug te deinzen. Het voornaamste is, dat de
kroonprins in veilige handen komt, zoodat wij er zeker van kunnen zijn,
dat er op uitstekende wijze voor hem gezorgd en over hem gewaakt wordt.
„Hier aan ons hof is hij helaas niet veilig, daar een gedeelte der
hovelingen omkoopbaar, een ander gedeelte op de hand van mijn broeder
schijnt te zijn.”
„Ik geloof inderdaad, dat ik er iets op weet, dat ik u een persoon kan
noemen, in wiens huis en onder wiens hoede gij uw zoon gerust kunt
stellen”, antwoordde de markies.
En geheimzinnig fluisterend vervolgde hij:
„Toevallig weet ik, dat in een der grootste koopsteden van Nederland de
Spaansche consul een alleszins betrouwbare man is; hij en zijn
echtgenoote zijn edele, brave menschen. De lieden zijn beide reeds
bejaard, zij behooren tot den welgestelden, deftigen stand en bewonen
een groot huis in een der voornaamste wijken der stad.”
„Welke stad in Nederland bedoelt gij? Ik heb eenmaal dat land bezocht
en vertoefde toen eenige dagen in Amsterdam en ’s-Gravenhage. Is het in
een van deze beide steden?”
„Neen, de persoon, dien ik op het oog heb, is de Spaansche consul in
Rotterdam, jonkheer Deelman. Zooals ik u reeds zeide, weet ik door
toevallige omstandigheden, dat hij in alle opzichten een gentleman is,
op wien wij ons in dit geval gerust kunnen verlaten.”
„Ik vertrouw uw oordeel volkomen en gij zoudt mij een onschatbaren
dienst bewijzen, indien ik in deze uiterst teere en voor mij zoo
gewichtige zaak op uw tusschenkomst mocht rekenen.”
Een oogenblik dacht de markies na.
Een stout en gewaagd plan vloog bliksemsnel door zijn brein.
Hier was een fortuin te verdienen, als de zaak goed werd aangepakt.
„Ik zie in, van welk onberekenbaar belang het welslagen van deze zaak
voor u en voor het geheele vorstendom is,” sprak hij tot Pedro.
„En omdat het mij een eer en genoegen is, u te kunnen helpen, wil ik
persoonlijk voor de behouden aankomst van den kroonprins ten huize van
den Spaanschen consul te Rotterdam zorgen.”
„O, indien gij dat wildet...! Maar hoe kunt gij, een man, met een
klein, hulpbehoevend kind reizen? Ik zoude u een vertrouwd verpleegster
uit onze omgeving moeten aanwijzen om de reis met u en den kroonprins
samen te maken...”
„Dat is onnoodig!” antwoordde de markies op beslisten toon. „Ik zal
zelf voor een persoon zorgen, die in alle opzichten te vertrouwen is en
die voor uw zoon zal zorgen als ware hij haar eigen kind.
„Het is een dame uit de beschaafde kringen, zij is een bloedverwante
van mij en daar zij van mij afhankelijk en zeer aan mij verknocht is,
zal er moeilijk geschikter persoon te vinden zijn. Voor haar
stilzwijgendheid sta ik in!”
Ontroerd stak de vorst hem zijn hand toe.
„Ik ben u zéér dankbaar voor de moeite en opoffering, welke ge u
onzentwege wilt getroosten. Ik zal u een chèque geven tot een bedrag
van honderdduizend peseta’s. Gij kunt dit bedrag naar eigen goedvinden
besteden om de onkosten, welke gij zult hebben, te dekken. Mocht deze
som niet voldoende zijn, wees dan zoo goed, mij dit mede te deelen.”
„Ik neem nu afscheid van u,” antwoordde de markies, zonder iets te
zeggen op de geldkwestie, „om de noodige besprekingen te houden met
bedoelde dame.
„Wij kunnen dan zoo spoedig mogelijk de reis aanvaarden.”
Een uur daarna stond markies Brancella onaangediend in het boudoir van
Adèle Confuelo.
Een verbaasde blik uit haar mooie oogen trof hem en reeds wilde zij op
verontwaardigden toon vragen, wie hem het recht gaf, ongevraagd in haar
huis binnen te dringen, toen Brancella haar met een gebiedend
handgebaar het zwijgen oplegde.
Zijn geheele gelaat vertrok zich tot een hatelijken glimlach.
„Ik ben nu de Leonard niet meer, die zich als een hond laat behandelen,
je zingt nu een toontje lager, nietwaar mijn schoonheid?”
Adèle, die haar romannetje op een klein tafeltje had gelegd, schrikte
hevig van den toon, dien hij aansloeg.
Zij gevoelde, dat die man, die zoo lang het mikpunt van haar spot was
geweest, haar meester was.
Met een afschuwelijk loerenden blik gluurde hij haar aan.
Hij had in een gemakkelijken stoel plaats genomen en keek naar haar,
zooals een vos loert naar een zilverfazant, waarvan niets hem meer
scheidt.
Hij was altijd in alles geslaagd.
Ook nu was het hem gelukt, haar in zijn macht te krijgen en haar te
doen boeten voor al datgene, wat hij van haar had verduurd.
Hij bleef haar een poosje strak aanstaren en terwijl zijn oogen
onheilspellend schitterden, sprak hij:
„Je moet je zoo spoedig mogelijk gereedmaken voor een reis naar
Nederland. Voor een dringende aangelegenheid moet je mij daarheen
vergezellen. Je moogt er tegen niemand een woord over spreken. Ik reken
erop, dat je morgenochtend geheel reisvaardig bent. Zorg voor de
noodige toiletten, want het verblijf zal van onbepaalden tijd zijn.”
Stom van verbazing had zij naar zijn woorden geluisterd.
Was die man plotseling krankzinnig geworden?
Wat gaf hem aanleiding om op dezen toon te bevelen, haar als de minste
ondergeschikte te behandelen?
Nog nooit had iemand op zulk een wijze tot haar durven spreken.
Een gloeiende blos van toorn vloog haar naar de wangen; haar oogen
schoten vlammen, zij balde de vuisten, dat haar ringen schaafden.
„Je durft mij te beleedigen, op dezen toon tot mij te spreken,
omdat...”
„....Omdat ik er het recht toe heb. Maak geen schandaal, hertogin. Ik
ben je vijand niet. Ik stel een vrouw nooit bloot aan de publieke
opinie, als ik er buiten kan blijven. Ik kom hier alleen voor zaken;
laten wij ons daaraan houden.
„Antwoord mij; kan ik erop rekenen, dat je mij morgenochtend op reis
naar Nederland vergezelt, om een gewichtige opdracht uit te voeren?”
Zij staarde strak op de vensters van het huis aan de overzijde en
merkte op, zooals men in oogenblikken van verschrikkelijke ontroering
soms uiterlijkheden opmerkt, dat de kanten gordijnen daar zeer vuil
waren.
Haar hart klopte hevig onder haar zijden japon en hij zag, dat zij zich
met geweld bedwong om kalm te blijven.
„Je bent geheel in mijn macht,” klonk haar weer de koude, cynische stem
van den markies in de ooren. „Bedenk dit wel, nu ik je nogmaals en nu
voor het laatst vraag, of ik op je kan rekenen?”
„Ik zal je op reis naar Nederland vergezellen,” sprak zij met
klanklooze stem.
„Wil je mij niet zeggen, wat het doel van deze reis is?”
„Dat vertel ik je onderweg wel. Reken erop, dat een kind, een zeer jong
kind, een zuigeling nog, met ons mee zal reizen. Het is voor de
verzorging van dat kind, dat ik je hulp noodig heb. Morgenochtend om
zeven uur zal ik met mijn auto hier zijn om je af te halen. Reken
daarop!”