Het was twee maanden vóór het boven verhaalde.
In het boudoir van een prachtige villa te Biarritz lag een mooie jonge
vrouw op een rustbank.
’t Was een zachte dag in het laatst van November.
De kamer geleek een lustprieel van rozen, seringen en heliotropen, die
de welriekendste geuren verspreidden.
Het getemperde licht scheen door neergelaten zijden gordijnen op de
bekoorlijke gestalte van de vrouw des huizes, die achterover op den
chaise longue lag met een sigarette in den mond en een Franschen roman
op de knie.
Het boek scheen echter haar aandacht niet te trekken, want zonder dat
zij het merkte, gleed het langzaam naar beneden, totdat het
opengeslagen terecht kwam op de lange haren van een wit tijgervel, dat
vóór de rustbank het zware tapijt bedekte.
Lusteloos rekte zij de slanke leden uit en als vermoeid vlijde zij zich
nog gemakkelijker in de zijden kussens neer.
Toen de sigaret bijna geheel was opgerookt, legde zij met de blanke,
spitse vingers het overblijfsel in een zilveren aschbak en zuchtte,
alsof een zware last haar drukte.
En zij had zorgen, de mooie Adèle Confuelo, zij had dringende
geldzorgen.
De jonge, behaagzieke weduwe van den hertog De Confuelo had na den dood
van haar goedhartigen, maar onbeduidenden echtgenoot zooveel schulden
gemaakt door het al te weelderige leven, dat zij leidde, dat zij er,
toen haar schuldeischers haar in het nauw hadden gedreven, toe over was
gegaan om de kostbare familiejuweelen, die zij slechts in bruikleen had
gehad gedurende het leven van den hertog, in Parijs te verpanden.
Zij had gemeend, dit veilig te kunnen doen, omdat haar zoontje, die
later alle bezittingen van zijn vader zou erven, nu nog slechts een
kind was en zij de geleende kostbaarheden dus nog in geruimen tijd niet
zou behoeven te verantwoorden.
Deze familiejuweelen alleen vertegenwoordigden reeds een groot fortuin.
De jonge hertogin had een aanzienlijk deel hiervan noodig gehad om haar
speelschulden, die zij in Monte Carlo had gemaakt, te voldoen, want
hoewel zij een jaarlijksche uitkeering ontving van bijna honderdduizend
francs, was dit bedrag lang niet toereikend om haar buitensporige
uitgaven te bestrijden.
Het was echter anders geloopen dan Adèle had berekend.
Een neef van haar man, de Spaansche markies Leonard Brancella, die tot
voogd was benoemd over den kleinen Jacques en die reeds bij het leven
van den hertog tevergeefs om de liefde der mooie, lichtzinnige vrouw
had gebedeld, hoopte de moeder van zijn pupil eindelijk in zijn macht
te zullen krijgen.
Hij had haar bij een vroeger onderhoud reeds medegedeeld, dat er een
eind moest komen aan haar ongehoorde verteringen, haar vorstelijke
leefwijze, maar met een hoonlach had zij hem den rug toegedraaid en
zich niet eens verwaardigd, hem te antwoorden.
Dien morgen echter had de markies zich opnieuw bij de jonge vrouw laten
aandienen.
„Wat heb je mij nu weer te vertellen?” had zij hem op brutalen toon
gevraagd, toen hij, zonder een uitnoodiging af te wachten, op een der
blauwzijden stoeltjes had plaats genomen.
„Ongelukkig heb ik je over een zeer onaangename zaak te spreken”,
antwoordde Brancella.
„Je spreekt nooit over iets anders dan wat onaangenaam is”, klonk het
terug.
„Welnu dan”, hernam de ander, „kortaf moet ik je vragen, zoo goed te
zijn de familiejuweelen, die je in bewaring hebt terug te geven. De
„Banque de Madrid” zal ze Maandag, volgens mijn orders laten halen.”
„Waarom?” had zij op koelen, schijnbaar onverschilligen toon gevraagd,
hoewel haar hart onstuimiger klopte.
„Zijn ze bij mij plotseling niet meer veilig?”
„Bij de Bank zijn ze in elk geval veiliger! Jouw levenswijze in
aanmerking genomen, is het, dunkt mij, niet overbodig, dat er van die
kleine voorzorgsmaatregelen worden genomen!”
„Ik heb ze altijd in gebruik gehad”, antwoordde zij, nu zeer kalm. „Ze
zijn in mijn bezit gesteld.”
„De overleden hertog heeft er je nooit schriftelijk of voor getuigen
eenig recht op gegeven. Hij liet ze je dragen zooals hij mij een paard
zou leenen, maar dat paard zou daarom mijn eigendom niet geworden zijn.
De juweelen gaan als erfstuk met de onroerende bezittingen over op je
zoon. Die erfbepaling heeft je man op zijn sterfbed hernieuwd en kleine
Jacques erft dus de juweelen.
„Heb je het nu begrepen?”
„Zoo’n kleine aap!” bromde de moeder tusschen haar witte tandjes.
„Ik begrijp niet, waarom je je kind scheldnamen geeft. Hij kan er niets
aan doen. Het is de bepaling in het testament van zijn vader.”
„Waarom heb ik de juweelen dan mogen hebben, als ik nu belachelijk
gemaakt word, doordat ze mij weer worden afgenomen?” sprak Adèle op
heftigen toon.
„Het zou misschien beter zijn geweest als je ze nooit had gehad. Maar
de hertog was altijd goedhartig. Je man wist trouwens, dat de juweelen
door de erfbepaling werden beschermd. Zij vertegenwoordigen een groot
vermogen!”
„Maar ik zal er toch wel gebruik van mogen maken tot aan de
meerderjarigheid van den jongen?”
„Volstrekt niet!” klonk het op strengen toon terug. „Zij gaan naar de
Bank en daar blijven zij tot zijn meerderjarigheid.
„Waar zijn zij nu?”
„In mijn juweelenkistje.”
„Welk een onvoorzichtigheid! Waarom heb je ze niet veiliger bewaard?
Men draagt zulke juweelen toch niet elken avond?”
„Ik droeg ze heel dikwijls!”
Haar uitdagende toon prikkelde hem.
„Dan zal je ze nu niet meer dragen!” sprak hij barsch. „Je zult leeren
begrijpen, dat ze je niet toebehooren. Over eenige dagen zal de Bank
erover beschikken.”
Zij stond op met op elkaar geklemde tanden, wijd geopende neusgaten en
vlammende oogen.
„Je gedrag is schandelijk! Mij zoo te beleedigen!”
„Er is niets beleedigends in! Een eerlijke vrouw geeft zonder aarzelen
terug, hetgeen haar niet toebehoort!”
„Uit mijn oogen!” riep zij met een schelle stem.
„Met genoegen!” klonk het koel terug. „Maandagmorgen zullen de juweelen
bij je worden afgehaald. Zij zullen dan opnieuw getaxeerd worden en op
de „Banque de Madrid” gedeponeerd.”
„Uit mijn oogen en waag het nooit meer in mijn tegenwoordigheid te
komen!” riep zij woedend, terwijl zij haar zakdoek tusschen haar handen
wrong.
Het was een paar uur geleden, dat de markies Leonard Brancella haar had
verlaten en zij was nog niets nader tot de oplossing van het vraagstuk
gekomen, hoe vóór den bepaalden tijd de juweelen terug te krijgen,
opdat zij ze Maandagmorgen zou kunnen afgeven.
Want dat zij dit werkelijk zou moeten doen, had zij reeds dadelijk
begrepen.
Het eene kwartier na het andere verliep; zij hoorde haar paarden onder
de vensters op hef plaveisel trappelen; zij hoorde de rijtuigen van
hen, die haar kwamen bezoeken voor de deur stilhouden en wegrijden,
door het onverbiddelijke „niet thuis” afgewezen.
„Hoe verschrikkelijk!” dacht zij. „O, hoe verschrikkelijk!”
Misschien was het de laatste dag, dat iemand haar kwam bezoeken.
Want zij wist wel, dat als het bekend was, wat zij gedaan had, de
wereld, die haar nu huldigde, voor haar gesloten zou zijn.
Afgemat door het denken, begaf de moed haar.
Mogelijk voor het eerst in haar leven barstte zij in tranen uit—bittere
tranen, die haar leelijk maakten en haar gelaat verouderden.
Met haar groote verslaafdheid aan genot en weelde kon zij nu begrijpen
dat vrouwen, die tot het uiterste gedreven waren, zich van kant maakten
om ontdekking en veroordeeling te ontgaan.
Zij was wel niet van plan om zich van kant te maken, omdat zij met haar
schoonheid van gelaat en gestalte te zeer aan het leven gehecht was en
er nog te veel van verwachtte, maar zij begreep toch, dat zij een
uitkomst moest zoeken en hoe eer hoe liever.
Zij had nog maar weinig tijd over om te handelen voordat de bode van de
Bank zou komen.
Tot elken prijs moest zij de steenen dan terug hebben, of zij was een
geschandvlekte, geruïneerde vrouw.
Alles, wat het leven voor haar zoo aantrekkelijk maakte, zou dan voor
haar verloren zijn.
Zij stond op en bekeek haar gelaat in den spiegel en zij schrikte van
haar roode, gezwollen oogen en haar opgezette wangen.
„Niets op de wereld is waard, dat men er zijn schoonheid om verliest,”
sprak zij tot zichzelve.
Zij begaf zich naar haar slaapkamer. Zonder haar kamenier te roepen,
waschte zij haar gelaat met rozenwater en haalde een kam door haar in
wanorde geraakt haar.
Terwijl zij voor haar toilettafel met den ovalen spiegel in zilveren
lijst zat en met een dun laagje poeder gelaat en hals bedekte, scheen
plotseling een goede gedachte in haar op te komen, want een fijne
glimlach verscheen om den kleinen mond en half overluid mompelde zij:
„Ja, zoo moet ik het aanleggen, het is de eenige uitweg en het zal mij
zeker gelukken!”
Toen stond zij op, liep een paar malen, met een peinzende uitdrukking
op het gelaat door de kamer heen en weer en sprak tot zichzelf:
„Hij zelf, Leonard in eigen persoon, moet mij redden voor de schande,
die op mij neer zou komen als het bekend werd, dat ik de juweelen heb
beleend.”
Het bloed stroomde haar naar het gelaat, zoo stuitend was de gedachte,
den man, dien zij steeds afsnauwde en met minachting behandelde, nu in
haar vertrouwen te nemen en hem om hulp te vragen.
Zij dacht, de oogen strak op hetzelfde punt gericht, na over de manier,
waarop zij zich tot hem zou wenden.
Hoe zou hij het opnemen?
Zij had hem dikwijls onmeedoogend voor den gek gehouden, hem soms in
den waan gebracht, dat zij iets voor hem voelde om hem een oogenblik
later te beleedigen en grofheden naar het hoofd te slingeren.
Even huiverde zij terug bij de gedachte, nu werkelijk een grooten
dienst van hem te moeten aannemen.
Hij was niet gefortuneerd genoeg, om de juweelen voor haar te kunnen
inlossen, maar hij, als voogd van haar zoontje, had het recht om haar,
tot aan diens meerderjarigheid, rustig in het bezit der familiestukken
te laten.
Zij zou dan langzamerhand het geld kunnen besparen om de kostbaarheden
terug te krijgen en de wereld zou nimmer ervaren, aan welke strafbare
daad zij zich had schuldig gemaakt.
Zij wist wel, dat het geweten van Leonard Brancella zeer ruim was.
Ondanks zijn vijandig optreden tegen haar, begreep zij toch, dat zij
nog altijd een groote macht over hem bezat, dat een liefkoozende blik
harer violette oogen, een teedere handdruk veel op hem vermochten.
Komaan! Het moest!
Een half uur later ontving markies Brancella een rose briefje, dat
sterk geparfumeerd was en waarvan de inhoud hem een oogenblik het bloed
naar de slapen dreef.
Het luidde:
„Ik heb spijt van mijn ongepast en heftig optreden en wil tot elken
prijs weer goede vrienden met je worden. Kom zoo spoedig mogelijk
bij mij!
Adèle”.
De kleine, breedgeschouderde man met den donkeren gelaatstint en het
sluike, gitzwarte haar, las het briefje tweemaal door. Met de
rechterhand, aan wier pink een ring met zwarten zegelsteen stak, streek
hij over zijn voorhoofd, als om zijn gedachten te ordenen en borg toen
het briefje, alsof het een kostbaar document was, in zijn portefeuille.
Hij liet zich door den kamerdienaar zijn jas en cylinder brengen,
schoof de lichtbruine glacé’s over de goedverzorgde handen en begaf
zich, dien dag voor de tweede maal, naar de villa, die de hertogin De
Confuelo bewoonde.
Een zegepralende uitdrukking lag op het breede gelaat van den
Spanjaard, toen een lakei hem onmiddellijk verzocht naar het boudoir
zijner meesteres te willen gaan, waar de hertogin hem reeds wachtte.
Zij had in een der blauwzijden fauteuils plaats genomen en wees hem een
zetel tegenover haar aan.
Een lichte trilling om haar mondhoeken verried, dat het haar moeite
kostte, volkomen kalm te blijven.
„Je hebt mij verzocht hier te komen, Adèle; waarmee kan ik je van
dienst zijn?” vroeg Brancella, terwijl hij haar met scherpen blik
opnam.
Zijn arglistig karakter deed hem vermoeden, dat zij ook nu weer met hem
speelde en, hoezeer de wensch om deze verleidelijke mooie vrouw de
zijne te noemen, ook in hem zetelde, toch was hij vast besloten, de
meerdere te blijven, zich niet door haar te laten verschalken.
Terwijl zij langzaam de oogen naar hem opsloeg en hem met een zachten
blik aankeek, sprak zij:
„Zooals ik je schreef, Leonard, ik heb innig spijt van de woorden, die
ik tegen je heb uitgesproken. Kun je mij vergeven?”
„Een bekoorlijke vrouw vergeeft men alles!” antwoordde de markies met
een welwillenden glimlach.
Toen vervolgde hij:
„Is dat alles, wat je mij te zeggen hebt?”
„Neen, dat is niet alles!” fluisterde Adèle.
„Wat scheelt er aan, Adèle?” vroeg hij weer, terwijl hij een weinig
voorover leunde, met de handen op zijn knieën. „Je bent evenmin
geschikt voor verdriet als een kakatoe voor modder en regen. Kom, kijk
niet zoo bedroefd!”
Zij wist, dat zij het hem moest zeggen, dat zij bij hem hulp moest
vinden of geruïneerd was.
Zij was voor geen klein geruchtje vervaard, maar de moed ontzonk haar
en haar lippen waren droog.
„Kom, kom, niet zoo bedrukt,” zei Brancella op een toon, die
aanmoedigend en vriendelijk bedoeld was. „Zeg mij maar, wat het is!”
Hijgend en af en toe diep ademhalend begon zij nu het verhaal van haar
speelschulden, haar dure levenswijze, die zij aan haar stand verplicht
was, hoe het water haar steeds meer aan de lippen was gekomen en hoe
zij ten slotte gebruik had gemaakt van het eenige middel, dat haar kon
redden: het verpanden van de familiejuweelen.
„Maar hoe heb je dat verborgen kunnen houden voor de wereld, die steeds
gewend was, jou op soirées en partijen te zien, getooid met de
kostbaarste paarlen en diamanten?” vroeg de markies, die haar verhaal
oplettend had gevolgd.
Weer aarzelde Adèle even, toen antwoordde zij, zonder hem te durven
aankijken:
„De juwelier Poitou, die ze van mij in bewaring nam, leverde mij
valsche steenen ervoor in de plaats. Ze zijn kunstig nagebootst en
alleen een vakman ziet de vervalsching.”
„Heb je niemand om raad gevraagd?”
„Neen!”
Een glimlach zweefde over zijn gelaat, terwijl hij met een loerende
uitdrukking zijn donkere oogen op haar gevestigd hield.
„En wat wil je nu, dat ik voor je doen zal?” vroeg hij, ofschoon hij
het wel wist zonder het te vragen.
Maar hij vond er vermaak in, haar op de pijnbank te houden, hij zette
haar de tallooze beleedigingen betaald, die hij van haar te verduren
had gehad.
Zij raapte al haar moed bijeen en vertrouwde op de toovermacht van haar
invloed op hem.
„Dat je mij in het bezit laat van de juweelen, opdat ik kan blijven,
wie ik tot dusverre was...”
„Voor het oog van de wereld ten minste!” viel hij haar in de rede.
Zijn gelaat verried niet, wat er in hem omging. Alleen in de zwarte
oogen lag nu een vastberaden uitdrukking.
„Ik zal je geheim bewaren”, sprak hij, terwijl hij opstond en de
leuning van zijn stoel met beide handen vast hield. „Ik zal mijn
orders, aan de „Banque de Madrid” gegeven, weer intrekken en je kunt
voorloopig nog je leventje in de groote wereld blijven spelen.”
„Hoe kan ik je genoeg danken?” riep Adèle met een zucht van
verlichting.
Zij stak hem haar smalle, blanke hand toe, die hij even aan zijn lippen
bracht.
„Ik ga nu heen om het bericht aan de Bank te zenden”, ging hij voort.
„Tot weerziens, Adèle!”
Verbaasd keek de jonge vrouw hem na, toen hij, na een beleefde buiging
voor haar te hebben gemaakt, de kamer verliet.
Wat voerde deze man in zijn schild, dat hij zoo, zonder eenige
aarzeling, zonder een enkel bezwaar te maken, aan haar wensch had
voldaan?
Het lag toch niet in den aard van hem, dien zij kende als een
hardvochtig, gewetenloos mensch, om zonder eenig voorbehoud iemand een
dienst te bewijzen!
Een rilling ging haar door de leden, nu zij besefte, hoe volkomen zij
voortaan in de macht van den markies was.
Welke plannen zou hij hebben?
Nu zij den stap had gedaan, nu zij hem haar geheim had meegedeeld,
voelde zij zich wanhopig ongelukkig en zij weende hartstochtelijk, zich
onherroepelijk wetende in de macht van een schurk.